Ingenieur Mussert
Na het behalen van zijn diploma “met lof” trad hij op 1 september in dienst van Rijkswaterstaat als ingenieur in tijdelijke dienst. Ingedeeld bij de Dienst Sluisbouw, werkte hij samen met zijn Joodse studiegenoot Josephus Jitta die ook bij deze dienst was tewerkgesteld. In de zomer van 1919 had Anton Mussert het al geschopt tot ingenieur derde klasse en had hij een vaste aanstelling. Met ingang van 1 mei 1920 trad Mussert in dienst bij het Provinciale Waterstaat van Utrecht. Hij ontpopte zich tot een uitstekend ingenieur en diverse plannen die rechtstreeks van zijn hand kwamen, werden uitgevoerd.
Aanvankelijk was Mussert een onbekend lid van de Liberale Vrijheidsbond. Pas in 1925 trad hij politiek op de voorgrond bij een protestactie tegen een ontwerpverdrag met België dat betrekking had op waterwerken. Op 3 april 1925 werd door de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken Herman Adriaan van Karnebeek en zijn Belgische collega Paul Hymans een overeenkomst getekend voor een ontwerpverdrag aangaande een verbeterde scheepvaartverbinding tussen Antwerpen en de Moerdijk. Een ander onderdeel van dit verdrag was de vergroting van de Belgische belangen op de Schelde. In Nederland ontstond hier het nodige verweer tegen. Mussert werd secretaris van het Nationaal Comité van Actie tegen het ontwerpverdrag onder voorzitterschap van de president-commissaris van de Nederlandse Bank, Johannes Luden. Ook een klerk van de Provinciale Griffie, Cees van Geelkerken, maakte deel uit van dit comité. Mussert liet zich in de actie leiden door de visie dat het verdrag door Nederland alleen maar was ingegeven uit angst ten gevolge van het Verdrag van Versailles. Mussert vond dat het verdrag voornamelijk gericht was op Franse belangen en zag de plannen als een bijdrage aan het groeiende Frans imperialisme. De actie van het comité was dusdanig succesvol dat in februari 1927 het verdrag door de Eerste Kamer werd verworpen en de verantwoordelijke minister Van Karnebeek aftrad. De succesvolle actie gaf Mussert de overtuiging dat hij een uitstekende organisator was. Zijn bijdrage aan deze actie bracht hem in contact met personen uit autoritair gezinde kringen.
Via zijn lidmaatschap van de Nationale Unie evolueerde Mussert van liberaal naar overtuigd fascist. Vooral Cornelis van Geelkerken was van grote invloed op de volgende stappen in Musserts leven. Na deze activiteiten werd Mussert lid van de Dietsche Bond, een organisatie die streefde naar een Groot-Nederland, waar ook Belgisch Vlaanderen deel van uit moest maken. In zijn streven hiertoe steunde hij dan ook het Vlaams activisme in België. Ook trad hij toe tot de Nationale Unie van jonkheer Robert Frédéric Groeninx van Zoelen en Frederik Carel Gerretson. In de loop der jaren groeide echter zijn interesse in het fascisme.
Op 1 november 1927 werd Anton Mussert benoemd tot hoofdingenieur, waarmee hij als 33-jarige de jongste hoofdingenieur van het land werd. Onder Musserts leiding werd het wegenplan van de provincie Utrecht verbeterd, afgemaakt en uitgevoerd. De gigantische bureaucratische tegenwerking die hij hierbij ondervond, bezorgde hem een grotere aversie tegen de Nederlandse democratie. Overtuigd van de visie dat in het autoverkeer de toekomst lag, werd Mussert een groot pleitbezorger voor de aanleg van autowegen. In 1931 publiceerde hij zijn eerste werk over dit onderwerp : “Ruim baan voor de toekomst”. Zijn idee over de ontwikkeling van een netwerk van wegen, gelegen op viaducten , zou in de jaren 70 van de 20ste eeuw bij de TH in Delft opnieuw gehoor vinden. Ook op andere gebieden zoals in het ontwerpen van waterwegen had Mussert zich ondertussen zeer verdienstelijk gemaakt. Met zijn plannen had Mussert zodoende al diverse keren het landelijke beleid weten te beïnvloeden, zonder zelf de politieke reikwijdte hiervan te beseffen.
Mussert de politicus
Toch moet Mussert al snel beseft hebben dat hij ook op politiek gebied invloed uit kon oefenen. Al in 1930 liep hij met het idee rond om een politieke partij te beginnen. De basis hiervoor heeft zeer zeker gelegen in zijn ervaringen met de strijd tegen het Belgische verdrag. Zijn medestrijder daarin, mr. J. Zaaijer, had hier reeds de politieke kwaliteiten van Mussert herkend. Saillant detail was dat deze zelfde mr. Zaaijer in 1945 de doodstraf tegen Mussert zou eisen en bovendien toezicht hield op de voltrekking hiervan.
Toch waren deze ervaringen (zoals het Belgisch verdrag en het wegenplan Utrecht) niet de directe aanleiding voor politieke activiteiten. Allen die in die tijd met Mussert in contact waren, wisten zich te herinneren dat Mussert deze zaken nooit heeft uitgebuit voor politiek gewin. Ook zijn Joodse vriend Josephus Jitta, die na de holocaust weinig reden had om een goed woordje over Mussert te doen, was hiervan overtuigd.
Musserts politieke geëngageerdheid moet meer worden gezocht in de bureaucratische tegenwerking die hij van de diverse overheden ondervond bij de vervolmaking van zijn plannen. Het heeft zeker twee jaar van planning en nadenken gekost voordat Mussert zijn plannen voor een politieke beweging ten uitvoer ging brengen. In 1929 had Mussert het idee gekregen dat Nederland zich in een groot economisch en politiek gevaar begaf. Hij had er geen enkel geloof in dat de bestaande politieke partijen in staat waren om deze rampspoed te kunnen afwenden. Ook zag hij het "rode gevaar" van Moskou opdoemen. Deze onzekerheden vormden de basis voor een politieke beweging die hij zou moeten opzetten en leiden. Een politieke partij oprichten zag hij aanvankelijk niet zitten. Er zou een maatschappelijke beweging moeten ontstaan die de bestaande partijen zou doen inzien dat het zo niet langer kon.
Op 14 december 1931 richtten Mussert en Van Geelkerken in Utrecht de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) op. Hoe was dit nu ontstaan? Van Geelkerken had na het fiasco van de Oranje-Nationalisten (een andere nationalistische beweging), samen met Ds. C. van der Voort van Zijp, een organisatie opgezet onder de naam “De Bezem”. In de groei hiervan zat weinig schot. Beiden zochten een persoon die zou kunnen fungeren als een Nederlandse Mussolini, een man die een massabeweging op gang zou kunnen brengen. Allebei kenden ze Mussert als een goed organisator en ze begonnen zich af te vragen of deze Anton Mussert niet de man was die ze zochten. Langzaamaan groeide bij Mussert het besef dat hij deze functie ook daadwerkelijk kon uitvoeren.
Mussert werd politiek leider van de Nationaal-Socialistische Beweging die zich aanvankelijk meer Italiaans-fascistisch dan Duits-nazistisch opstelde. Mussert had grote bewondering voor de Italiaanse leider Benito Mussolini. Hoewel de NSB het overgrote deel van het politieke programma van de Duitse NSDAP overnam, werden de racistische en antisemitische onderdelen weggelaten. Anton Mussert had zich bij de keuze voor de term nationaalsocialisme en het overnemen van diverse partijstandpunten van de NSDAP niet laten leiden door de inhoud of achtergrond van het nationaalsocialisme in Duitsland. Hij was er in die tijd totaal niet van op de hoogte wat het nationaalsocialisme inhield. Hitlers “Mein Kampf” had hij nog nooit gelezen (zou hij ook later nooit doen) en ook het antisemitisme deelde hij toen nog niet.
De term fascisme wilde Mussert vermijden aangezien al bestaande fascistische partijen een zeer kwalijke reputatie hadden. Hij had zich voornamelijk laten leiden door het succes van de NSDAP bij de Duitse verkiezingen. Van zijn twintig punten tellende politieke programma waren er zestien overgenomen van de NSDAP. Belangrijke passages zoals de rassenleer en het Führerprincipe werden er echter uit gelaten. Deze pasten volgens Mussert niet bij het Nederlandse volk. De vier werkelijke Nederlandse actiepunten waren: de verbondenheid met de overzeese rijksdelen, een krachtig staatsgezag (invloed van het fascisme), het streven naar een Groot-Nederland inclusief Vlaanderen, hoewel dat niet expliciet werd genoemd: een sterke defensie.
Op maandagavond 14 december 1931, in een klein zaaltje in het Utrechtse gebouw van de Christelijke Jongemannen Vereniging, was het zover. Van de twaalf aanwezige personen werden er buiten Mussert en Cornelis van Geelkerken, totaal vier ingeschreven als de eerste leden van de NSB.
