Bevrijding van Oost- en Noord-Nederland
De bevrijding tot en met de (Verlengde) Hoogeveensche Vaart
Twee hindernissen moesten nog worden genomen alvorens de Canadezen vol gas konden geven, richting Nederland. De eerste was het strategisch belangrijke gebied Hoog Elten op ongeveer zes kilometer ten noordwesten van Emmerik. Vanuit dit gebied reikte het gevechtsveld tot in Emmerik en zodoende kon de Duitse artillerie de opmars en de brugslag over de Rijn eventueel ernstig verstoren.
De Canadese 3e Infanterie Divisie mocht deze klus ‘Hoog Elten’ klaren. In de nacht van 30 op 31 maart gingen twee bataljons van de 8e Infanterie Brigade, de Queen’s Own Rifles en het ‘Régiment de la Chaudière’, op mars. Ook nu weer liet de artillerie zich gelden. Uit een Canadese legerkrant werd het volgende opgetekend: ‘... is Hoog Elten een der meest verwoeste streken van West-Europa (...) is de aarde tot poeder gemalen en zijn alle loopgraven en onderkomens versplinterd en kapotgeslagen (...) waren voorheen de heuvels dicht begroeid (...) Nu is het een skelet van een bosch, niet één boom is nog intact (...) verwoesting was het enige obstakel...’ (1). Met weinig tegenstand veroverden de ‘Chauds’ de stad Elten, moeilijker ging het op rechts bij de Queen’s Own die een middag en een avond lang de strijd moesten aanbinden met de Duitse verdedigers en pas op 1 april konden de Queen’s de top van Hoog Elten bereiken.
Het tweede obstakel was de overgang bij Emmerik. Drie bruggen werden in korte tijd geslagen, maar niet voordat Hoog Elten was veroverd. De eerste brug, geschikt voor alle zware materieel, kon op 1 april al worden gebruikt, de twee andere volgden spoedig (2).
De weg Bienen – Millingen – Anholt - Bocholt [zie het schema hiervoor] was als een nauwe flessenhals van nauwelijks zestien kilometer breed, van waaruit twee legerkorpsen naar buiten werden geperst (3). Deze hoge concentratie van troepen was niet bevorderlijk voor een algehele soepele start. De 51e Highland Divisie bijvoorbeeld zou op 30 maart om 07.00 uur vanuit Anholt uitbreken, maar de verkeerschaos was oorzaak van een urenlange vertraging tot vroeg in de middag. Ondanks de hoge dichtheid van troepen in de sector van het Canadese 2e Legerkorps tussen Bienen – Millingen verliep hier de start wel voorspoedig.
Op de linkerflank van het Canadese 2e Legerkorps lag de Canadese 3e Infanterie Divisie met hemelsbreed 200 kilometer verderop naar het noorden toe de einddoelen aan de Friese Waddenkust en Leeuwarden als belangrijkste divisie aanvalsdoel. In het midden de Canadese 2e Infanterie Divisie die over eenzelfde afstand de stad Groningen als belangrijkste divisie aanvalsdoel had en ook de Groningse kust en het gebied aan de Dollard van vijand moest zuiveren. Rechts naast de 2e trok de Poolse 1e Pantser Divisie naar het noorden via Almelo – Emmen en splitste zich voorbij Emmen met de linkerspits naar Winschoten en de zuidrand van de Dollard. De Polen kwamen op 8 april onder bevel van het 2e Legerkorps. Op de rechterflank van Crerar’s 1e Leger manoeuvreerde de Canadese 4e Pantser Divisie en zwenkte bij Almelo naar Duits grondgebied met als einddoel Oldenburg.
De scheidingslijn tussen het Canadese 1e Leger en het Britse 2e Leger liep over de as Terborg – Zelhem – Ruurlo – Borculo – Delden – Borne – Nordhorn en verder.
Ter rechterzijde van deze scheidingslijn opereerde dus het Britse 2e Leger met op de linkerflank het Britse XXX Legerkorps met de 43e Wessex Divisie, die vanuit Anholt in noordelijke richting vertrok en over de as Varsseveld – Lochem – Borne in de richting van Nordhorn ging, daarnaast de Guards Tank Divisie over de as Dinxperlo – Aalten – Eibergen – Enschede en verder naar Bentheim, alsmede de 51e Highland Divisie.
Het karakter van de strijd veranderde drastisch:
- Er was bijvoorbeeld geen ‘fraaie’ frontlijn meer. Zo werd het dorp Angerlo, even ten zuiden van Doesburg, op 5 april bevrijd. Dezelfde datum waarop verkenningseenheden het oostelijke gedeelte van de veel verder weg gelegen plaats Coevorden hadden bereikt. Of, een tweede voorbeeld, werd Wehl, ten westen van Doetinchem, een dag na Ruurlo en Vorden bevrijd, i.c. op 2 april. Beiden liggen twintig kilometer noord van Wehl.
- De opmars werd een soort estafetteloop waarbij de stok door de vooropgaande eenheid werd overgedragen aan de achteropkomende. Daar waar succes was, werd direct geprobeerd de situatie uit te buiten. Blokkades werden dan weer opgeruimd, dan weer omzeild. De brigadecommandanten formuleerden het raamwerk, de bataljonscommandanten sneden dit toe op hun eenheden, de compagniescommandanten deden met hun pelotons het werk. De delegatie was groot. Dat alles om de snelheid en de flexibiliteit te bevorderen. Ik vind het Canadese optreden een schoolvoorbeeld van ‘emergent and improvised tactics’ en het dikwijls het karakter van de aan de Duitsers toegeschreven Auftragstaktik.
- Om gedegen flankbeveiligingen bekommerden de bevrijders zich nauwelijks. Krachtige tegenaanvallen gericht tegen een bataljon konden de Duitsers niet meer opbrengen, ondanks de veronderstelde drie divisies in de sector van het Canadese 2e Legerkorps. De Duitse vechtmachine, die nu moest verdedigen, was volledig gedesorganiseerd geraakt en hun gevechtsstructuur kapot. Zelfs een eenheid als de 6e Parachutisten Divisie was in kracht op een bedenkelijk niveau terechtgekomen. Krijgsgevangenen waren vaak ‘... grubby, dirty, slender youths, boys and old men ...’.
Het Duitse gevaar kwam vooral van kleine, verdekt opgestelde groepen die hardnekkig wilden standhouden of sluipschutters en mitrailleurduo’s, die zich tussen puinhopen hadden genesteld en individuele soldaten die, met een Panzerfaust gewapend, wellicht nog hoopten op de nodige versierselen van betoonde heldenmoed. Vaak knapen van 17 jaar en jonger, waarmee de Canadezen niet altijd goed raad wisten wat te doen. Zeer hinderlijk voor de Canadese opmars waren ook de vele waterlopen (4) en de vernielde bruggen die de opmarssnelheid behoorlijk konden beïnvloeden. Bovendien was er tot aan de (Verlengde) Hoogeveensche Vaart voor de beide infanteriedivisies eigenlijk te weinig manoeuvreruimte (5). Daarom werd de voorwaartse gang in eerste instantie overgelaten aan de 2e Infanterie Divisie, terwijl de 3e Infanterie Divisie zich bekommerde om de bevrijding van Zutphen en Deventer.
Het uitgangspunt van de legergroep doctrine was vrij eenvoudig. Zonder vuursteun, in het bijzonder van de artillerie, geen succes en dus weinig voorwaartse beweging. Met andere woorden: verzadig de ruimte met vuur waar mogelijk de ‘Jerry’, de NSB’er en de Landwachter zitten. Maar helaas zaten die Jerries en verraders in bebouwde kommen of bij en in boerderijen en werd uiteindelijk zoals altijd de burgerbevolking de dupe. Dat er duur betaald moest worden voor de nederlaag van de ‘barbaren’, blijkt uit de volgende twee voorbeelden die representatief zijn voor dit totaalbeeld:
- de beschieting van Doesburg in de nacht van 3 op 4 april van 1 uur ’s nachts tot 7 uur in de ochtend en ‘... telden wij 20 ontploffende granaten per minuut ...’ (6) en daarna met grote regelmaat tot 15 april met artillerievuur werd bestookt, vaak ongenadig: ‘...De omvang van de geallieerde beschieting was zeker niet gewettigd gezien de kleine bezetting die Doesburg had ...’, zou later het commentaar zijn.
- de bevrijding van Dinxperlo dat daags voor Goede Vrijdag nog door circa 37.000 granaten werd geteisterd (7). ‘... Smeulende puinhopen, afgerukte daken, uit de scharnieren geslagen deuren, ramen zonder glas, fladderende gordijnen enz. Wie het niet gezien heeft, kan er zich geen voorstelling van maken....’.
Intussen zijn deze voorbeelden geen uitzondering. In die hoek van Gelderland werden ook vele andere plaatsen als Winterswijk, Doetinchem, Zevenaar, Steenderen en Zutphen of een dorpje als Rha, waar vrijwel geen huis onbeschadigd bleef, zwaar gehavend. Maar ook buiten de bebouwde kommen waren tal van boerderijen kapotgeschoten of in vlammen opgegaan. Bijvoorbeeld in het piepkleine dorp Lathum, ten noordoosten van Westervoort, dat omstreeks12 april bevrijd werd, waar een paar kennelijk waanzinnig geworden Duitsers nog net even als wraakneming vijf boerderijen en een woonhuis in brand staken en het ‘Huis te Lathum’ opbliezen en en passant een aantal totaal onschuldige inwoners uit Lathum met mitrailleurvuur om het leven brachten.
Soms leidden deze oorlogssituaties ook tot opmerkelijke reacties, bijvoorbeeld zoals opgetekend door Leo Bruil bij de bevrijding van Varsseveld en omgeving:
- tijdens de gevechten op 30 maart bij Sinderen wordt een elfjarig kind geraakt en zegt “vader, ik ben getroffen”, waarop de vader reageert met “Och jongen je moet niet zo zeuren”, maar even later blijkt het te zijn overleden als het opgetild wordt. Het kind, dat rooms-katholiek is, mag van de ouders niet met de lijkwagen van Varsseveld worden vervoerd. Ze willen dat dit met ‘...de R.K. lijkwagen van Silvolde gebeurt ...’ (8).
- ‘...we weten nog steeds niet of we al bevrijd zijn, tot er bij het keldergat geroepen wordt: “Kom er maar uit, we zijn bevrijd”. Het is buurman L. (...) hij is zo uitgelaten dat de oorlog voorbij is, maar iedereen weet dat hij lid is van de N.S.B. ...’
Met uitzondering van de bevrijding van Doesburg –een belegering van veertien dagen-, Zutphen en Deventer, de overgang over het Twentekanaal (9) en de taaie volharding van de Duitsers op het stuk Almelo – Wierden, verliep de opmars tot aan de (Verlengde) Hoogeveensche Vaart zeer voorspoedig. Soms misschien te voorspoedig: ‘... Obviously the Corps or Army plan did not envisage the rapidity of our progress, and even the capture of the TWENTHE CANAL seemed to some low-level observers to have been somewhat ahead of schedule (...) there seemed to be an absence of real “drive” on the higher command: probably for good reasons, such as the considerations of “firming up”, “logistics”, maintaining communications, and other worthy criteria ...’ (10). Mede hierdoor was het mogelijk dat de snelheid, waarmee de Duitsers terugtrokken groter was dan de opmarssnelheid van de bevrijders. De grootste problemen waren de brugslag, de congestie waardoor enorme files ontstonden op de opmarswegen en de ondermijning van wegen. ‘...The Germans were apparently relying mainly on demolitions to hold up our advance... (11). Meestal werden deze ondermijningen onder schot gehouden door een klein gevechtsteam van een paar man met pantservuisten en mitrailleurs. Dat kostte tijd, want de situatie dwong tot de uitvoering van een goed geplande aanval en het zoeken naar alternatieve routes om met de hoofdmacht door te kunnen gaan. De ene keer werd snel een baileybrug gelegd, soms werden bruggen provisorisch hersteld waarbij de plaatselijke bevolking dikwijls kordaat steun verleende en weer een andere maal werd met het aanwezige materiaal een voorlopige brug gebouwd. Ondanks al dit oponthoud konden de Canadezen, Britten en Polen hun opmarssnelheid redelijk goed handhaven.
De bevrijding van een dorp of kleinere gemeente verliep bijna altijd volgens een vast patroon. Het schieten dat naderbij kwam, al dan niet voorafgegaan door zwaardere beschietingen, de vliegtuigverkenner die komt en gaat, een dorpsgenoot die de bevrijders al eerder had ontmoet en als bewijs op de terugweg per fiets sigaretten en chocola meenam, het spannende wachten, vaak in kelders opeengepakte families en onderduikers, tot dat ‘da bunt ze’ kon worden geroepen, het gevoel van vreugde bevrijd te zijn: ‘... nooit zal ik die rij soldaten vergeten ..., maar tegelijkertijd een gedrag van ongeloof daarover ‘... the undemonstrative Dutch seemed genuinely glad to see us, and although the flag-waving and cheers failed to stir us as they occasionally did in France, we still felt proud to belong to an army of liberation...’, de jacht op de foute landgenoten en het herstel van de dagelijkse orde.
Het gedrag van de vijand verschilde van plaats tot plaats. Soms werd in alle stilte vertrokken, soms in allerijl, en dan weer werd hevig weerstand geboden. Ook de ‘fouten’ handelden verschillend. De ene groep trok met de Duitsers mee of probeerde het hazenpad te kiezen en had misschien nog hoop op betere tijden, de andere bleef lijdzaam het lot afwachten en weer anderen, meestal Nederlandse SS-ers, namen eerst op brute manier wraak om zich vervolgens tot het uiterste te verweren tot ze er letterlijk bij neervielen.
Noten:
1. T. de Goede, De gem. Bergh in den tweeden wereldoorlog, in: Er op of er onder, W.P. Nederkoorn en G.J.B. Stork, Doetinchem, 1970 (herdr.), p. 142, 143. Een ‘Chaud’ zou hebben gezegd: ‘...peut-être le plus bombardé dans l’histoire de la guerre...’, in: Stacey, op.cit., p.542. Terecht merkt Stacey op dat deze uitspraak overdreven is, maar ’t geeft wel een idee over de aangerichte schade.
2. Het enorme succes van de ondersteunende diensten als die van de genie en de artillerie is gelegen in het beginsel van de centralisatie. Daardoor kan doelmatige en doeltreffende allocatie snel en flexibel worden uitgevoerd.
3. Het Canadese 1e Legerkorps van luitenant-generaal Foulkes bevond zich in de sector ‘Arnhem’. Het Britse XXX Legerkorps was al onder bevel van generaal Dempsey.
4. In het vak van de 2e Divisie waren er ten minste vijftien waterlopen van enige betekenis.
5. Tussen de IJssel en de as Doetinchem – Vorden – Almen aan het Twentekanaal opereerden behalve de 2e en de 3e Infanterie Divisie ook nog de 1e, die tot taak had om tussen Zutphen en Deventer in westelijke richting af te buigen. In feite manoeuvreerden vrijwel tegelijkertijd drie divisies in een zeer beperkte ruimte.
6. A.J. Sloot, Doesburg veertien dagen door de Canadezen belegerd, in: Er op of er onder, W.P. Nederkoom en G.J.B. Stork, Doetinchem, 1970 (herdr.), p. 351.
7. J.W. Remmelink, 37.000 Granaten teisterden Dinxperlo, in: Er op of er onder, zie noot 7, p.156.
8. L.E. Brink Traanboer, Wisch in bezettingstijd 1940-1945, Firma gebr. De Boer, Aalten, 1987, p. 160. en p. 170
9. In het westen bij Almen ging het gesmeerd. Daar ging de 4e Infanterie Brigade met het Royal Regiment of Canada voorop al in de nacht van 2 op 3 april over het kanaal, zo snel dat de Canadezen een slapende vijand aantroffen. Op 3 april was de weg vrij voor de 5e Brigade om de 4e Brigade te doorschrijden en snel voorwaarts te gaan. Een tweede bruggenhoofd werd door de 4e Pantser Divisie geslagen bij Delden.
10. E.M.Wilson, 10th Canadian Armoured Regiment (Fort Garry Horse) War Diary – April 1945, The Fort Garry Horse Museum and Archives, 2005. De lkol Wilson was de commandant van de 10CAR FGH.
11. 341 Battery, 86th Field Regt RA (Herts Yeomanry) WAR DIARY, 3 June 1944 to 9 April 1946, Lt. Beck (compilation), p.70, via: website.
Definitielijst
- artillerie
- Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
- baileybrug
- Uit voorgefabriceerde elementen bestaande noodbrug. Tijdens WO II door de Engelsman Bailey ontworpen.
- Brigade
- Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
- bruggenhoofd
- Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
- Divisie
- Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
- Infanterie
- Het voetvolk van een leger (infanterist).
- NSB
- Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.
- Regiment
- Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Pagina navigatie
- <<< (Op weg naar het noorden)
- Pagina 1 (Inhoud)
- Pagina 2 (Inleiding)
- Pagina 3 (Het toneel voor de eindstrijd)
- Pagina 4 (De hernieuwde strijd om het initiatief)
- Pagina 5 (Operatie Veritable)
- Pagina 6 (Operatie Blockbuster)
- Pagina 7 (De vorming van het bruggenhoofd)
- Pagina 8 (Operatie Varsity)
- Pagina 9 (Op weg naar het noorden)
- Pagina 10
- Pagina 11 (Samen met het Black Watch bataljon)
- Pagina 12 (Black Watch bataljon op 1 april )
- Pagina 13 (Black Watch bataljon van 2 - 6 april)
- Pagina 14 (Black Watch bataljon van 7 - 13 april)
- Pagina 15 (Hoogeveen in het centrum van de (Verlengde) Hoogeveensche Vaart)
- Pagina 16 (Special Air Service (SAS) Drenthe)
- Pagina 17 (Operatie Larkswood)
- Pagina 18 (Operatie Amherst)
- Pagina 19 (De laatste ronde)
- Pagina 20 (De bevrijding van Friesland)
- Pagina 21 (De bevrijding van de provincie Groningen)
- Pagina 22 (Epiloog)
- >>> (Samen met het Black Watch bataljon)
Afbeeldingen
Canadese manschappen trekken op 30 maart Terborg binnen.
(Bron: www.bevrijdingskinderen.nl)
Geallieerde troepen in Enschede op 1 april.
(Bron: www.bevrijdingskinderen.nl)
Engelse tanks rijden op 2 april Ruurlo binnen.
(Bron: www.bevrijdingskinderen.nl)
De Engelse hoofdmacht heeft zich op 30 april verzameld op het marktplein in Aalten.
(Bron: www.bevrijdingskinderen.nl)
Na de bevrijding van Aalten trekken Engelse troepen verder noordwaarts.
(Bron: www.bevrijdingskinderen.nl)
Informatie
- Artikel door:
- Maarten C. Hoff
- Geplaatst op:
- 30-04-2005
- Laatst gewijzigd:
- 24-04-2010
- Opmerkingen? Spelfouten?
- Geef ons uw feedback!