Opbouw van het Nederlandse Leger voor de Tweede Wereldoorlog

Mobilisatie en opbouw

Naar een algemene mobilisatie
De oplopende spanningen in de wereld hadden de Nederlandse regering al in 1937 gedwongen tot het houden van een zogenaamde proefmobilisatie. Hierbij werden bij wijze van test enkele complete eenheden voor mobilisatie opgeroepen. Toen Duitsland in maart 1938 Oostenrijk inlijfde, werd bij wetswijziging besloten om bepaalde lichtingen van dienstplichtigen direct te koppelen aan een bestaande eenheid. Op deze manier kreeg Nederland een leger met parate onderdelen en werd in feite de vredesorganisatie langzaam maar zeker weer gelijk aan die in oorlogstijd. Als reactie op de Sudentencrisis werd op 27 september 1938 een telegram, genaamd “Telegram O”, verzonden.

Met dit telegram kregen de parate eenheden de opdracht om hun stellingen in het grensgebied in te nemen. Dit werden de zogenaamde “Grensbataljons”. Met “Telegram O” werd ook een waarschuwing uitgegeven dat de “Buitengewone Oproeping Uitwendige Veiligheid” (BOUV) zou worden afgekondigd. Deze waarschuwing geschiedde met “Telegram P”. De BOUV zelf werd op 28 september om 04.20 uur verzonden middels “Telegram Q”. De zo ontstane situatie zou voldoende bescherming moeten geven om de algemene mobilisatie te kunnen uitvoeren. Op diezelfde 28 september werd de dreiging dusdanig geacht dat ook “Telegram A” werd verzonden, wat een waarschuwing inhield voor de mobilisatie. Door de Conferentie van München konden op respectievelijk 3, 4 en 6 oktober de telegrammen A, Q en O weer worden ingetrokken.

Deze situatie werd de periode daarna verscheidene malen herhaald, iedere keer wanneer een situatie in het buitenland daar een aanleiding toe gaf. De crisis rond Polen verscherpte de situatie. Op 22 augustus 1939 trad de BOUV in werking en op 23 augustus werd “Telegram A” weer verzonden. Op 24 augustus werd “Telegram B” verzonden, waarin een voormobilisatie werd afgekondigd op 25 augustus. Hierbij werden de militaire kaders (officieren, onderofficieren, administratief personeel, kwartiermakers en dergelijke) opgeroepen. Op 28 augustus werd “Telegram C” verzonden dat voorzag in het afroepen van de algemene mobilisatie op 29 augustus. De dag daarvoor was generaal Izaak H. Reijnders benoemd tot Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Op 3 september hadden alle opgeroepen eenheden hun oorlogsstellingen bereikt.

De oorlogsstellingen
Wat waren nu die oorlogsstellingen? Dat men het daar politiek en militair niet geheel over eens was, bleek wel uit de conflicten die ontstonden tussen generaal Reijnders en de nieuwe minister van Defensie, voormalig stafmedewerker Generale Staf, luitenant-kolonel Adriaan Quirinus Hendrik Dijxhoorn. Vooral op het punt van de bevoegdheden van beiden ontstonden de nodige strubbelingen. Reijnders wenste de afkondiging van de Staat van Beleg, dat hem als bevelhebber verregaande bevoegdheden zou geven. Het kabinet wenste niet verder te gaan dan de Staat van Oorlog, dat Reijnders alleen bevoegdheden gaf die direct betrekking hadden op de in te nemen stellingen.

In 1925 was een aantal concentraties opgesteld die door het veldleger diende te worden ingenomen, al naar gelang de situatie die zich voordeed. De concentratie die zou worden ingenomen bij een aanval van Duitsland, werd vanaf 1928 aangeduid met “Concentratie Blauw”. De Generale Staf had in de jaren 1934-1935 deze Concentratie Blauw verder uitgewerkt. Volgens de plannen zouden het IIe en IVe Legerkorps het centrum van de verdediging vormen in de Gelderse Vallei, waarbij Brigade A de Betuwestelling zou innemen en Brigade B de Maas-Waalstelling. Het gros van de verdediging zou aan de Grebbelinie plaatsvinden. Van hieruit zou men in noodgeval kunnen terugvallen op de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het Ie Legerkorps werd direct onder Reijnders als reserve gelegerd in het hart van de Vesting Holland. De Lichte Divisie zou verdeeld worden over Gelderland en Noord-Brabant, de Bewakingstroepen dienden de grenzen en de kuststreek te bewaken en het de Peeldivisie en het IIIe Legerkorps dienden de Peel-Raamstelling in te nemen.

De commandant van het Veldleger, luitenant-generaal Jan Joseph Godfried  van Voorst tot Voorst, zag hierin echter een ernstige beperking van de mobiliteit van het veldleger. De benoeming van Reijnders tot opperbevelhebber op 28 augustus 1939, maakte deze tot meerdere van Van Voorst tot Voorst, waar beiden eerder in hiërarchie naast elkaar onder de Minister van Defensie vielen. Een conflict kon dan ook niet uitblijven. In januari 1940 waren de spanningen tussen Reijnders aan de ene kant en de minister van Defensie en Van Voorst tot Voorst aan de andere kant zo hoog opgelopen dat Reijnders niet meer als opperbevelhebber te handhaven was. Op 6 februari 1940 werd luitenant-generaal Henry G. Winkelman tot opperbevelhebber benoemd met generaal-majoor Herman F. baron van Voorst tot Voorst als zijn souschef.

Nederlands leger klaar voor de aanval?
Winkelman nam zijn taak voortvarend op. Hij ging uit van een defensief plan dat uitvoerbaar was met de aanwezige middelen. Het vertrouwen dat hij genoot bij de Nederlandse regering gaf hem grote speelruimte. Winkelman koos als belangrijkste defensieve stelling voor de Grebbelinie. Het IIe en IVe Legerkorps dienden hun verdediging in die stelling uit te voeren en niet door de eerder gestelde georganiseerde terugtocht. Het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie dienden achter de Paal-Raamstelling de schijn van een sterke verdediging op te houden, maar wanneer ons land werd aangevallen, moesten zij op de Vesting Holland terugvallen. Nog verscheidene verschuivingen vonden plaats in de laatste weken naar mei, maar alle dienden ze de versterking van de uiteindelijke verdediging van de Vesting Holland.

Op 9 mei achtte men op het hoofdkwartier de dreiging zodanig dat men de diverse commandanten waarschuwde voor een dreigende aanval. Hierbij liet men veel over aan het eigen inzicht van die commandanten. Toen Winkelman naar bed ging was hij tevreden. Hij had alles gedaan wat in zijn vermogen lag. Meer kon hij niet doen.

Opbouw Nederlandse Legeronderdelen.
Het Nederlandse Leger kende als grootste orgaan het zogenaamde Legerkorps. Standaard bestond een Legerkorps uit 2 Divisies met elk ongeveer 10.000 manschappen. Deze twee Divisies, samen met de Legerkorpstroepen, brachten een Legerkorps op ongeveer 25.000 man. De Legerkorpstroepen waren opgebouwd uit een Legerkorpsstaf (inclusief het Artilleriecommando en een verbindingsafdeling), een Compagnie Politietroepen, een Regiment Huzaren, een Afdeling Artillerie, twee Compagnieën Luchtdoelmitrailleurs, een Artillerie-Meetcompagnie, een Compagnie Aan- en Afvoertroepen, een Autobataljon (onderverdeeld in vier Compagnieën) en een Legerkorpstrein.

Iedere Divisie telde standaard drie Regimenten Infanterie en een Regiment Artillerie. Daarnaast kende de Divisie een Divisiestaf, twee Mitrailleurcompagnieën (met 12 zware mitrailleurs per Compagnie), een Compagnie Pantserafweergeschut (zes 4,7 cm PAK) en een Compagnie Pioniers. Een Regiment Infanterie telde naast de Staf, drie Infanteriebataljons (elk opgebouwd uit een Staf, drie Tirailleurscompagnieën en een Mitrailleurcompagnie), een Batterij Geschut “6-Veld” (vier vuurmonden), een Compagnie Pantserafweergeschut met zes 4,7 cm PAK en een Compagnie Mortieren met zes mortieren van 8 cm. Een Regiment Artillerie telde naast de Staf totaal drie Afdelingen met elk drie Batterijen van vier vuurmonden. In de praktijk bestonden diverse Regimenten slechts uit één of twee Batterijen. Een Regiment Huzaren telde naast de Staf twee Eskadrons te paard en vier Eskadrons op de fiets, een Eskadron Pantserafweergeschut (per Eskadron vier stuks 4,7 cm PAK), een Mitrailleureskadron (12 zware mitrailleurs) en een Sectie Mortieren (twee stuks van 8,1 cm).

Naast de Legerkorpsen kende het Nederlandse Leger enkele onafhankelijke Brigades. Deze hadden elk een eigen indeling, afhankelijk van de taak waarvoor ze waren aangesteld. Van hoog naar laag in aantallen manschappen en ondergeschiktheid kende men zo de structuur van Legerkorps-Divisie-(Brigade)-Regiment-Bataljon (Afdeling bij Artillerie)-Compagnie (Batterij bij Artillerie en Eskadron bij Huzaren)-Sectie (Peloton bij Cavalerie en Luchtdoelmitrailleurs)-Groep.

Definitielijst

Artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
Cavalerie
In het Engels Calvary. Oorspronkelijk een aanduiding voor bereden troepen. In de Tweede Wereldoorlog de aanduiding voor gepantserde eenheden. Belangrijkste taken zijn verkenning, aanval en ondersteuning van infanterie.
Divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Staat van Beleg
Toestand waarin alle burgerlijke vrijheden worden opgeschort en het bestuur bij het leger berust.

Pagina navigatie

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
06-04-2005
Laatst gewijzigd:
22-10-2009
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002-2010
Go2War2.nl is altijd op zoek naar nieuwe (gast)auteurs, lees voor meer informatie de FAQ.