Glücks, Richard

Richard Glücks (1889 - 1945)

Voorgeschiedenis van zijn carrière
Richard Glücks werd op 22 april 1889 geboren in het plaatsje Odenkirchen in de Duitse provincie Rheinland. Nadat hij zijn opleiding aan het stedelijk gymnasium in Düsseldorf had afgerond, werkte hij als leerling in de brandverzekeringsfirma van zijn ouders. In 1909 was hij vrijwilliger in een Feldartillerie-Regiment. Voor het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog verbleef hij vanaf 1913 in Engeland en een jaar later vertrok hij als handelaar voor zeven maanden naar Argentinië. Toen de oorlog uitbrak voer hij in januari 1915, met Zwitserse papieren, als matroos op een Noors schip terug naar zijn moederland.  Hier meldde hij zich meteen aan voor actieve dienst in het leger. Gedurende de oorlog werd hij als officier gedecoreerd met het Eisernen Kreuz I en II. Na de oorlog was hij van 1920 tot 1924 ingedeeld binnen de vredescommissie van de Duitse landmacht, waar hij functioneerde als verbindingsofficier binnen de intergeallieerde commissie voor de controle van de militaire sterkte. Vervolgens was hij staflid binnen de 6.Preussische Division. Spoedig werd Glücks lid van het Freikorps "Lichtschlag", actief in het Ruhrgebied, dat gevormd was op 14 december 1918.

Glücks werd in 1930 lid van de NSDAP en in 1932 van de Schutzstaffel (SS). Van 6 september 1933 tot 20 juni 1935 was hij de leider van SS-Oberabschnitt "West", één van de hoofddistricten van de Allgemeine-SS. Gedurende deze periode klom hij geleidelijk op in rang van SS-Untersturmführer tot uiteindelijk SS-Sturmbannführer. Vervolgens was hij van 20 juni 1935 tot 1 april 1936, in de rang van SS-Obersturmbannführer, commandant van de 77.SS-Standarte (regiment van de Allgemeine-SS), waarvan het hoofdkwartier in Schneidemühl te vinden was. Een definitieve omslag in zijn carrière binnen de SS vond plaats in 1936, toen hij werd benoemd tot stafchef van Inspektor der Konzentrationslager Theodor Eicke.

Inspektor der Konzentrationslager
Als inspecteur van de concentratiekampen zag Eicke met name toe op de wijze waarop de concentratiekampen bestuurd werden door de kampcommandanten en hun personeel. Eicke was een meedogenloze man die grote invloed had op het beleid en de dagelijkse praktijk binnen de concentratiekampen. Hij was onder andere het brein achter diverse onmenselijke straffen die werden uitgevaardigd in de kampen. Tevens ontwikkelde hij een efficiënte, maar wrede kamphiërarchie waarbinnen zelfs gevangenen werden ingezet om hun medegevangenen te bewaken. Glücks was als direct ondergeschikte van Eicke vermoedelijk weinig betrokken bij de dagelijkse praktijk binnen de concentratiekampen. Weliswaar bezocht hij, samen met zijn superieur, meerdere malen een concentratiekamp, maar hij was voornamelijk verantwoordelijk voor personeelszaken. Rudolf Höss, kampcommandant van Auschwitz en later een ondergeschikte van Glücks binnen Amtsgruppe D van het Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt (SS-WVHA), schreef na de oorlog in zijn memoires dat Glücks tijdens deze bezoeken nooit iets opviel, noch dat hij leerde waarop hij moest letten. Het schijnt dat meerdere kampcommandanten ontevreden waren met de wijze waarop Glücks de personeelszaken regelde, maar hun protesten werden door Eicke genegeerd. Eicke was namelijk zeer tevreden met zijn ondergeschikte die hij beschreef als een "stafchef zoals deze hoort te zijn" en als "een waardevolle steun waarop men vertrouwen kan."

Aangezien Eicke zich vanaf 1939 bezighield met het leiden van de SS-Totenkopf-Division kon hij zijn functie als Inspektor der Konzentrationslager niet voortzetten. Glücks werd op 18 november 1939 benoemd tot zijn opvolger. Höss beweerde later dat Reichsführer-SS Heinrich Himmler regelmatig de intentie heeft gehad om iemand anders op deze functie te plaatsen, omdat hij Glücks niet echt vertrouwde. Eicke en Oswald Pohl, de latere chef van Glücks binnen het SS-WVHA, deden echter altijd een goed woordje voor hem en zo kon hij volgens Höss aanblijven in zijn functie. Höss vermeldt in zijn memoires tevens dat er onder de leiding van Glücks niets veranderde in de concentratiekampen. Volgens hem dacht Glücks dat er niks veranderd kon worden aan het beleid van Eicke, ook al was dit inmiddels gedateerd. De verklaring die Höss hiervoor gaf, is dat Glücks een pathologische angst voor Himmler had. Volgens de woorden van Höss was Glücks verward wanneer hij gebeld werd door Himmler en wanneer hij Himmler persoonlijk moest ontmoeten, was hij dagen voor aanvang van de ontmoeting voor niemand van enig nut. Höss schreef verder:

 "Wanneer Himmler rapporten of toestandevaluaties eiste, stortte hij helemaal in. Dit is erg verrassend aangezien normaal gesproken niets zijn goed gehumeurde aard kon verstoren. Daarom ging hij alles uit de weg dat mogelijk kon leiden tot een ontmoeting met Himmler, of nog erger, tot een afwijzing of zelfs een reprimande van Himmler.

Hij nam de dingen die voorvielen in de kampen niet serieus, zolang ze maar niet gerapporteerd moesten worden aan Himmler. Ontsnappingen brachten hem van zijn stuk en gaven hem slapeloze nachten, omdat deze moesten worden gerapporteerd aan Himmler. Elke ochtend was de eerste vraag: ‘Hoeveel zijn er ontsnapt?’ […] Deze constante angst voor Himmler beïnvloedde vanzelfsprekend zijn hele houding ten opzichte van de concentratiekampen. Zo werd het: doe maar wat je wilt, zorg alleen dat Himmler er niet achter komt."

Deze woorden tonen duidelijk aan dat Glücks, althans volgens Höss, zijn rol als Inspektor der Konzentrationslager, als directe ondergeschikte van Himmler niet aankon. Zijn pathologische angst voor Himmler valt moeilijk te bewijzen, maar dat Glücks ontsnappingen uiterst serieus nam, is een feit. Meerdere malen schreef hij namelijk memo’s aan de kampcommandanten waarin hij uitdrukkelijk opriep om al het mogelijke te doen om ontsnappingen te voorkomen.

Höss beschreef Glücks bovendien als een man met een onbeheerst gevoel voor ‘Rheinland’-humor die alles in het leven positief bekeek. Glücks kon de meest slechte dingen volkomen belachelijk maken en hierover grappen maken. Bovendien kon hij volgens Höss niks onthouden en nam hij geen beslissingen. Toch nam Höss hem dit niet kwalijk, want dit was volgens hem nou eenmaal de aard van Glücks. Dit karakter lijkt geheel niet te passen bij iemand met een zware functie als inspecteur van de concentratiekampen. Mogelijk kwam er voor Glücks enige verlichting toen Oswald Pohl tussen hem en Himmler werd geplaatst als leider van het Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt van de SS.

Amtsgruppe D van het SS-WVHA
Terwijl Pohl de algemene leiding had over het SS-WVHA werd Glücks benoemd tot de chef van één van de afdelingen van dit hoofdbureau, namelijk Amtsgruppe D, verantwoordelijk voor de concentratiekampen. Weliswaar was Glücks officieel geen Inspektor der Konzentrationslager meer, maar als chef van Amtsgruppe D had hij nog steeds dezelfde taken. Het grote verschil was dus dat hij niet meer direct ondergeschikt was aan Himmler, maar aan Pohl. Na de oorlog deed Pohl verwoede pogingen om zijn ondergeschikte de volledige schuld over de wantoestanden in de concentratiekampen toe te schrijven. Een persoonlijk na-oorlogs gesprek tussen psychiater Leon Goldensohn en Pohl verliep als volgt:

"Ik [Goldensohn] merkte op dat de leiding van de concentratiekampen tot zijn [Pohl's] taken behoorde, volgens mij. Hij antwoordde: ‘Nee, die vielen onder Glücks. Hij was mijn ondergeschikte, maar ik specialiseerde me in de arbeid in de concentratiekampen.’ Ik zei dat ik meende dat hij me had verteld dat de concentratiekampen vanaf 1942 onder zijn gezag vielen. ‘Ja, maar Glücks voerde het uit. Hij was mijn ondergeschikte en hij inspecteerde de kampen.’ Ik zei dat het daar nu juist om ging: dat Glücks zijn ondergeschikte was binnen het bureau en dat Glücks over alles wat hij deed rapport moest uitbrengen aan Pohl. ‘In bepaalde zaken was hij mijn ondergeschikte, maar Himmler en Glücks hadden privé-gesprekken.’ Ik zei dat dat weinig indruk op mij maakte, omdat er in elke grote organisatie besprekingen plaatsvonden tussen de baas en een ondergeschikte. ‘Ik kon niet overleggen met Glücks; daarom had ik het met Himmler alleen over beleidsvraagstukken. Ik bedoel het beleid ten aanzien van de arbeid.’"

Maar Pohl ging nog veel verder in het toeschuiven van de schuld aan de aan hem ondergeschikte Glücks. Zo beweerde Pohl in dezelfde gesprekssessie met Goldensohn dat hij zijn best deed om zich niet te bemoeien met de Endlösung van het joodse vraagstuk. Hij geeft aan dat hij door Himmler te zwak bevonden werd om hierover de juiste besluiten te nemen en eiste zelf dat hij hier niet mee belast werd. Pohl wilde zich enkel bezighouden met het beheer van de concentratiekampen en de werkzaamheden van gevangenen en niet met het vernietigingsprogramma. Vervolgens stuurde hij in 1942 Glücks naar Himmler omdat die hem gevraagd had om een man binnen het SS-WVHA toe te wijzen als verantwoordelijke voor het vernietigingsprogramma. Volgens Pohl was Glücks binnen het SS-WVHA verantwoordelijk voor de ondersteuning en uitvoering van het vernietigingsprogramma.

Opmerkelijk is echter dat Höss in zijn memoires aangeeft dat ook Glücks weinig te maken wilde hebben met de vernietiging van Joden in Auschwitz, één van de twee vernietigingskampen onder de supervisie van het SS-WVHA. Hij wilde zelfs het liefste niets over Auschwitz horen. Uit de woorden van Höss blijkt tevens dat hij het Glücks verweet dat hij nooit interesse heeft getoond in Auschwitz, noch geholpen heeft om oplossingen te vinden om problemen binnen het kamp op te lossen. Höss zag de weigering van Glücks om hem in Auschwitz te ondersteunen als één van de oorzaken voor de catastrofale omstandigheden in het kamp die zich later ontwikkelden. Maar Höss beweerde dat het ontbreken van enige interesse of medewerking van Glücks niet enkel opging voor Auschwitz. Hij schreef namelijk het volgende:

"Hij [Glücks] vroeg vaak aan Liebehenschel [chef Amtsgruppe D I]: ‘Wat zou ik nu weer moeten zeggen tegen de commandanten? Ik weet helemaal niks!’ En dat was de inspecteur van alle concentratiekampen, de supervisor van alle kampcommandanten. Hij werd geacht om leiding te geven en de richting aan te geven voor de commandanten wanneer problemen, velen veroorzaakt door enkel de oorlog, zich voordeden."

Ondanks de serieuze klachten die Höss uitte over zijn superieur lijken de superieuren van Glücks altijd zeer tevreden te zijn geweest met zijn werkzaamheden. Zo werd hij op 9 november 1943 benoemd tot SS-Gruppenführer und Generalleutnant der Waffen-SS. Tevens ontving hij op 25 januari 1945 het Deutsche Kreuz in Silber, een zeer hoge onderscheiding voor "betoond leiderschap maar niet tegenover de vijand".

Schuldig of niet schuldig?
Volgens Pohl was Glücks binnen het SS-WVHA de directe verantwoordelijke voor de Endlösung in de vernietigingskampen Majdanek en Auschwitz, volgens Höss een compleet incompetente leider die vrijwel niet op de hoogte was van wat er gaande was in de concentratiekampen. Welke rol had Glücks nou daadwerkelijk binnen het systeem van de concentratiekampen? De waarheid zal mogelijk in het midden liggen, want alhoewel Glücks misschien weinig heeft veranderd aan het beleid in de concentratiekampen, was hij wel degene die moest toezien op de omstandigheden in de concentratiekampen. De grote hoeveelheid doden die tijdens de oorlogsjaren vielen door met name de extreem zware arbeidsomstandigheden pleiten zeker niet in het voordeel van Glücks. Toch is er één opmerkelijk document dat aantoont dat Glücks in ieder geval éénmaal getracht heeft om de levensomstandigheden in de concentratiekampen te verbeteren, weliswaar voornamelijk vanwege economische redenen. Vanwege het extreem hoge sterftecijfer in de concentratiekampen rond 1942, hetgeen van negatieve invloed was op de inzet van gevangenen als dwangarbeiders, stuurde Glücks op 28 december 1942 de volgende mededeling aan de kampcommandanten:

"De eerste kampartsen dienen zich met alle tot hun beschikking staande middelen in te zetten, zodat de sterftecijfers in de afzonderlijke kampen wezenlijk dalen. […] De kampartsen hebben meer dan voorheen toezicht te houden op de voeding van gevangenen en in overeenstemming met het bestuur van de kampcommandanten verbeteringsvoorstellen aan te reiken. Deze mogen niet enkel op papier staan, maar worden door de kampartsen regelmatig nadien gecontroleerd. […] De Reichsführer-SS heeft bevolen, dat de sterfte beslist minder worden moet."

Van een overduidelijke daling in het sterftecijfer was geen sprake, maar toch vonden er omstreeks 1943 in sommige concentratiekampen enige verbeteringen in de levensomstandigheden plaats. Dit was echter van korte duur, want de omstandigheden in de concentratiekampen in de laatste oorlogsjaren waren uitermate slecht en het sterftecijfer lag, mede door het groeiende aantal gevangenen, hoog. Tevens pleit bovenstaande mededeling Glücks niet vrij. Want stel dat we aannemen dat het vooral Pohl was die zorgde voor de uitermate extreme arbeidsomstandigheden en dat Glücks inderdaad moeite deed om de sterftecijfers als gevolg van deze omstandigheden in te dammen, dan nog zijn er diverse andere misdaden die plaatsvonden in de kampen waarvoor Glücks eindverantwoordelijk was.

Zo werden in de meeste concentratiekampen, met medeweten en hoogstwaarschijnlijk in de meeste gevallen ook met goedkeuring van Glücks, gruwelijke (medische) experimenten uitgevoerd op gevangenen. Op 8 juli 1942 had Glücks een gesprek met onder andere Himmler en professor Carl Clauberg waarin men sprak over de beoogde massale sterilisatie van Joodse vrouwen in de concentratiekampen. Auschwitz werd aangewezen als het kamp waar Clauberg met verschillende sterilisatiemethoden moest gaan experimenteren. Vele gevangenen bezweken aan de gevolgen van deze en andere experimenten. Anderen doorstonden helse pijnen en raakten voor hun leven lang verminkt. Ook heeft Glücks de opdracht gegeven om in bepaalde kampen gaskamers te ontwikkelen die gebruikt konden worden om zieke en verzwakte gevangenen snel en efficiënt om te brengen.

Maar wat we vooral dienen te benadrukken is dat Glücks tijdens de hoogtijdagen van de Endlösung de supervisie droeg over een tweetal vernietigingskampen: Majdanek en Auschwitz. Glücks was overigens ook degene die de locatie van Auschwitz voorstelde, al was het toen nog niet de bedoeling dat dit kamp dienst zou doen als vernietigingskamp. Bewezen is dat schriftelijke en mondelinge bevelen voor de uitroeiing van Joden in de vernietigingskampen het bureau van Glücks bereikten. Tevens droeg Glücks de verantwoording over de kampartsen die de selecties in de kampen uitvoerden en gaf zijn bureau aan Höss speciale toestemming voor de aanschaf van grote hoeveelheden Zyklon-B, dat gebruikt werd als vergassingsmiddel in de gaskamers van Auschwitz.

In hoeverre Glücks echter vergaande persoonlijke besluiten nam aangaande de vernietigingskampen is betwistbaar. Toen zijn belangrijkste medewerker, Arthur Liebehenschel, aangesteld werd in Auschwitz, werd Gerhard Maurer benoemd tot plaatsvervanger van Glücks. Rudolf Höss werd benoemd tot chef van Amtsgruppe D I. Volgens de woorden van Höss begonnen Maurer en hijzelf met het "schoonmaken van het huis". Diverse leden van Amtsgruppe D werden uit hun functie ontheven en het is heel goed mogelijk dat Höss, met zijn ruime ervaring opgedaan in Auschwitz, zich intensief bemoeide met het vernietigingsproces in Majdanek en Auschwitz. Toch is het ook dan te gemakkelijk om Glücks volledig vrij te pleiten. Net zoals Pohl de eindverantwoording droeg over het handelen van Glücks, droeg Glücks de eindverantwoording over het handelen van zijn ondergeschikten.

We kunnen slechts concluderen dat de functie van Inspektor der Konzentrationslager en chef van Amtsgruppe D van het SS-WVHA absoluut schuld voor veel misdaden met zich meedraagt. In hoeverre Glücks als individu echter verantwoordelijk gesteld kan worden voor misdaden is moeilijker te bewijzen. Het verder voortzetten van het beleid van Eicke is weliswaar een misdaad an sich, maar dat Glücks zelf weinig nieuwe maatregelen en bevelen uitvaardigde, zoals Höss beweerde, is vrij aannemelijk. Ook beweerde Höss dat Glücks nooit getuige was van een executie of mishandeling. Volgens hem liet Glücks zelfs toestemmingen voor lijfstraffen over aan zijn ondergeschikten.

Glücks moeten we zien als iemand die vanachter zijn bureau werkte, in tegenstelling tot Eicke die voornamelijk op de praktijk gericht was. Maar dat Glücks een kille bureaumoordenaar was vergelijkbaar met Adolf Eichmann, die wel op eigen initiatief vele besluiten nam aangaande de Endlösung, lijkt niet aannemelijk. Eén ding staat vast: het beleid in de concentratiekampen gedurende de jaren dat Glücks hieraan leiding gaf, staat bol van ernstige misdaden tegen de menselijkheid. Ook door weinig tot geen actie te ondernemen en deze misdaden als directe leidinggevende toe te staan, draagt de persoon Glücks schuld. Want zoals Höss het omschreef:

"Glücks was het exacte tegenovergestelde van Eicke in ieder opzicht. Beide waren extreem en dit maakte de ontwikkeling van de concentratiekampen tot een ware tragedie!"

De ‘verdwijning’ van Glücks
Bij het beoordelen van Glücks’ verantwoordelijkheid inzake de misdaden in de concentratie- en vernietigingskampen is het grootste obstakel het feit dat Glücks, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Pohl en Höss, na de oorlog niet veroordeeld werd door een geallieerd tribunaal. Het is namelijk vrij zeker dat hij niet meer in leven was ten tijde van de processen in Neurenberg. Natuurlijk konden ook hooggeplaatste leiders als Himmler, Heydrich en uiteraard Hitler vanwege hun overlijden niet veroordeeld worden, maar door hun zeer prominente rol werden hun handelingen uiterst uitvoerig gedocumenteerd. Als minder prominente persoon heeft Glücks amper een plek in de geschiedschrijving over het Derde Rijk toebedeeld gekregen en is hij voor velen een onbekende gebleven. Maar wanneer overleed Glücks en waarom is er enige onduidelijkheid over zijn lot?

Al enkele jaren ging het volgens Höss niet goed met de gezondheid van Glücks. Hij was regelmatig enkele weken achter elkaar absent en hij had een hardnekkig slaapprobleem. Door het gebruiken van verschillende soorten medicijnen verpestte hij zijn gezondheid alsmaar meer. Met name vanaf 1944, toen geallieerde bombardementen voortdurend Berlijn en omgeving teisterden en de geallieerde frontlinies naderbij kwamen, ging het uitermate slecht met de gezondheid van Glücks. Volgens de woorden van Höss vond Glücks enkel nog verlichting wanneer hij dronken was.

Op 16 april 1945 werden de kantoren van het SS-WVHA in Oranienburg verwoest door geallieerde bombardementen en vervolgens verplaatst naar Born aan de Oostzee. Britse oorlogsmisdadenonderzoekers hebben de verplaatsingen van Glücks vanaf dat moment in kaart gebracht. Op dezelfde dag als het bombardement reisden Glücks en zijn vrouw - ze hadden geen kinderen - per auto naar Ravensbrück. Pas op 26 april verplaatsten ze zich naar Born waar ze op 30 april 1945, vanwege het oprukkende Sovjet-leger, weer in westelijke richting vertrokken naar Warnemünde. Samen met verschillende andere hooggeplaatste functionarissen van het SS-WVHA vertrokken ze op 2 mei vervolgens naar Flensburg aan de grens met Denemarken. In de middag parkeerde de groep functionarissen hun auto in een bos vlakbij Friedrichshöh, waar Glücks en zijn vrouw de nacht doorbrachten bij ene mevrouw Stöhr. Waar Glücks en zijn echtgenote vervolgens enkele dagen verbleven is onbekend, maar in ieder geval schijnt hij gedurende deze periode Himmler nog ontmoet te hebben.

Op 10 mei 1945 schijnt Glücks onder de schuilnaam Sonneman in het marinehospitaal Flensburg-Mürwik zelfmoord gepleegd te hebben door het inslikken van een capsule met cyaankali. Althans dit is wat vermeld wordt in een overlijdensakte die op deze datum om 15:00 uur ondertekend werd door dokter Lorentzen. In opdracht van geallieerde onderzoekers werd het graf, waarvan werd aangenomen dat het stoffelijke overschot van Glücks hier begraven lag, geopend. Het stoffelijke overschot bleek echter niet van Glücks te zijn. Toch werd op 10 september 1945 de overlijdensakte van Glücks met de bovenstaande details bekrachtigd. Vermoedelijk had men het verkeerde graf geopend en had men uiteindelijk toch het stoffelijke overschot van Glücks aangetroffen. Hierover bestaat echter onduidelijkheid en vanzelfsprekend ontstonden er veel geruchten over de mogelijkheid dat Glücks nog in leven was. Gezien de zeer slechte gezondheidsconditie van Glücks is zijn dood echter zeer aannemelijk. Bovendien zijn er nooit serieuze bewijzen gevonden die aantonen dat Glücks na mei 1945 nog in leven was. Met grote waarschijnlijkheid kan dus aangenomen worden dat Glücks daadwerkelijk zelfmoord pleegde op 10 mei 1945. In ieder geval kon hij als belangrijkste verantwoordelijke voor de concentratiekampen nooit berecht worden.

Definitielijst

Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Endlösung
Eufemistische term, letterlijk eindoplossing, waarbij met oplossing bedoeld werd de oplossing voor het Jodenprobleem zoals dat door de nationaal-socialisten was geconstateerd. De Endlösung zou uiteindelijk vorm krijgen in de pogingen van de nazi's om het gehele Joodse volk in Europa uit te roeien in speciaal daarvoor ingerichte vernietigingskampen.
Freikorps
Duitse paramilitaire groepen die vlak na de Eerste Wereldoorlog opgericht werden vanuit voormalige frontsoldaten. Deze groepen werden veelal vernoemd naar hun commandant. Freikorpsen vormden de basis voor de latere Sturmabteilung (SA).
Oberabschnitt
Aanduiding voor een hoofddistrict van de Schutzstaffel (SS) vanaf november 1933.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Standarte
Paramilitaire eenheid, ongeveer ter grootte van een regiment, binnen de Sturmabteilung (SA) en de Schutzstaffel (SS).
Totenkopf
Letterlijk: doodshoofd. Symbool dat door de SS werd gevoerd. Ook de naam van een SS divisie.
vernietigingskamp
Kamp waar tijdens de Tweede Wereldoorlog grote groepen mensen (voornamelijk Joden en zigeuners) door de SS werden geliquideerd door middel van vergassing. Auschwitz, Treblinka en Majdanek zijn drie voorbeelden van vernietigingskampen.
Zyklon-B
Het gifgas dat in de Duitse vernietigingskampen systematisch werd toegepast om voornamelijk joden te vermoorden.

Onderscheidingen

Lees meer over de onderscheidingen van deze persoon op WW2Awards.com.

Afbeeldingen



(Bron: www.olokaustos.org)

Informatie

Artikel door:
Kevin Prenger
Geplaatst op:
22-09-2005
Laatst gewijzigd:
26-08-2017
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.