Hitler werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, maar zat slechts tien maanden effectief opgesloten. Op 20 december 1924 kwam hij weer vrij. In die periode had hij het eerste deel van Mein Kampf geschreven: Eine Abrechnung. Het boek werd gepubliceerd op 18 juli 1925. Een jaar later werd het tweede deel, Die Nationalsozialistische Bewegung, gepubliceerd.
Het boek bevat alle belangrijke pijlers van de nationaalsocialistische partij. Het radicale antisemitisme is daar één van. In Mein Kampf noemt hij de Joden Hebreeuwse Volksverderber die de oorzaak zijn van de ondergang van het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Als die “verraders, zwarthandelaars, woekeraars en zwendelaars” waren uitgeroeid, zou dat het leven hebben gered van duizenden “waardevolle” Duitsers. Dit idee sprak de mensen sterk aan, omdat het paste in het kader van de dolkstootlegende en de toenmalige inflatie die woekeraars enorme winsten opleverde. Vaak wordt de vraag gesteld waar Hitlers antisemitisme vandaan kwam. Zoals bovenvermeld was het antisemitisme aanwezig in heel Europa, maar leefde het vooral sterk in Duitsland. Hitler groeide op in een cultuur waar antisemitisme bijna normaal werd gevonden. Daarnaast heeft hij jaren in Wenen doorgebracht, waar hij in contact kwam met de alldeutsche gedachten van Georg Ritter von Schönerer en enorme fan werd van de muziek van Richard Wagner. Deze componist stond bekend als een fervent antisemiet die onder meer een essay schreef over Das Judentum in der Musik, waarin hij de Joden beschuldigt zich niet te passen in de Germaanse cultuur. Ook in zijn opera’s namen de Germaanse legenden en mythen een centrale plaats in. Adolf Hitler had ook grote bewondering voor de burgemeester Karl Lueger, een sterke antisemitische demagoog die de theorie verdedigde dat er een samenzwering tussen de Joden en de marxisten bestond.
Het antisemitische gedachtegoed dat reeds leefde bij Hitler kwam pas echt tot uiting na de Eerste Wereldoorlog. De Duitse nederlaag was voor hem een echte schok. Hij was er rotsvast van overtuigd dat Duitsland verraden was. Al gauw zag hij de Joden, die hij toch al niet vertrouwde, als de schuldigen. Dit werd het centrale thema in zijn vele speeches: het ooit zo machtige Duitsland was vernederd, verzwakten verraden door leiders die het vaderland op lafhartige wijze aan de machtige vijanden hadden uitgeleverd. Diezelfde vijanden, en daarachter de Joden, hadden de oorlog en de revolutie op hun geweten. Alle sociale, economische en politieke problemen waren tot één oorzaak te herleiden: de Joden. De enige oplossing om met dit probleem af te rekenen was de Joden verwijderen uit de maatschappij. Het ging hier om alle Joden, dus niet alleen de aanhangers van het geloof, maar om iedereen van Joodse afkomst, ongeacht hun geloof. Die “verwijdering” of “vernietiging”, zoals Hitler dit proces aanduidde, ging vanaf het begin gepaard met geweld.
Hitlers strijd tegen de Joden is gekoppeld aan zijn visie op de term ras. Hiermee stond hij op een totaal andere lijn dan de socialisten en communisten die de maatschappij indeelden in elkaar bestrijdende klassen (bijvoorbeeld het proletariaat tegenover de bourgeoisie). Hitler daarentegen ging uit van een raciale visie: een rassenstrijd in plaats van een klassenstrijd. Er waren verschillende rassen onder de mensen, waarbij het ene ondergeschikt was aan het andere. Zo zag hij de Ariërs als superieur terwijl de Joden niet meer dan een parasitair ras waren die van binnenuit hun gastheer trachtten te vernietigen. Het sterkste ras moest de zwakkere trachten uit te roeien, opdat het zelf niet zou ten onder gaan. Vermenging tussen beide rassen was zeker uit den boze. Een vereiste om als ras te kunnen overleven, was dan ook raszuiverheid, net als voldoende Lebensraum.
Uit Hitlers antisemitisme groeide zijn antibolsjewisme. Het marxisme en bolsjewisme was niet los te zien van de Joden. Het bolsjewisme en communisme waren, volgens Hitler, namelijk een uitvinding van de Joden als een soort kwade ziekte die ze onder het Arische ras wilden verspreiden. Het Duitse ras had meer Lebensraum nodig en zou dat in het oosten van Europa moeten verwerven. Daar zwaaiden de “Joodse bolsjewisten” de scepter en door hen aan te pakken, zou hij twee vliegen in één klap slaan: meer
Om dit te kunnen realiseren moest Duitsland zich ontdoen van het Verdrag van Versailles. Zo kon het land zich herbewapenen en richten op een veroveringsoorlog in het oosten. Voor het echter daaraan kon beginnen, moest Duitsland intern veranderd worden. Daarom moest er afgerekend worden met de zwakke en intern verdeelde Weimarrepubliek. Hitler besefte na zijn mislukte putsch dat een staatsgreep niet de goede manier was om de macht te grijpen. Hij had duidelijk meer steun nodig van mensen op sleutelposities in de bestaande orde. In 1923 had hij hiervoor te weinig aandacht gehad, een fout die hij geen tweede maal zou maken.
Stuk voor stuk zijn deze ideeën niet los te zien van Hitlers nationalisme. Zo had hij, in navolging van de eerder genoemde Schönerer, het idee opgevat dat de Duitssprekende delen van Oostenrijk aan Duitsland moesten toegevoegd worden. Om dat nationalisme te benadrukken sloot de nazipartij aan bij een aantal oude gewoonten en gebruiken. Nationale tradities moesten in ere worden hersteld. De NSDAP ijverde voor een hervorming van de Duitse maatschappij en koos daarbij voor een terugkeer naar de "meer geordende, simpelere manier van leven van vroeger". Het nationalisme oversteeg alle klassen en moest leiden tot een nationale cultuur. Veel mensen voelden zich namelijk helemaal niet goed binnen de “moderne” Weimarrepubliek. De opkomst van de boulevardpers, nieuwe communicatiemiddelen (zoals de radio en de bioscoop), nieuwe muziekvormen (jazz, swing) en moderne kunst werden door heel wat mensen gezien als een bedreiging voor de traditionele culturele waarden. Ze hadden het gevoel dat orde en discipline waren verdrongen door een nieuwe, maar laakbare moraal (gekenmerkt door seksuele en culturele vrijheid). Zij zagen, net als Hitler, de Republiek als een gedegenereerd afkooksel van het zo geroemde keizerrijk ten tijde van Bismarck.
De sleutel van het nationaalsocialisme lag in de notie van de Volksgemeinschaft, die de versplinterde maatschappij (de Gesellschaft) van de industriële natie moest vervangen. De Volksgemeinschaft was een totale gemeenschap die het leven van alle individuen erin reguleerde. Het was een massamaatschappij waarin de gelijke medezeggenschap van alle individuen binnen de samenleving de vroegere verdeling op basis van bijvoorbeeld klasse verving. Het eindresultaat was dat de nationaal-socialistische ideologie een totale culturele omvorming van de Duitse politiek en samenleving verlangde, waarbij de gemeenschap (in theorie, maar de staat in de praktijk) elk aspect van het leven van het individu controleerde. Op dat idee is de leuze Ein Volk, ein Reich, ein Führer gebaseerd. De nazi's wilden als het ware één volk creëren binnen een groot rijk onder de leiding van één man, Hitler. Het nationaalsocialisme had tot doel het leven van het individu binnen te dringen door een organische samenleving te construeren waarin iedereen en alle organisaties werden 'gecoördineerd' onder de controle van de partij, want zij was de bewaker van de Volksgemeinschaft.
Mein Kampf was zeker geen onmiddellijk succes, integendeel. Tot de verkiezingen in 1928 werden er slechts 4.000 exemplaren verkocht. Vanaf 1930, de verkiezingsdoorbraak van de nazi’s, ging de verkoop sterk omhoog. Tijdens het Derde Rijk werd het een absolute bestseller. Het werd bijna als verraad beschouwd als je het boek niet in je bezit had.


