Dries Riphagen werd gezocht in verband met het oppakken van Joodse onderduikers en het de dood in jagen van tenminste 200 mensen. Volgens officier van Justitie Paul Brilman behoorde Riphagen tot de meest zware gevallen van collaborateurs.
Bernardus Andreas Riphagen (roepnaam: Dries), geboren op 7 september 1909, kwam als achtste kind uit een ongelukkige familie. Zijn vader werkte bij de marine en was al voor de tweede keer getrouwd. Riphagens moeder stierf toen hij zes jaar oud was en zijn vader kon hem daarna moeilijk onderhouden, aangezien hij het merendeel van de tijd dronken was. Op veertienjarige leeftijd kwam hij op het beruchte Pollux, een opleidingscentrum van de koopvaardij in de Amsterdamse haven. In de jaren 1923 - 1924 werd hij lichtmatroos en hij besloot na zijn opleiding te kiezen voor de grote vaart. Zo bracht hij twee jaar door in Noord-Amerika, voornamelijk werkend bij Standard Oil. In die periode heeft hij waarschijnlijk zijn Amerikaanse manieren geleerd die hem uiteindelijk de bijnaam 'Al Capone' gaf.
Toen hij op zijn achttiende terugkeerde, kwam hij al snel in aanraking met de Amsterdamse onderwereld en daardoor ook met de politie. Hij werd geen lid van de NSB, maar wel van de NSNAP, een extreem antisemitische groep die Nederland wilde "promoveren" tot een provincie van het Duitse Rijk. In die tijd werd hij souteneur op het Rembrandtplein en kreeg hij een voorliefde voor sieraden en juwelen. Hij begon deel uit te maken van een penozekliek, die zich op alle mogelijke manieren verrijkte met de zwarte handel. Naast het helen van sieraden raakte hij ook betrokken bij de handel in tweedehands auto's en verzeilde hij in de gokwereld van Amsterdam.
Ook in de oorlog zette Riphagen zijn handel voort. Meer zelfs, hij breidde deze uit door samen te werken met de Duitsers als Vertrauensmann van de SD in Den Haag. Naarmate er steeds meer anti-Joodse maatregelen werden genomen, werd de samenwerking tussen Riphagen en de Duitsers steeds winstgevender voor hem. Bij het oppakken van Joden werden de achtergelaten goederen en effecten, sieraden en contant geld verduisterd, alvorens de arrestanten en resterende inboedel werden overgedragen aan de Duitsers. Daarnaast hield hij er met zijn oude makkers van het Rembrandtplein, zoals Joop Out, 'Manke' Toon Kuijper, Harry Rond en Gerrit Verbeek clandestiene roulettehuizen en zwarte handel in deviezen, goud en diamanten op na. Eenmaal opgeklommen van V-mann tot Angestellte, besloot Riphagen over te stappen naar het Devisenschutzkommando (DSK), een onderdeel van het Zentralstelle für Jüdische Auswanderung in Amsterdam. De belangrijkste taak van het DSK was om de toenemende zwarte handel in onder meer effecten tegen te gaan, maar ook het opsporen van Joods bezit dat aan de Duitse deviezenbepalingen was onttrokken. Als bonus voor hun vangsten kregen de leden van het DSK 5 tot 10% van de in beslag genomen goederen. Het merendeel van de 'gevonden' goederen verdween echter in eigen zakken.
Riphagen was samen met Joop Out werkzaam als V-mann bij het Jüdenreferat IV B 4, de Sicherheitsdienst in Den Haag. Ze combineerden daar hun kennis van de Amsterdamse onderwereld met de contacten van andere V-männer om hun inkomsten te vergroten. Hun werkterrein bleef Amsterdam. In deze periode heeft hij ongetwijfeld kennisgemaakt met de familie Olij. Jan, Kees en Sam Olij waren beruchte ‘Jodenkloppers’. Vanaf 1943 maakte Riphagen ook deel uit van de beruchte "Colonne Henneicke". Dit was een groep premiejagers die op het hoogtepunt van de Jodenvervolging, aan de hand van anonieme tips, op ondergedoken Joden jaagde. Deze groep was midden 1942 opgericht door Willem Christiaan Henneicke en bestond voornamelijk uit Amsterdamse onderwereldfiguren, waaronder ook veel NSB-ers die voor de Zentralstelle bij het onderdeel Hausraterfassung werkten.
Per opgebrachte Jood kregen ze een Kopfgeld, variërend van fl. 7.50 tot fl. 40, -. Riphagens specialiteit bleef de handel in effecten en juwelen, waarmee hij eind 1943 een klein fortuin bij elkaar had geroofd. De juwelen bracht hij met enige regelmaat naar Belgische of Zwitserse kluizen. De Colonne Henneicke maakte ook gebruik van opgepakte Joden die onder dreiging van deportatie van familieleden, andere onderduikadressen vrij moesten geven of moesten infiltreren in verzetsgroepen. De Joodse verraadsters Betje Wery en Ans van Dijk - mogelijk kunnen beide dezelfde persoon zijn - werkten voor Riphagen als V-Frau. De Colonne Henneicke werd uiteindelijk opgeheven vanwege de enorme corruptie binnen zijn gelederen, maar desondanks hadden zij tussen april en september 1943 3.400 Joden opgepakt. De opgepakte Joden werden naar de Hollandsche Schouwburg gebracht, om van daaruit op transport te worden gezet naar Westerbork met als eindbestemming de vernietigingskampen in Polen. In het laatste jaar van de oorlog maakte Riphagen deel uit van de Gruppe Hoffmann van de SD in Assen. Deze groep specialiseerde zich in het opsporen van ondergedoken geallieerde piloten en geallieerde wapendroppings.
Na de oorlog kwam Riphagen met de oud-verzetsstrijder Wim Sanders in contact. Sanders was de oud-politiechef van Enschede met een zeer dubieuze achtergrond, vooral in verband met het op transport zetten van Joden naar de vernietigingskampen. Hij had een particuliere dienst opgericht, die belast was met het opsporen van collaborateurs. Zijn inlichtingendienst Politieke Misdrijven hield er eigenaardige opsporingsmethoden op na. Zo arresteerden zij Riphagen niet, omdat hij degene was die hen had benaderd om een deal te sluiten. Via zijn oude Amsterdamse maten Harry Rond en Joop Out, kwam hij in contact met Jan Schouw. Joop Out was niet overgeleverd aan de autoriteiten, maar had een vorm van 'huisarrest' gekregen, zolang hij met de opsporingsdienst van Sanders meewerkte. In ruil voor informatie zou Riphagen voorlopig niet worden uitgeleverd aan de officiële opsporingsinstanties en werd hij eveneens onder 'huisarrest' gesteld. Hij kwam terecht bij rechercheur en oud-illegaal Frits Kerkhoven op de Zuider Amstellaan in Amsterdam. Riphagens taak was informatie verschaffen over andere collaborateurs en het helpen met het ontrafelen van de Duitse inlichtingennetwerken in Nederland. Hij werd in deze periode als privé-arrestant van Sanders volledig afgeschermd van andere opsporingsdiensten.Het is ook niet verwonderlijk dat Riphagen in februari 1946 'ontsnapte' uit het huis van Kerkhoven. Gespeculeerd werd dat hij ontsnapte met behulp van Frits Kerkhovens bedrijfje, de Luxe Taxi Onderneming, dat onder andere ook gespecialiseerd was in uitvaartdiensten. Volgens dezelfde geruchten is Riphagen in een lijkwagen, in een kist, de Nederlandse grens overgezet. Daar werd hij opgewacht door zijn maten uit de Amsterdamse onderwereld die hem vervolgens door België en Frankrijk loodsten. Toen ze de Spaanse grens hadden bereikt, lieten ze een groepsfoto maken. Naast Riphagen staan Manke Toon Kuijper, Piet Herculeins en Willem Okkelenburg. Joop Out werd uiteindelijk opgepakt en in het Huis van Bewaring geplaatst. Wat er met de groep op de foto is gebeurd, weet niemand, maar Riphagen is uiteindelijk gesignaleerd met de bunkerbouwer Van Vuuren. In mei 1946 werd Riphagen in Huesca aangehouden, omdat hij niet over geldige verblijfspapieren beschikte. Hij werd opgesloten in de provinciale gevangenis van Huesca, waar hij door bemiddeling van de jezuïetenpater Juan Terradas van het Instituut Christus Koning, op borg vrijkwam op voorwaarde dat hij zijn papieren in orde moest maken. Daarmee talmde Riphagen niet te lang en hij bemachtigde uiteindelijk een nansenpaspoort. Tegen de tijd dat de Nederlandse Justitie op de hoogte was gesteld van Riphagens verblijf - hij woonde destijds in Madrid - nam hij samen met Jan van ’t Hof op 21 maart 1948 een Iberia-vlucht naar Argentinië.
In Argentinië heeft de ambassadeur F.C.A. Baron van Pallandt in Buenos Aires opnieuw uitleveringspapieren opgesteld. Riphagen kon echter niet worden uitgeleverd, omdat hij alleen op grond van verouderde delicten als autodiefstal en roofoverval berecht kon worden. Maar ook hier was de bewijslast te klein, zodat Riphagen ontslagen werd van vervolging. In het extreemrechtse blad La Razòn van 21 mei 1951 stond dat 'het Hooggerechtshof had bepaald dat de ten laste gelegde delitos de robo y defraudaciòn waren verjaard.’ Deze publieke kwijtschelding had Riphagen te danken aan zijn relaties met een vooraanstaand lid van het Argentijnse Hooggerechtshof, Rodolfo Valenzuela, de particuliere secretaris van president Juan Perón. Ook met Perón en zijn vrouw Evita onderhield Riphagen langdurige contacten die hij tot zijn dood zou behouden. Intussen had Riphagen zich gevestigd in Buenos Aires, in de wijk Belgrano, en runde daar een fotopersbureau. Hij ontplooide zich verder in de geheime diensten van Perón en organiseerde bokswedstrijden in het Luna Park, voor zijn oude vriend Jan Olij. Na de Revoluciòn Libertadora van 1955 zwierf hij in Europa rond, voornamelijk in Spanje, Zwitserland en Duitsland. Hij omringde zich graag met welgestelde dames die hem in zijn levensonderhoud konden voorzien. Uiteindelijk stierf hij in 1973 in Montreux aan kanker.
Uit het nansenpaspoort van Riphagen dat was ingenomen door de Nederlandse ambassadeur in Argentinië, bleek dat het laatste Spaanse adres van Riphagen in Madrid was: Calle Padilla 4, 2da puerta á la derecha, waar hij als kostganger inwoonde bij een hospita genaamd Alicia Lopèz Garcia. De informatie over Riphagens verblijf in Madrid kwam van het Bureau Inlichtingen van C.L.W. Fock, in Londen. Nederlands gezant in Madrid S.G.N. van Voorst tot Voorst, kreeg van het Tribunal Supremo te horen dat alle pogingen tot aanhouding van Riphagen waren mislukt.
