Kamp Vught
Gevangenen
In totaal verbleven in kamp Vught tussen januari 1943 en september 1944 ongeveer 31.000 gevangenen. Slechts negentig van hen wisten te ontsnappen uit het kamp. Het waren vooral Nederlanders, maar ook Belgen en Fransen werden er gevangen gezet. Ongeveer 12.000 kampgevangenen waren Joods. Veel van de gevangenen hadden een voorlopige vrijstelling van transport naar Duitsland of Polen. Zij moesten dwangarbeid verrichten in het kamp. Naast Joden zaten er onder andere politieke gevangenen, verzetsstrijders, Sinti en Roma (zigeuners), Jehova’s getuigen, homoseksuelen, zwervers en criminelen gevangen in het kamp. Ook mensen die Joden hadden helpen onderduiken, verspreiders van illegale geschriften en onttrekkers aan de Arbeitseinsatz zaten hier korte of lange tijd gevangen. De grootste groep niet-Joodse gevangenen zat in kamp Vught echter gevangen vanwege economische delicten. Onder hen waren bijvoorbeeld zwarthandelaren, maar ook mensen die vee illegaal geslacht hadden of goederen gestolen hadden van de Wehrmacht.
Vanaf februari 1943 was er in het kamp ook een afdeling ingericht als Geisellager, een gijzelaarskamp. Hier verbleven in totaal ongeveer zeshonderd gijzelaars, die bijvoorbeeld als vergelding voor acties van het verzet werden vastgehouden. Onder hen waren ook ‘familie-gijzelaars’, mensen die door de Sicherheitspolizei waren opgepakt omdat een familielid van hen voortvluchtig was. In mei 1943 werd er tevens een apart vrouwenkamp ingericht voor vrouwelijke arrestanten, Joodse vrouwen en echtgenoten en kinderen van gijzelaars.
Net als alle andere officiële concentratiekampen moesten gevangenen in kamp Vught dwangarbeid verrichten. In de meeste concentratiekampen verbleven daarom hoofdzakelijk volwassen arbeidsgeschikte gevangenen en geen kinderen. Kamp Vught vormde daarop een uitzondering, want hier werden ook honderden Joodse kinderen opgesloten. Een paar weken na de komst van de eerste kinderen werd een apart gedeelte van het kamp voor hen aangewezen. Kinderen werden gescheiden van hun ouders en ondergebracht in kinderbarakken waar ze verzorgd werden door enkele volwassen. Hun eigen ouders mochten ze af en toe zien. In elke kinderbarak konden 240 kinderen van vier tot zestien jaar gehuisvest worden. Moeders met baby’s en kinderen tot vier jaar werden ondergebracht in een speciale barak. Kinderen ouder dan zestien werden verspreid over de diverse volwassenenbarakken.
Koos Valk was negen jaar toen hij in kamp Vught gevangen gezet werd. Hij werd uiteindelijk gedeporteerd naar Theresienstadt, maar overleefde de oorlog. Hij beschreef zijn eerst nacht in Vught als volgt: “Tegelijk met alle negenjarigen werd ik in een rood stenen barak nummer 3 ondergebracht. Ik moest zelf maar een bed opzoeken dat nog niet bezet was. Ik huilde. Een jongen zag mij en zei: ‘kom bij mij liggen’. Onder hem was nog een benedenbed vrij. Ik had nog steeds niets gegeten en zachtjes huilend ging ik onder een deken liggen. Het matras van de jongen boven mij was kapot. Iedere keer als hij bewoog viel er troep naar beneden, dus kroop ik met mijn gezicht onder de deken. Van de kleren die ik gekregen had, moest ik een stapeltje maken en daar mijn hoofd op leggen. Het was een ellende. Dat was de eerste nacht in Vught.”
Om de kinderen bezig te houden werd er in maart 1943 voor hen een school opgestart. Het voortbestaan van de school stond voortdurend onder druk, want meerdere malen werd een leerkracht gedeporteerd. Toen op 7 april 1943 gevangenen ondergebracht werden in de schoolbarak probeerden de leerkrachten hun lessen voort te zetten in de woonbarakken.
De kinderen in kamp Vught werden door de kampleiding ongevoelig behandeld en zelfs het uitputtende appèl werd hen niet bespaard. Kampgevangene David Koker schreef op 6 maart 1943 dat een feestmiddag voor de kinderen onderbroken werd voor het appèl. Hij schreef: “Het is ongehoorder gevangen kinderen militair te drillen dan ze te mishandelen. Toen ik vanmiddag die kinderen zag staan, zo lang, zo lang, op hun bedorven feestmiddag, waarmee ze zich heel blij gemaakt hadden, toen zag ik voor het eerst wat andere mensen al zo lang beweren te zien, hoever wij gekomen zijn.” Normaal gesproken was er nooit appèl op zaterdagmiddag. Een dag later waren 32 van de ongeveer 150 kinderen ziek.
Op 30 april 1943 verbleven er 1.800 Joodse kinderen in het kamp. De hygiëne in de kinderbarakken was slecht en er was een tekort aan voedsel. Veel kinderen waren ziek en sommigen stierven, bijvoorbeeld aan de mazelen. De hoge kindersterfte raakte buiten het kamp bekend en ook nu weer probeerde de nazi-leiding een einde te maken aan deze negatieve publiciteit. De oplossing was zeer rigoureus en afschuwelijk: alle kinderen werden gedeporteerd naar de vernietigingskampen in het oosten. Hier vonden zij allen de dood.
In kamp Vught zelf vonden minstens 421 kinderen, vrouwen en mannen de dood door honger, ziekte en mishandeling. Vooral in de eerste maanden stierven veel gevangenen door de slechte leefomstandigheden. Hier kwam verandering in toen in de loop van 1943 grootscheepse hulpacties van buiten op gang kwamen. Joodse gevangenen waren echter volkomen afhankelijk van vrienden en familie, want het Rode Kruis mocht van de Duitse bezetter geen voedselpakketten versturen aan Joden. Door Joden werd massaal honger geleden, totdat de Joodsche Raad toestemming kreeg om voor voedselpakketten te zorgen. Later werd deze toestemming weer ingetrokken.
Vanaf de opening van het kamp was hier een Deutsche Standesbeamte (ambtenaar van de burgerlijke stand) werkzaam. Van iedere gevangene die omkwam in kamp Vught maakte hij een akte op waarin persoonlijke gegevens en de doodsoorzaak opgenomen werden. Deze aktes werden door hem opgenomen in het Sterbebuch. Ondanks dat niet alle aktes bewaard zijn gebleven, heeft men na de oorlog geprobeerd om de namen van alle slachtoffers te achterhalen. Tegenwoordig staan hun namen vermeld op de speciale gedenkwand in het herinneringcentrum op het terrein van het voormalige kamp Vught.
Naast de 421 gevangenen die omkwamen door honger, ziekte en mishandeling, werden op de fusilladeplaats even buiten kamp Vught 329 gevangenen geëxecuteerd. Het executiepeloton bestond voor een groot deel uit Nederlandse SS’ers, die belast waren met de buitenbewaking. De eerste executie vond plaats in juni 1944. Het slachtoffer was een gevangene die schuldig was bevonden aan sabotage bij het Philips-Kommando. In augustus en september 1944 vonden er aan de lopende band executies plaats. Eén van de gevangenen vertelde na de oorlog dat de salvo’s van de schietbaan gedurende die twee maanden steeds vaker weerklonken: “(...) ook al tijdens het ochtendappèl. Vanmorgen twee salvo’s. Na het eerste salvo tel ik negentien genadeschoten en ik ril over heel mijn lichaam. Mijn onderlip bijt ik stuk om de tranen van woede te bedwingen, bij deze afschuwelijke moordpartijen waaraan nooit een einde schijnt te komen.”
De massale executies in augustus en september 1944 waren het gevolg van de situatie aan het front. De geallieerden boekten steeds meer successen en rukten op richting Duitsland. Om te voorkomen dat burgers in bezet gebied onder invloed van de opmars van de geallieerden verzet zouden plegen, vaardigde Hitler op 30 juli 1944 het Niedermachungsbefehl uit. Op grond van dit bevel kwam alle rechtspraak tegen ‘saboteurs’ te vervallen. Iedereen die verdacht werd van sabotage of andere verzetsacties kon zonder enige vorm van rechtspraak ter dood gebracht worden. Er moest een afschrikwekkende werking vanuit gaan. In Nederland werden vanuit verschillende gevangenissen maar vooral vanuit ‘het Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen, gevangenen overgebracht naar kamp Vught om daar geëxecuteerd te worden. Na de ontruiming van het kamp in september 1944 plaatsten omwonenden een houten kruis op de fusilladeplaats ter nagedachtenis aan de 329 geëxecuteerde gevangenen. Vlakbij dit herdenkingsteken werd op 20 december 1947 ook een monument onthuld door prinses Juliana.
Definitielijst
- Arbeitseinsatz
- Gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Circa 11 miljoen Europese burgers werden in dit kader opgeroepen om dwangarbeid te verrichten in het Derde Rijk. Niet te verwarren met de Arbeidsdienst, een organisatie opgericht als nationaal-socialistisch vormingsinstituut voor Nederlandse jongeren.
- geallieerden
- Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
- nazi
- Afkorting voor een nationaal socialist.
- onderduiken
- Het verstoppen voor de vijand.
- Theresienstadt
- Stad in Tsjechië, hier hadden de nazi's een modelconcentratiekamp ingericht.
Pagina navigatie
Informatie
- Artikel door:
- Kevin Prenger
- Geplaatst op:
- 08-05-2006
- Laatst gewijzigd:
- 27-06-2009
- Opmerkingen? Spelfouten?
- Geef ons uw feedback!