Ontwikkeling
De A-11 oftewel Infanterietank Mk I, later bekend als Matilda I, was de eerste tank speciaal gebouwd ter directe ondersteuning van de infanterie. Bij het ontwerp is men uitgegaan van twee kernpunten, lage kosten en snelle produktie. De generale staf van het Britse leger had in 1934 de specificaties opgesteld. Er was gevraagd om een tank voor de directe ondersteuning bij een infanterieaanval. Het ontwerp en eerste prototype was klaar in september 1936.
Voor het eerst werd bij de ontwikkeling van de tank nadrukkelijk rekening gehouden met de bescherming van de bemanning, wat resulteerde in een voor die tijd zeer zware bepantsering van maximaal 65 mm. De zwaarste bepantsering zat aan de voorzijde. De koepel werd geheel gefabriceerd uit gietstaal en voorzien van een machinegeweer.
In april 1937 werd de eerste bestelling geplaatst en in 1938 gingen de eerste exemplaren naar de 1st Army Tank Brigade.
Nadat er in 1939 139 exemplaren waren gebouwd werd de productie gestopt omdat de tank allang niet meer voldeed aan de eisen voor een infanterietank. De producent leverde toen al de Matilda II. De Matilda I bleek veel te langzaam. Alhoewel de snelheid gebaseerd was op de lopende infanterist, kon het onvoldoende snel worden teruggetrokken bij een gemotoriseerde of gepantserde aanval. De bewapening van slechts een machinegeweer gaf geen enkele verdediging tegen de Duitse pantsers. Door de zware bepantsering was het echter wel bestand tegen nagenoeg alle antitankgeschut.
Tabel 1 Technische gegevens Matilda I.
| Model: | Matilda I | |
| Gebruikt: | Infanterie tank | |
| Fabrikant: | Vickers | |
| Motor: | Ford V-8 motor met een vermogen van 70 pk. | |
| Afmetingen: | Hoogte: 1,87 m Lengte: 4,85 m Breedte: 2,30 m | |
| Prestaties: | Snelheden: Max: 13 km/u Bereik: 129 km | |
| Gewicht: | 11200 kg | |
| Bepantsering: | 10-65 mm | |
| Bewapening: | Koepel: een 0.303 of 0,5 inch machinegeweer | |
| Bemanning: | 2 | |
| Productie: | 139 |
Mei 1940
De enige keer dat de Matilda I in actie is geweest, was bij de Duitse aanval op Frankrijk in mei 1940. Er zijn in totaal 97 exemplaren naar Frankrijk gezonden.
De tanks werden gebruikt door de 1st Army Tank Brigade bij de 4th en 7th Royal Tank Regiments die waren toegevoegd aan de British Expeditionary Forces. 77 Exemplaren waren aan de brigade toegewezen, terwijl de overige in eerste instantie in reserve zijn gehouden. Toen de situatie verslechterde werd er allereerst met de reservetanks een tijdelijke eenheid geformeerd die opereerde met de "Beauman"Divisie.
De Matilda Mk I heeft een belangrijk aandeel gehad in de slag bij Arras.
Bij de acties in Frankrijk bleken al snel de tekortkomingen van de tank. Alhoewel het door de dikke bepantsering moeilijk door tanks en antitankgeschut was uit te schakelen, was het een hopeloos langzaam voertuig. Door de lichte bewapening kon het redelijk eenvoudig worden genaderd en van dichtbij worden uitgeschakeld.
Na de terugtocht bij Duinkerken zijn de in Groot-Brittannië overgebleven exemplaren alleen nog gebruikt voor trainingsdoeleinden.
De nog bruikbare in België en Frankrijk achtergelaten exemplaren zijn door de Wehrmacht voor trainingsdoeleinden gebruikt en stonden daar bekend als Infanterie Panzerkampfwagen Mk I 747 (e).

