Het ziet er naar uit dat we het einde van de oorlog in Berlijn moeten afwachten. In januari reeds had ik verlof aangevraagd. Het was vastgesteld op 15 maart. 17 maart was mijn vrouw jarig, dus dat zou een aardige verrassing zijn. Helaas, het kwam niet zo ver. Begin maart werden alle verloven ingetrokken tot 15 mei. Direct maakte mijn cheffin er werk van en mijn nieuwe verlofpas droeg de datum van 18 mei. Ook dat ging niet door! Weer een nieuwe verlofpas, 6 juni. Maar ook dat viel in duigen. Alles werd geremd door de invasie, die al zo lang verwacht werd en maar steeds niet komen wou. Totdat eindelijk op de dag dat ik naar Holland vertrekken zou kwamen de Engelsen en Amerikanen naar Frankrijk. Het was een verademing voor ons. Nu konden wij beginnen met te zeggen "er zit schot in" En al konden wij dan niet naar huis, het was toch een hele troost voor ons, dat er nu werkelijk een begin gemaakt werd met de bevrijding van West-europa. Gelukkig konden we toen niet vermoeden, dat er nog zo veel ellende voor Holland weggelegd was alvorens ons land bevrijd werd. Dan zou het wachten helemaal ondraaglijk geweest zijn en al had ik nu dolgraag thuis geweest, het onderduiken was nu heel wat beter georganiseerd. Ik kon niet zeggen, dat ik het slecht had in Berlijn, integendeel, ik heb het hier best. Ik werk practisch onafhankelijk en weet daar goed profijt van te trekken. Ik werk in het zwart, maar ik doe ook in het "zwart". Natuurlijk, wie doet dat nu niet als hij daar gelegenheid voor heeft. En daardoor heb ik alles wat ik nodig heb en ben ik in de gelegenheid om vele van mijn kennissen, die geen gelegenheid hebben, nog eens te trakteren, b.v. mijn tabaksdoos is bij velen bekend. Iedere middag en avond gaat hij rond aan het tafeltje in Felsenkeller. Felsenkeller is een restaurantje, waar ik sinds mijn verblijf in Berlijn, bijna iedere middag en avond eet. Ik ben er geheel ingeburgerd en de waard reken ik ook onder mijn vrienden. Hij is ook fel anti, maar dat vertrouwt hij mij alleen toe als er niemand bij is. En ettelijke keren heeft hij mij ook aan bonnen geholpen om te eten. En als de serveersters niet op tijd aanwezig konden zijn, doordat de S-Bahn voor de zoveelste maal door bommen stil gelegd was, hielp ik vaak bedienen. En toen het eten zo schaars werd, dat het "stammetje" (eten zonder bon) ook gerantsoeneerd werd, gaf hij mij 's avonds de vrije hand om mijn "Landsleute" van "Stamm" te voorzien. Maar het moest wel altijd stiekem gaan, want een paar maal was er al over geklaagd bij de Ortsgruppe, dat de Ausländer er beter bediend werden dan de Duitsers. En dan heb ik onder onze klanten die ik van kolen voorzie, verschillenden die graag eens met een buitenlander willen praten om eens te horen, wat er eigenlijk in het buitenland te koop is. En zo heb ik dan verschillende kennissen. waar ik eigenlijk als kind in huis ben en zelfs niet eens met het eten de deur uit moet. Ja, iedere zondag ben ik ergens onderdak. Ik kan me gerust ergens vertonen, want ik heb prima kleren en schoenen kunnen organiseren en wat meer zegt, ik heb ook een relatie die alles voor me in orde houdt, als ik maar voor kolen zorg. Nu, daar kunnen ze van op aan. Ja, kleren en onderhoud, dat was voor de meesten van ons een onoverkomelijke moeilijkheid. Vooral toen de verloven ingetrokken werden was voor de meesten en grootste en meest dringende vraag: hoe kom ik aan goede kleren. Per post laten opsturen was erg riskant, want vele pakketten werden geheel of gedeeltelijk gestolen. Maar het zwarte goud had net zo veel waarde als het gele goud en was er dan niet alles, veel was er toch te koop.
Ik mag niet zeggen, dat het Duitse volk ons direct slecht behandelde. Over het algemeen hadden ze vaak begrip voor onze moeilijkheden vooral als ze hoorden dat wij gedwongen waren om in Duitsland te werken. Bijna iedereen wist niet beter of wij kwamen vrijwillig. "Van boven af", op de bedrijfsappels werd er altijd gestookt tegen ons en op fabrieken en kantoren, waar ook meisjes werkten, werden zij gewaarschuwd tegen omgang met Ausländer. Onnodig te zeggen, dat wij uitgesloten waren van die appéls en de Hollandse kranten deden dan weer wanhopige moeite om die vernedering weer omhoog te hijsen door in het Duits een verklaring te publiceren, dat er officieel geen bezwaar bestond tegen omgang van Hollandse jongelui met Duitse meisjes. Die verklaring moest dan maar doorgestuurd worden naar die chef, die aanmerking gemaakt had. Er waren natuurlijk ook fanatiekelingen, die geen buitenlander konden zien. Voor zo een moest de hele buurt oppassen, want al viel er niets aan te merken, een Duitser die veel omgang had met buitenlanders was in de ogen van zo iemand altijd verdacht. Als zo'n nationaal gebakerd iemand mij wel eens toesnauwde "was sind Sie für ein Ausländer"! dan kon ik hem niet meer troeven dan te antwoorden "Ausländer? Ich bin auch ein German genau wie Sie; auch mein Landsleute kämpfen für Europas Freiheit" Dat ik daarmee de Hollanders bedoelde, die in Engeland waren, drong meestal niet tot hen door, want dan waren ze niet zo spoedig bijgedraaid. En dan heb ik nog anderen meegemaakt, Mensen die voor het regime van Hitler nooit aan politiek gedaan hebben en nu plotseling hun kans zagen. Mensen, stinkend van egoïsme, maar zonder verstand. Mensen, waar zelfs iedere Duitser een hekel aan had en die wil ik in het volgende hoofdstuk beschrijven.