Anti-euthanasiepreek door Bisschop Von Galen (03-08-1941)

Vertaling

Preek tegen de euthanasie door de bisschop van Münster, Clemens August Graaf von Galen op 3 augustus 1941.

Ik moet helaas mededelen dat de Gestapo ook in deze week haar vernietigingsoorlog tegen de katholieke ordes heeft voortgezet. Op woensdag 30 juli heeft de Gestapo het provinciale huis van de Zusters van Onze Lieve Vrouwe in Mühlhausen, Kreis Kempen, dat vroeger bij het bisdom Münster behoorde, bezet en voor gesloten verklaard. De zusters, van wie velen uit ons bisdom stammen werden voor het grootste deel uitgewezen en moesten nog dezelfde dag de Kreis verlaten. Volgens betrouwbare berichten is op donderdag 31 juli het klooster van de missionarissen van Hiltrup in Hamm eveneens door de Gestapo bezet en in beslag genomen. De daar wonende paters zijn uitgewezen.

Ik heb al op 13 juli, hier in de Lambertuskerk, na het verdrijven van de Jezuieten en missiezusters uit Münster in het openbaar vastgesteld: geen der bewoners van de kloosters is van een vergrijp of een misdaad beschuldigd, door een rechtbank aangeklaagd of zelfs maar veroordeeld. Zoals ik heb vernomen worden nu in Münster geruchten verspreid dat deze kloosterlingen, in het bijzonder de Jezuieten wegens een onwettige misstap, ja zelfs wegens landsverraad zijn aangeklaagd of daaraan zelfs schuldig zijn bevonden. Ik verklaar: dat is gemene laster jegens Duitse volksgenoten, onze broeders en zusters die we ons niet laten welgevallen. Tegen een knaap die het in bijzijn van getuigen waagde iets dergelijks te beweren, heb ik al bij de hoofdofficier van justitie een aanklacht ingediend. Ik spreek de verwachting uit dat de man zo spoedig mogelijk ter verantwoording wordt geroepen en dat onze rechtbanken nog de moed hebben, lasteraars die het wagen te goeder naam en faam bekend staande Duitse volksgenoten, nadat hen reeds hun eigendommen zijn afgenomen, ook nog eens hun eer te bezoedelen, ter verantwoording te roepen en te bestraffen. Ik roep al mijn toehoorders, ja alle nette medeburgers op om van nu af aan, wanneer in hun bijzijn zulke beschuldigingen tegen de uit Münster uitgewezen kloosterlingen worden geuit, naam en adres van de aanklager en eventueel aanwezige getuigen te noteren. Ik hoop dat er in Münster nog mensen zijn die de moed nog hebben om door openlijke tussenkomst met hun persoon, met hun naam, zonodig onder ede, mee te werken om voor een rechtbank zulke beschuldigingen die de volksgemeenschap vergiftigen, duidelijk te maken. Deze mensen verzoek ik, wanneer in hun aanwezigheid zulke beschuldigingen tegen onze ordebroeders en zusters worden uitgesproken, dit zo spoedig mogelijk bij hun pastoor of bij het bisschoppelijk secretariaat-generaal te melden en te laten vastleggen. Ik ben het aan de eer van onze kloosterlingen, de eer van onze katholieke kerk en ook aan de eer van ons Duitse volk en de stad Münster verplicht, dat ik met een aanklacht bij het openbaar ministerie er voor zorg draag dat bij een rechtbank dit feitenmateriaal verduidelijkt wordt en de gemene lasteraars jegens onze kloosterlingen gestraft worden.

Nu volgt de lezing van het Evangelie van de 9de Zondag na Pinksteren (Lucas 19, 41-47) en dan de preek door de bisschop die tot tegen 12 uur duurt.

Mijn beste parochianen. Het is een schokkende gebeurtenis waarover het Zondagsevangelie van vandaag bericht: Jezus weent! De Zoon van God weent! Wie weent, lijdt pijn; pijn aan het lichaam of aan het hart. Jezus leed destijds niet aan lichamelijke pijn maar toch weende Hij. Hoe groot moet het zielepijn, het hartepijn van deze dapperste van alle mannen geweest zijn dat Hij weende? Waarom weende Hij? Hij weende om Jeruzalem, om de heilige stad Gods die hem zo dierbaar was, de hoofdstad van Zijn volk. Hij weende om haar bewoners, om Zijn volksgenoten omdat zij niet wilden inzien wat hen alleen, door Zijn alwetendheid voorzien, kon afwenden van het door Zijn Goddelijke gerechtigheid voorbestemde strafgericht: "Als ge toch eens zoudt inzien wat u tot vrede dient!" Waarom zien de bewoners dat voor Jeruzalem niet in? Niet lang daarvoor heeft Jezus het uitgesproken:" Jeruzalem, Jeruzalem, hoe vaak wilde ik uw kinderen vergaren zoals een kloek haar kuikens onder haar vleugels vergaart. Maar gij hebt het niet gewild. (Lucas 13, 34) "Gij hebt niet gewild. Ik, Uw Koning, Uw God, ik wilde! Maar gij hebt het niet gewild. Hoe geborgen, hoe behoed, hoe beschermd is het kuiken onder de vleugels van de kloek; zij houdt het warm, zij voedt het, zij verdedigt het. Zo wilde ik U beschutten, behoeden, tegen ieder ongemak verdedigen. Ik wilde. Gij hebt het niet gewild!"

Daarom weent Jezus, daarom weent deze sterke man, daarom weent God. Over de dwaasheid, over het onrecht, over de misdaad van de onwil. En over het daaruit voortkomende onheil dat Hij in Zijn alwetendheid ziet aankomen, dat Hij Zijn gerechtigheid moet opleggen aan de mens wanneer die zijn onwil stelt tegenover de geboden Gods, tegenover alle waarschuwingen van zijn geweten, tegenover alle verlokkingen van de Goddelijke vriend, tegenover de Goede Vader: "Wanneer ge het toch zoudt inzien, vandaan nog, op deze dag, wat U tot vrede dient! Maar gij hebt niet gewild!" Het is iets verschrikkelijks, iets wat ongehoord onrecht en verderf brengt wanneer de mens zijn wil tegenover die van God stelt! Ik wilde! Gij hebt niet gewild! Daarom weent Jezus over Jeruzalem.

Vrome Christenen. In de op 6 juli van dit jaar in alle katholieke kerken in Duitsland voorgelezen gemeenschappelijke herdersbrief van de Duitse bisschoppen van 26 juni 1941 staat onder andere: "Zeker zijn er volgens de katholieke leer positieve geboden die niet meer verplicht zijn wanneer het opvolgen daarvan met al te grote moeilijkheden gepaard zou gaan. Er zijn echter ook heilige verplichtingen van het geweten waarvan niemand ons kan ontheffen, die we moeten opvolgen, koste wat kost, al zou dat zelfs ons leven kosten. Nooit, onder geen beding mag de mens, behalve in oorlog of in gerechtvaardigd noodweer, een onschuldige doden." Ik vond al op 6 juli aanleiding aan deze woorden van de gemeenschappelijke herdersbrief de volgende uitleg toe te voegen:

Sinds enkele maanden horen wij berichten dat op bevel van Berlijn uit verplegings- en verzorgingsinrichtingen voor geesteszieken patiënten die al langer ziek zijn en misschien ongeneeslijk lijken onder dwang worden afgevoerd. Regelmatig krijgen de familieleden na korte tijd de mededeling dat de zieke is gestorven, dat het lijk gecremeerd is en dat de as kan worden afgeleverd. Algemeen heerst een aan zekerheid grenzende verdenking dat deze talrijke onverwachte sterfgevallen van geesteszieken niet vanzelf gebeuren maar opzettelijk worden veroorzaakt; dat men daarbij een leer volgt die beweert dat men zogenaamd bestaansonwaardig leven vernietigt, dus onschuldige mensen doodt wanneer men meent dat hun leven voor volk en staat niets meer waard is. Een verschrikkelijke leer die de moord op onschuldigen wil rechtvaardigen, die het met geweld doden van niet meer tot arbeid in staat zijnde invaliden, kreupelen, ongeneeslijk zieken en ouderen in principe toestaat!

Zoals ik uit betrouwbare bron heb vernomen, worden nu ook in de verplegings- en verzorgingsinrichtingen in Westfalen lijsten van zulke patiënten opgesteld die als zogenaamd onproductieve volksgenoten afgevoerd en na korte tijd om het leven gebracht zullen worden. Uit de inrichting Marienthal bij Münster is in de loop van deze week het eerste transport vertrokken.

Duitse mannen en vrouwen! § 211 van het Rijkswetboek van Strafrecht heeft nog steeds kracht van wet en luidt: "Wie opzettelijk een mens doodt wordt, wanneer hij deze doding met overleg heeft uitgevoerd, wegens moord met de dood bestraft." Zeker om diegenen die deze arme mensen, leden van onze gezinnen, opzettelijk doden voor deze wettige straf te vrijwaren worden de voor doding aangewezen zieken uit hun thuis omgeving naar een ver verwijderde inrichting afgevoerd. Als doodsoorzaak wordt dan een of andere ziekte genoemd. Omdat het lijk direct wordt gecremeerd kunnen de familieleden en ook de recherche later niet meer vaststellen of er werkelijk van deze ziekte sprake is geweest en wat de doodsoorzaak geweest is. Er is mij echter verzekerd dat men bij het Rijksministerie voor Binnenlandse Zaken en op het bureau van Rijksartsenleider Dr. Conti er helemaal geen geheim van maakt dat er in Duitsland inderdaad al een groot aantal geesteszieken opzettelijk is gedood en dat er in de toekomst meer gedood zullen gaan worden.

Het Rijkswetboek van Strafrecht bepaalt in § 139: "Wie van een voornemen voor een misdaad tegen het leven geloofwaardige kennis draagt en nalaat, de autoriteiten of de bedreigde hiervan tijdig mededeling te doen, wordt bestraft".

Toen ik van het plan vernam om zieken uit Marienthal af te voeren teneinde ze te doden heb ik op 28 juli bij de Officier van Justitie bij de rechtbank in Münster en bij de hoofdcommissaris van politie in Münster aangifte gedaan per aangetekende brief die luidt als volgt:

"Volgens berichten die mij hebben bereikt zal in de loop van deze week (men spreekt over 31 juli) een groot aantal patiënten uit het Provinciaal Ziekenhuis Marienthal bij Münster als zogenaamde onproductieve volksgenoten naar het ziekenhuis van Eichberg worden overgebracht om dan spoedig, zoals het na zulke transporten uit andere ziekenhuizen naar algemene overtuiging gebeurd is, opzettelijk te worden gedood. Daar een dergelijke handelwijze niet alleen in strijd is met de goddelijke en natuurlijke zedelijke wetten, maar ook op grond van § 211 van het Rijkswetboek van Strafrecht als moord met de dood bestraft dient te worden, doe ik op grond van § 139 van het Rijkswetboek van Strafrecht verplicht aangifte en verzoek, de bedreigde volksgenoten door maatregelen tegen het transport en het ter dood brengen op de aangewezen plaatsen te beschermen en mij op de hoogte te stellen van wat besloten is".

Berichten over ingrijpen van het Openbaar Ministerie of de politie hebben mij niet bereikt. Al op 26 juli heb ik bij het bestuur van de provincie Westfalen, waar de inrichtingen onder vallen en waaraan de verpleging en verzorging van de zieken is toevertrouwd, schriftelijk ernstig bezwaar gemaakt. Het heeft niets geholpen. Het eerste transport van de onschuldig terdoodveroordeelden is uit Marienthal vertrokken. En uit de verplegings- en verzorgingsinrichting Warstein zijn, naar ik hoor al 800 zieken afgevoerd.

Dus moeten we er rekening mee houden dat de arme, weerloze zieken na korte of langere tijd om het leven worden gebracht.

Waarom? Niet omdat ze een misdaad begaan hebben waar de doodstraf op staat. Niet eens omdat ze hun verzorgers of verplegers aangevallen hebben zodat dezen niets anders bleef dan voor behoud van het eigen leven in gerechtvaardigde noodweer de aanvaller met geweld tegemoet te treden. Dat zijn gevallen waarin naast het doden van de gewapende vijand in een rechtmatige oorlog het gebruik van geweld tot de dood erop volgt is toegestaan en niet zelden wordt vereist.

Nee, niet om zulke redenen moeten dergelijke ongelukkige zieken sterven, maar wel daarom omdat zij naar het oordeel van een of andere dienst, volgens een advies van een of andere commissie het leven onwaardig zijn geworden omdat zij op grond van dit advies tot de onproductieve volksgenoten behoren. Men oordeelt: zij kunnen geen goederen meer produceren, zij zijn als een oude machine die het niet meer doet, zij zijn als een oud paard dat ongeneeslijk verlamd geworden is, zij zijn als een koe die geen melk meer geeft. Wat doet men met zo'n oude machine? Die wordt gesloopt. Wat doet men met een verlamd paard, met zo'n onproductief stuk vee? Nee, ik wil de vergelijking niet tot het einde doortrekken, hoe vreselijk de rechtvaardiging ook is. Het gaat hier immers niet om machines, het gaat niet om paarden of koeien die als enig doel hebben, de mens te dienen, voor de mens goederen te produceren. Men mag ze slopen, men mag ze slachten zogauw dit doel niet meer bereikt kan worden. Nee, het gaat hier om mensen, onze medemensen, onze broeders en zusters. Arme mensen, zieke mensen, onproductieve mensen voor mijn part. Maar hebben zij daarmee het recht op het leven verspeeld? Hebt gij, heb ik slechts zolang recht op leven, zolang we productief zijn, zolang we door anderen als productief worden erkend?

Wanneer men het principe aanneeemt en toepast, volgens welk men onproductieve mensen mag doden, dan wee ons allen wanneer wij oud en zwak worden! Wanneer men de onproductieve medemens mag doden, dan wee de invaliden die tijdens het productieproces hun gezonde beenderen hebben ingezet, geofferd en het gebruik ervan verloren hebben! Wanneer men de onproductieve medemens met geweld uit de weg mag ruimen, dan wee onze dappere soldaten die als zware oorlogsgewonden, als kreupelen, als invaliden in het vaderland terugkeren.

Als eenmaal wordt toegegeven dat mensen het recht hebben, onproductieve medemensen te doden, al gaat het allereerst nog om arme, weerloze geesteszieken, dan is dit in principe een vrijbrief voor moord op alle onproductieve mensen, dus moord op de ongeneeslijk zieken, moord op de arbeidsongeschikte kreupele, moord op de invaliden uit de fabrieken en de oorlog, dan is dat moord op ons allen wanneer we verzwakt raken door ouderdom en daardoor onproductief worden. Dan hoeft slechts bij een of andere geheim besluit bepaald te worden dat de voor geesteszieken beproefde methode naar andere onproductieven moet worden uitgebreid, dat die ook op de ongeneeslijke longpatiënten, de ouden van dagen, de arbeidsinvaliden, de in de oorlog zwaar gewonde soldaten moet worden toegepast.

Dan is niemand van ons zijn leven meer zeker. Een of andere commissie kan hen, die volgens haar oordeel het leven onwaardig geworden zijn, op een lijst van onproductieven zetten. En geen politie kan hen beschermen en geen rechtbank kan die moord bestraffen en de moordenaar zijn verdiende straf opleggen. Wie kan dan een arts nog vertrouwen? Misschien meldt hij de zieke wel als onproductief en krijgt de opdracht hem te doden? Het is ondenkbaar welk een zedenverloedering, welk algemeen onderling wantrouwen tot in de gezinnen ontstaat wanneer deze vreselijke leer wordt geduld, aangenomen en gevolgd. Wee de mens, wee ons Duitse volk wanneer het heilige gebod Gods: "Gij zult niet doden", dat onze Heer in donder en bliksem op de Sinai heeft verkondigd, dat God onze Schepper vanaf het begin in het geweten der mensen heeft ingeprent niet alleen overtreden wordt maar wanneer deze overtreding zelfs wordt geduld en ongestraft kan worden begaan.

Ik wil u een voorbeeld geven van wat nu gebeurt. In Marienthal was een man van ongeveer 55 jaar, een boer uit een plattelandsdorp in het Münsterland, ik zou u zijn naam wel kunnen noemen, die sinds enkele jaren geestelijke problemen heeft en die dus in de Provinciale Verplegings- en Verzorgingsinrichting Marienthal is opgenomen. Hij was niet echt geestesziek, hij kon bezoek ontvangen en hij verheugde zich er altijd op, dat zijn familieleden zo vaak kwamen. Nog maar 14 dagen geleden had hij bezoek van zijn vrouw en een van zijn zonen die als soldaat aan het front is en verlof had. De zoon geeft veel om zijn zieke vader. Het afscheid viel dus zwaar. Wie weet of de soldaat weer komt, zijn vader weer ziet want hij kan immers in de strijd voor de volksgenoten gevallen zijn. De zoon, de soldaat zal zijn vader op aarde zeker nooit weer zien want die is inmiddels op de lijst met onproductieven gezet. Een familielid dat de vader in deze week in Marienthal wilde bezoeken werd weggestuurd met de mededeling dat de zieke op bevel van het Ministerie voor Landsverdediging van hieruit is weggevoerd. Waarheen kon niet worden gezegd. De familie zou binnen enkele dagen bericht krijgen.

Hoe zal dit bericht luiden? Weer zo als in andere gevallen? Dat de man gestorven is, dat het lijk gecremeerd is, dat de as tegen betaling van het gebruikelijke tarief kan worden bezorgd? Dan zal de soldaat te velde die zijn leven inzet voor de Duitse volksgenoten de vader hier op aarde nooit weer zien, omdat Duitse volksgenoten in het vaderland hem om het leven hebben gebracht. De door mij genoemde feiten staan vast. Ik kan u de naam van de zieke man, van zijn vrouw, van zijn zoon die soldaat is noemen; het dorp waar zij wonen. "Gij zult niet doden!" God heeft dit gebod in het geweten van de mens vastgelegd lang voordat een wetboek van strafrecht straf stelde op een moord, lang voordat een Openbaar Ministerie en een rechtbank een moord vervolgden en bestraften. Kain, die zijn broeder doodde was een moordenaar, lang voordat er staten en rechtbanken waren. En hij bekende, gedreven door de aanklacht van zijn geweten: "Mijn misdaad is te groot om vergiffenis te kunnen vinden! Eenieder die mij vindt zal mij, de moordenaar doden". (Genesis 4, 13 14)

"Gij zult niet doden!" Dit gebod van God, de enige Heer die het recht heeft over leven of dood te beslissen, was vanaf het begin in de harten van de mensen vastgelegd, lang voordat God aan de Kinderen Israels op de berg Sinai zijn wetten met die kernachtige, in steen gehouwen korte zinnen heeft verkondigd, die voor ons in het Heilige Boek zijn opgetekend, die wij als kinderen op de catechisatie uit het hoofd geleerd hebben. "Ik ben de Heer, Uw God." Verhef dus deze onveranderlijke wet: "Gij zult geen vreemde goden naast mij vereren!" De enige, universele, almachtige, alwetende, oneindig heilige en rechtschapen God heeft ons deze geboden gegeven, onze Schepper en uiteindelijke Rechter. Uit liefde voor ons heeft Hij ons deze geboden in het hart gegeven en verkondigd want ze komen overeen met de behoeften van onze door God geschapen natuur; ze zijn de onwankelbare normen voor een rationeel, een godvrezend, een heil brengend en een heilig mensenleven en gemeenschapsleven. God, onze Vader wil met deze geboden ons, Zijn kinderen vergaren zoals de hen haar kuikens onder haar vleugels bijeen gaart. Als wij mensen deze geboden, deze uitnodigingen, deze roep Gods volgen dan zijn wij behoed, beschut, voor onheil gespaard, beschermd tegen het dreigende verderf zoals de kuikens onder de vleugels van de kloek.
"Jeruzalem, Jeruzalem, hoe vaak wilde ik uw kinderen vergaren zoals de kloek haar kuikens onder vleugels vergaart. Maar gij hebt niet gewild" Zal dat opnieuw waarheid worden in ons Duitse vaderland, in ons thuisland Westfalen, in onze stad Münster? Hoe staat het in Duitsland, hoe staat het hier bij ons met het gehoorzamen aan de geboden Gods. Het achtste gebod: "Gij zult geen valse getuigenis afleggen. Gij zult niet liegen." Hoe vaak wordt dat brutaal, ook openlijk gebroken. Het zevende gebod: "Gij zult geen vreemde goederen tot de uwe maken." Wiens eigendom is nog zeker na de willekeurige en onherroepelijke onteigening der goederen van onze broeders en zusters, die lid zijn van katholieke orden. Wiens eigendom is beschermd wanneer deze wederrechtelijk in beslag genomen eigendommen niet worden teruggegeven. Het zesde gebod: "Gij zult niet echtbreken" Denkt aan de aanwijzingen en beloften in de beruchte open brief van de inmiddels verdwenen Rudolf Hess, die in alle kranten is gepubliceerd over het vrije geslachtsverkeer en het buitenechtelijke moederschap. En wat kan men nog meer, ook hier in Münster op dit punt over schaamteloosheid en gemeenheid lezen, waarnemen en ervaren. Aan wat voor schaamteloosheid in kleding heeft de jeugd moeten wennen? Voorbereiding op de latere echtbreuk! Want daarmee wordt de schaamte vernietigd die de bescherming van de kuisheid is.

Nu wordt ook het vijfde gebod: "Gij zult niet doden" terzijde geschoven en onder de ogen van diegenen die de rechtsorde en het leven moeten beschermen overtreden omdat men het zich aanmatigt, onschuldige, zij het zieke medemensen met opzet om te brengen alleen omdat ze onproductief zijn, geen goederen meer kunnen produceren,

Hoe staat het met het opvolgen van het vierde gebod, dat eerbied en gehoorzaamheid jegens ouders en meerderen voorschrijft. De machtspositie van ouders is al sterk ondergraven en wordt met alle eisen die tegen de wil van de ouders aan de jeugd worden opgelegd, nog steeds verder afgebroken. Gelooft men dat oprechte eerbied en gewetensvolle gehoorzaamheid jegens de rijksoverheid in stand blijven wanneer men doorgaat, de geboden van de hoogste overheid, de geboden Gods te blijven overtreden wanneer men zelfs het geloof aan de enige ware, universele God, Heer van hemel en aarde bestrijdt en zelfs probeert uit te roeien.

Het opvolgen van de eerste drie geboden wordt al lang in Duitsland en ook in Münster openlijk niet meer gedaan. Door hoevelen wordt de zondag naast de feestdagen ontwijdt en aan de dienst aan God onttrokken? Hoe vaak wordt de naam van God misbruikt, onteerd en belasterd! En het eerste gebod: "Gij zult geen vreemde goden naast mij hebben!" In plaats van de enige ware, eeuwige God maakt men naar believen eigen godjes om ze te aanbidden: de natuur of de staat of het volk of het ras. En hoevelen zijn er, voor wie God in werkelijkheid, volgens het woord van de heilige Paulus "de buik is", (Fillipenzen 3, 19) het eigen welbevinden waaraan ze alles, zelfs hun eer en geweten offeren, het genot der zinnen, de geldzucht, de zucht naar macht! Dan mag men ook proberen, zich goddelijke bevoegdheden aan te meten, zich tot heer over leven en dood van de medemensen te maken.

Jezus ziet het zondige, het vreselijke, het misdadige, het verderf brengende, deze onwil. De kleine mens, dit wankele schepsel stelt de hem gegeven wil tegenover Gods wil! Jeruzalem en haar bewoners, Zijn uitverkoren en bevoorrechte volk stelt zijn wil tegenover Gods wil. Ondanks dwaasheid en misdadigheid tegenover Gods wil. Daarom weent Jezus om de afschuwelijke zonde en om de onvermijdelijke vergelding. God laat niet met zich spotten!

Gelovigen van Münster! Heeft de Zoon Gods destijds slechts Jeruzalem en Zijn volk gezien? Heeft Hij slechts om Jeruzalem geweend? Is het volk Israels het enige volk dat God met vaderlijke zorg en moederliefde omgeven en beschermd tot zich geroepen heeft? En dat het dit niet heeft gewild? Het volk dat Gods waarheid heeft afgezworen, de wetten Gods verre van zich heeft geworpen en zich zo in de misdaad heeft gestort? Heeft Jezus, de alwetende God, destijds ook ons Duitse volk aanschouwd, ook ons Westfalen, ook het Münsterland, de Nederrijn? En heeft Hij ook om ons geweend? Al duizenden jaren heeft Hij onze voorouders en ons Zijn waarheid onderricht, met Zijn geboden geleid, met Zijn genade gevoed, ons bijeengegaard zoals de kloek haar kuikens onder haar vleugels vergaart. Heeft de alwetende Zoon Gods toen gezien dat Hij ook in onze tijd het oordeel moet uitspreken: "Gij hebt het niet gewild! Ziet, uw huis zal u verwoest worden!" Hoe verschrikkelijk zou dat zijn.

Mijn gelovigen. Ik hoop dat er nog tijd is, maar het is de hoogste tijd! Dat we inzien, nog vandaag, op deze dag wat ons tot vrede dient, wat alleen ons kan redden, wat ons van het Godsgericht kan vrijwaren: dat we zonder terughoudendheid en zonder omwegen de door God geopenbaarde waarheid aannemen en door onze leefwijze bevestigen. Dat wij de geboden Gods tot richtsnoer van ons leven maken en ernst maken met de uitspraak: "Liever sterven dan zondigen." Dat wij door gebed en oprechte boetedoening Gods vergiffenis en erbarmen afsmeken over ons, over onze stad, over ons land, over ons geliefde Duitse volk. Wie echter wil voortgaan, het Godsgericht uit te dagen, ons geloof te belasteren, wie Gods geboden veracht, wie gemene zaak maakt met diegenen die onze jeugd van het christendom willen vervreemden, met hen die de leden van onze orden beroven en verdrijven, met hen die onschuldige mensen, onze broeders en zusters uitleveren aan de dood, met hen willen wij elk vertrouwelijk contact vermijden, wij willen ons en de onzen aan hun invloed onttrekken opdat wij niet besmet worden met hun tegen God gerichte denken en handelen, opdat wij niet medeschuldig worden, opdat wij niet ten prooi vallen aan het Godsgericht dat de rechtschapen God moet uitspreken en uitspreken zal over al diegenen die net als de ondankbare stad Jeruzalem niet willen wat God wil.

Oh God, laat ons allen toch vandaag, op deze dag, voordat het te laat is, inzien wat ons tot vrede dient! Oh heiligste hart Jesu, tot tranen toe geroerd over de verblinding en over de misdaden van de mensen, help ons met Uw Genade, opdat wij steeds nastreven wat U goeddunkt en datgene nalaten wat U ongenegen is, opdat wij in Uw liefde blijven en rust vinden voor onze zielen. Amen.

Zie ook:
- Von Galens eerste preek tegen de Gestapo
- Von Galens tweede preek tegen de Gestapo
- Briefwisseling tussen Göring en Von Galen

Bronnen

Katholisch-Theologische Fakultät der Universität Innsbruck
Kardinal Von Galen, Heinrich Portmann, Aschendorf, Münster, 1978.

Pagina navigatie

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
19-06-2006
Laatst gewijzigd:
09-10-2011
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2014
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.