Tegenwoordig wordt door steeds meer historici aangenomen dat de definitieve beslissing om alle Europese Joden te vermoorden in de winter van 1941 werd genomen. Alhoewel men nooit een schriftelijk bevel hiertoe heeft gevonden en dit hoogst waarschijnlijk ook niet bestaat, komt men tot deze conclusie vanwege de gebeurtenissen die elkaar in die periode in rap tempo opvolgden en dankzij de bronnen die hieronder worden besproken. Een belangrijke factor in het besluit tot de uitroeiing van Joden was vermoedelijk de Japanse aanval op Pearl Harbor en de oorlogsverklaring van Duitsland aan de Verenigde Staten twee dagen daarna. Adolf Hitler beschouwde het aanbreken van de nieuwe wereldoorlog als de schuld van de Joden. Hij had al op 30 januari 1939 verklaard dat “indien het internationale financiële Jodendom binnen en buiten Europa erin zou slagen de naties nogmaals in een oorlog te storten” dit zou resulteren “in de vernietiging van het joodse ras in Europa!” Hij herhaalde deze profetie een dag na de oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten in een toespraak aan de verzamelde nazi-leiders.
Het besluit tot de fysieke uitroeiing van de Europese Joden lijkt in de daarop volgende dagen genomen te zijn, want op 13 december schreef Joseph Goebbels in zijn dagboek: “Voor zover het gaat om het Joodse vraagstuk, is de Führer vastbesloten grote schoonmaak te houden. Hij voorspelde de Joden dat als ze opnieuw een wereldoorlog zouden veroorzaken, zij hun eigen vernietiging zouden veroorzaken. Dit was geen holle frase. De wereldoorlog is uitgebroken, de uitroeiing van de Joden moet het noodzakelijke gevolg zijn. Dit vraagstuk moet zonder sentimentaliteit worden bekeken.” In een toespraak op 16 december sprak Hans Frank ongeveer dezelfde woorden: “Overal waar wij ze vinden, moeten we de Joden uitroeien.” Hij voegde daar nog aan toe dat hem in Berlijn was verteld dat hij en mensen zoals hij “de Joden zelf [moeten] liquideren.” Een volgende aanwijzing waaruit geconcludeerd kan worden dat de beslissing tot de totale uitroeiing van Joden in december 1941 genomen was, is te vinden in Himmlers bureauagenda. Na een gesprek met Hitler noteerde de Reichsleiter-SS op 18 december: “Joodse vraagstuk - ausrotten [uitroeien] als partizanen.” Hiermee verwees hij naar de acties van de Einsatzgruppen, waarbij Joden gelijkgeschaard werden aan partizanen en daarom omgebracht werden.
Nu het besluit om de Europese Joden uit te roeien was genomen, moest men overeenstemming bereiken over de wijze waarop deze massale operatie uitgevoerd moest worden. Inmiddels had Hermann Göring op 31 juli 1941 de verantwoordelijkheid over de uitvoering van de eindoplossing van de Joodse kwestie (Endlösung der Judenfrage) overgedragen aan Reinhard Heydrich. Onder aanvoering Heydrich vond op 20 januari 1942 de Wannseeconferentie plaats. Tijdens deze conferentie werden enkele overheids-, partij- en SS-functionarissen ingelicht over het genomen besluit en sprak men over de wijze waarop deze operatie uitgevoerd diende te worden. In de notulen van de Wannseeconferentie valt te lezen dat men van plan was om ruim 11.000.000 Joden om te brengen, waarvan volgens de nazi-statistieken 2.284.000 zich bevonden in het Generalgouvernement. Voor deze groep Joden werd Aktion Reinhard opgezet.

