Seyss-Inquart, Arthur

Onderdrukking en vervolging

Een bevolkingsgroep die al helemaal niet hoefde te rekenen op de verzoenende woorden van Seyss-Inquart bij zijn inauguratiespeech waren de Joden. De eerste maanden leken ze ongemoeid gelaten te worden, totdat in de herfst van 1940 de eerste anti-Joodse maatregelen genomen werden. In september werden bijna alle Joodse kranten opgeheven en in oktober werden ondernemingen met Joodse eigenaren of een overwegend Joods belang onder het toezicht van een Verwalter (zaakwaarnemer) geplaatst. Diezelfde maand werd ook begonnen met het ontslag van alle Joodse ambtenaren. Op 10 januari 1941 verordonneerde Seyss-Inquart dat alle “personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede” zich dienden te registreren, een maatregel die uiteindelijk verstrekkende gevolgen zou hebben. Behalve dat er op enkele scholen en universiteiten werd geprotesteerd tegen het ontslag van Joodse docenten en hoogleraren, veroorzaakten de anti-Joodse maatregelen tot dan weinig ophef. Dat veranderde toen Seyss-Inquart en Rauter harde maatregelen namen vanwege het escalerende geweld bij gevechten in Amsterdam tussen Nederlandse nazisympathisanten en Joodse Amsterdammers, gesteund door niet-Joodse stadsgenoten.

Op 11 februari 1941 werd de Amsterdamse NSB’er Hendrik Koot bij gevechten zodanig verwond dat hij overleed en op 19 februari liep een patrouille van de Ordnungspolizei in een hinderlaag in IJssalon Koco die eigenlijk bedoeld was voor NSB’ers. Als gevolg van deze en andere incidenten besloot het bezettingsbestuur tot een keiharde aanpak. Om een voorbeeld te stellen werden op 22 en 23 februari in totaal 427 Joodse mannen afgevoerd naar kamp Schoorl. Uit woede hierover, maar ook vanwege de onvrede binnen de arbeidersgemeenschap, riep de Communistische Partij van Nederland (CPN) op tot een staking op 25 en 26 februari (de Februaristaking). Aan de oproep werd zowel in de hoofdstad als in andere steden massaal gehoor gegeven. Terwijl ze de Anjerdag hadden laten gebeuren, werd er nu wel ingegrepen door de Duitsers. Stakers werden gearresteerd en er werd zelfs op hen geschoten waarbij doden vielen. Op de tweede stakingsdag werd de orde hersteld.

Twee weken na de staking verklaarde Seyss-Inquart openlijk dat er met de Joden afgerekend zou worden. “Wij zullen de Joden slaan waar wij ze raken kunnen en wie met hen meegaat, heeft de gevolgen te dragen”, zo verzekerde hij. In november 1941 belastte hij Dr. Hans Böhmcker, zijn Beauftragte in Amsterdam, met de uitvoering van “het oplossen van het Jodenvraagstuk”. De voorbereidingen en de maatregelen die hieruit voortkwamen, waren van belang voor de deportaties van de Joden die vanaf juli 1942 werden uitgevoerd. De rol van de SS bij de deportatie van de Joden vanuit Nederland was uiteindelijk groter dan die van Seyss-Inquart en zijn medewerkers. Hij hield echter voortdurend een vinger aan de pols en werd regelmatig op de hoogte gesteld van de vorderingen in het verwijderen van de Joden uit Nederland. Zonder meer stond hij ook achter het deportatiebeleid. In zijn boek “Vier Jahre in den Niederlanden” schreef hij: “De Joden zijn voor ons geen Nederlanders. Zij zijn vijanden – vijanden met wie wij noch tot een wapenstilstand, noch tot een vrede kunnen komen. […] De Führer heeft verklaard dat de Joden in Europa hun rol hebben uitgespeeld – en dus hébben ze hun rol uitgespeeld.” Uiteindelijk werden vanuit Nederland circa 107.000 Joden gedeporteerd, waarvan er slechts 5.450 de oorlog overleefden.

Na de Februaristaking bleef het geruime tijd betrekkelijk rustig in Nederland, totdat er op 29 en 30 april 1943 op veel plaatsen in Nederland opnieuw stakingen uitbraken. De aanleiding was de bekendmaking van Wehrmachtsbefehlshaber Friedrich Christiansen dat alle voormalige soldaten van het Nederlandse leger zich alsnog onmiddellijk in krijgsgevangenschap moesten begeven, zodat ze in Duitsland aan het werk gezet konden worden in de Arbeitseinsatz en tegelijkertijd Nederland ontdaan werd van weerbare mannen die zich bij de geallieerden konden aansluiten bij een mogelijke invasie. De aankondiging veroorzaakte veel onvrede en er werd vrijwel overal in Nederland gestaakt, hoewel het in Amsterdam betrekkelijk rustig bleef omdat de onderdrukking van de Februaristaking grote indruk had gemaakt. Het bezettingsbestuur trad hard op: het politiestandrecht werd afgekondigd en de stakingen werden neergeslagen met schietpartijen, willekeurige arrestaties van stakers en standrechtelijke executies. 140 Nederlanders kwamen daarbij om. Deze meedogenloze aanpak had het gewenste effect, want op 3 mei waren de meeste stakers alweer aan het werk.

Op 19 mei 1943 hield Seyss-Inquart een anderhalf uur durende toespraak in de grote fabriekshal van Stork in Hengelo. Het was een symbolische plek, want in dit bedrijf was de April/Meistaking begonnen. Volgens de Haagsche Courant hadden 7.000 mensen de bijeenkomst bijgewoond, maar in werkelijkheid waren het er veel minder. Bovendien waren van tevoren zelfs Duitse arbeiders uit het net over de grens gelegen Gronau per trein aangevoerd. De rijkscommissaris deed zich opnieuw voor als gematigd politicus en sprak de wens uit “dat [zijn] betrekkingen tot de Nederlanders niet worden geleid door de argumenten der wapenen, maar door de argumenten van verstandige overwegingen”. Hij legde uit waarom de Nederlandse soldaten zich in krijgsgevangenschap hadden moeten melden en rechtvaardigde de harde aanpak die volgens hem immers nodig was geweest om de orde en rust te laten terugkeren. De Nederlanders moesten naar zijn mening zelfs blij zijn dat het aantal slachtoffers was meegevallen en dat de Wehrmacht niet ingeschakeld was. Daarna waarschuwde hij voor de zinloosheid van een geallieerde overwinning, omdat dat “vooral de uitlevering aan het Jodendom” betekende: “[…] en dat is de zekerste weg naar het Bolsjewisme”. De Nederlanders konden beter samen met de Duitsers ten strijde trekken, “tot heil van de Führer”. De volgende dag werd een Nederlandse vertaling van zijn toespraak in de Nederlandse kranten gepubliceerd. Die kon weinig Nederlanders meer overtuigen, want inmiddels had de bezetter duidelijk haar ware gezicht laten zien. De populariteit van het bezettingsbestuur zou het laatste bezettingsjaar tot een dieptepunt dalen, vooral vanwege de zogenoemde Hongerwinter.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Razzia in de Jodenbuurt op 22 februari 1941. Opgedreven Joden op het Jonas Daniel Meijerplein in Amsterdam.
(Bron: ANP Fotoarchief)


Joodse wijk in Amsterdam.


Deportatie van Joden vanuit kamp Westerbork.
(Bron: USHMM)


Oproep voor de Arbeitseinsatz.
(Bron: Beeldbank WO2)


Een staker tijdens de April/Meistaking.
(Bron: Beeldbank WO2)

Informatie

Artikel door:
Kevin Prenger
Geplaatst op:
13-08-2008
Laatst gewijzigd:
20-08-2012
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.