Gedurende de eerste periode van de massavernietiging in Sobibor, tussen begin mei 1942 en eind juli 1942, kwamen bij benadering tussen de 90.000 en 100.000 Joden om. Het grootste deel van hen, ten minste 57.000, kwam uit getto’s en doorgangskampen in het district Lublin, de overigen werden voornamelijk gedeporteerd uit Tsjecho-Slowakije, Duitsland en Oostenrijk.
Vanaf eind juli 1942 arriveerden er gedurende twee maanden nauwelijks nog transporten aangezien er werkzaamheden werden verricht aan de spoorlijn Lublin-Chelm. Enkele kleine transporten uit nabijgelegen getto’s waren nauwelijks een belasting voor de vergassingscapaciteit, waaraan in deze “stille” periode hard werd gewerkt. Zoals eerder beschreven werd de capaciteit in deze maanden ruim verdubbeld van 600 naar 1300 personen per vergassing.
Vanaf oktober 1942 draaide de massavernietiging weer op volle toeren. Eindeloze rijen treinen arriveerden in Sobibor, soms twee of drie per dag. Ze voerden vele tienduizenden Joden aan uit het Generalgouvernement en uit het westen: Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Bohemen en Slowakije. Speciale vermelding verdienen de 19 treinen die in de periode tussen maart en juli 1943 vanuit Westerbork in totaal 34.313 Nederlandse Joden naar Sobibor hebben gebracht. Van hen zijn er een luttele duizend na aankomst niet direct vergast, maar tewerkgesteld in en rond het kamp. Achttien zijn er uiteindelijk teruggekeerd. De laatste transporten arriveerden in Sobibor in september 1943 uit de getto’s van Vilnius, Minsk en Lida.
Joden maken verreweg het grootste deel uit van degenen die in Sobibor omgebracht, maar ook Roma en niet-Joodse Polen zijn hier vermoord. Het totale aantal slachtoffers is niet exact bekend. De meest recente cijfers, gebaseerd op officiële Poolse bronnen, bevestigen eerdere schattingen en spreken over 250.000.
