Sobibor

Het kampleven

De kans op overleven was in Sobibor nagenoeg nihil. Immers, bijna allen die op de Rampe aankwamen werden direct vergast. Zelfs in Auschwitz-Birkenau, waar naar schatting 1,1 miljoen Joden zijn omgebracht, was er nog een kleine mogelijkheid om de ontberingen te doorstaan. In vernietigingskampen als Sobibor werden alleen de Arbeitsjuden korte tijd in leven gehouden.

Voor zover er sprake was van een kampleven betrof dat dus uitsluitend de circa 800 Arbeitsjuden. Ze werden na de selectie op de Rampe naar Lager I gebracht. Daar werden ze geregistreerd en in enkele barakken ondergebracht. De meesten van hen realiseerden zich op dat moment nog niet dat ze in een vernietigingskamp moesten werken. De veelgestelde vraag aan “ervaren” medegevangenen wanneer ze hun familieleden weer konden zien, werd beantwoord met de mededeling dat ze in Sobibor waren, de plaats waar Joden werden vergast. De stank was alles doordringend. De rode gloed boven de bomen in de verte voorspelde ook weinig goeds.

Ongeveer 600 gevangenen werkten in het Vorlager, Lager I en Lager II. Circa 200 gevangenen moesten in Lager III hun laatste weken slijten. De twee groepen hadden nooit contact met elkaar, ze leefden en werkten volledig gescheiden. De Arbeitsjuden buiten Lager III deden allerhande werk voor de SS zoals laarzen en kleding maken, onderhoud aan voertuigen en verzorging van dieren. Daarnaast werden ze als het ware op afstand ingeschakeld in het vernietigingsproces: het sorteren van kleding en andere bezittingen, schoonmaken van de treinen, hout hakken voor de brandstapels en het kaalscheren van de vrouwen.

De Arbeitsjuden leefden dagelijks in doodsangst. In rijen werden ze iedere dag door SS’ers en Oekraïeners van en naar het werk gemarcheerd terwijl ze werden gedwongen te zingen. Wie het waagde om uit de pas te lopen werd afgeranseld. Tijdens het avondappel werden gevangenen gestraft die tijdens het werk iets hadden gedaan wat de bewakers niet beviel. De slachtoffers moesten de zweepslagen zelf tellen en als ze dat niet luid genoeg deden of de tel verloren, begon men simpelweg weer opnieuw bij één.

Het geweld was volstrekt willekeurig. Overlevende Aizik Rottenberg herinnert zich:

“We werden voortdurend geterroriseerd. Eens stond een gevangene te praten met een Oekraïense bewaker. Een SS’er kwam voorbij en schoot hem gelijk dood. Bij een andere gelegenheid moesten we zand sjouwen om de tuin op te knappen. Karl Frenzel liep langs, trok zijn pistool en schoot de gevangene naast me dood. Waarom? Ik weet het nog steeds niet.”

In de winter van 1942 kwamen er tijdelijk minder transporten binnen. De capaciteit van het spoor werd namelijk zoveel mogelijk benut voor de aanvoer naar het oostfront, waar de Wehrmacht harde klappen te verduren kreeg. De lange tijd tussen de transporten en de afzondering van het ingesneeuwde kamp hadden hun weerslag op de SS’ers. Ze verveelden zich, raakten geïrriteerd en de Arbeitsjuden waren daarvan het slachtoffer.

SS-Scharführer Paul Groth was een extreme sadist. Hij was dikwijls in het gezelschap van zijn enorme hond Barry die was afgericht om gevangenen aan te vallen en aan stukken te scheuren. Groth werd berucht om de “spelletjes” die hij bedacht. Zo gaf hij eens vier Joden opdracht om hem als een koning rond te dragen terwijl hij brandend papier op hun hoofd gooide. Ook liet hij gevangenen als “parachutisten” met paraplu’s van daken springen. Degene die daarbij een enkel verzwikte of een been brak werd afgevoerd naar Lager III en daar doodgeschoten. Een lievelingsbezigheid van hem waren georganiseerde afranselingen: Joden moesten langs rijen Oekraïeners met zwepen spitsroeden lopen. Eens gaf hij een broodmagere gevangene opdracht om binnen enkele minuten een fles wodka op te drinken en twee pond worst te eten. Daarna trok hij de mond van de man open en urineerde hij erin. Een ander “vermaak” bestond uit het onderaan dichtbinden van de broekspijpen van een gevangene waarna boven een hongerige rat in de broek werd gegooid. Als de gevangene bewoog, werd hij doodgeschoten.

Een tijdje leek Groth minder wreed te worden. Met een transport uit Wenen kwamen drie knappe tienermeisjes in het kamp aan. Eén van hen, Ruth, werd zijn dienstmeisje en maîtresse. Hij stopte met het mishandelen van andere Joden, maar dat was van korte duur. Het was tegen de SS-voorschriften om seksueel contact met Joodse vrouwen te hebben; daarmee maakte hij immers het meesterras te schande. Terwijl hij met verlof was plaatste commandant Reichleitner hem over naar Belzec.

De lange winterdagen hadden ook hun effect op Erich Bauer. Omdat er weinig te doen was in Lager III met de verminderde aanvoer van Joden, greep Bauer naar de drank. Hij had een privébar in zijn kamer in het “zwaluwnest”. Daar moesten Joden drankjes voor hem mixen of advocaat maken. Uren bracht hij stomdronken door met voor hem een foto van zijn vrouw en kinderen en een portret van de Führer. Als een gevangene drank morste of een fles brak moest die de vloer schoonlikken.

Het werk van de Arbeitsjuden in Lager III was letterlijk gekmakend. Zij werkten namelijk midden in het vernietigingsproces. Zij moesten de lichamen uit de gaskamers halen, controleren of er nog kostbaarheden in of aan zaten en ze vervolgens begraven en (later) verbranden. Het was geen uitzondering dat ze onder de doden familie en vrienden aantroffen. Zelfmoord was een uitweg. Omdat ze op den duur niet meer in staat waren om te slapen of te eten volgde volledige uitputting. De meesten van hen gaven simpelweg op en stierven. Over hun leven en sterven is relatief weinig bekend omdat ze volledig waren geïsoleerd van de andere Arbeitsjuden in het kamp. Illustratief is het gevaar dat gevangenen liepen als ze voedselketels naar Lager III moesten brengen. Soms ging de poort naar Lager III open terwijl degenen die de ketels hadden gebracht nog niet weg waren. Zij werden dan gelijk naar binnen gejaagd en er werd niets meer van hen vernomen.

Een kok genaamd Hershel Zuckerman probeerde eens contact te leggen met de gevangenen in Lager III:

“In onze keuken kookten we soep voor Lager III en meestal haalden de Oekraïense bewakers de ketels op. Ik heb een keer een briefje verpakt in deeg in de soep gedaan met de vraag ‘Broeder, laat me in godsnaam weten wat jullie daar doen’. Het antwoord kwam vastgeplakt aan de bodem van een ketel: “Dat had je niet moeten vragen. Mensen worden hier vergast en wij moeten ze begraven”.

Tot overmaat van ramp was er in Lager III een jonge, achttienjarige kapo Franz die volstrekt ontoerekeningsvatbaar was. De vermoeidheid en de gruwelen eisten ook bij hem hun tol. Hij zag zichzelf als een SS’er en de Joden als ongedierte dat vernietigd moest worden. Net als een SS-officier droeg hij glimmende zwarte laarzen en sloeg hij er op los met een zweep.

Uit pure wanhoop hebben de Arbeitsjuden van Lager III eens geprobeerd om een tunnel naar buiten te graven. Onvermijdelijk kwam dat uit. De SS’ers selecteerden uit 100 Arbeitsjuden om en om 50 Joden en stelden ze in een rij op. Terwijl de andere 50 een romantisch Duits liedje moesten zingen, werden de 50 twee aan twee doodgeschoten.

Voor zover bekend heeft geen enkele Arbeitsjude uit Lager III Sobibor overleefd.

Tenslotte mag het kamporkest niet onvermeld blijven. In het drietal kampen van Aktion Reinhard organiseerde de SS orkestjes met de bedoeling om hun eigen dagelijkse leven op te fleuren, de gevangenen te vernederen en het gegil uit de gaskamers te overstemmen. Zo ook in Sobibor. Niet alleen was er een orkest, maar ook een gemengd koor onder leiding van de Nederlandse Moniek die daarvoor de rang van kapo kreeg. Populair was het Poolse liedje “Goralu czy ci nie zal” dat na het werk werd gespeeld en gezongen. Op weg van en naar het werk moesten ook SS-liedjes worden gezongen. Op bevel van Gustav Wagner kwam door improvisatie een liedje tot stand met de bitter ironische tekst: “Wie lustig ist da uns Leben, man tut uns zu Essen geben, wie lustig ist’s in dem grünen Wald, wo ich mich aufhalt”.

Definitielijst

Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
vernietigingskamp
Kamp waar tijdens de Tweede Wereldoorlog grote groepen mensen (voornamelijk Joden en zigeuners) door de SS werden geliquideerd door middel van vergassing. Auschwitz, Treblinka en Majdanek zijn drie voorbeelden van vernietigingskampen.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Paul Groth, de man met de hond
(Bron: www.deathcamps.org)

Informatie

Artikel door:
Robert Jan Noks
Geplaatst op:
19-01-2009
Laatst gewijzigd:
12-01-2013
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002-2013
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.