(ex RO 46)
| Bouwwerf: | J. Smit Czn. te Alblasserdam, 1933 |
| Grootste lengte: | 36,32 meter |
| Grootste breedte: | 7.21 meter |
| Waterverplaatsing: | 229 ton |
| Machinevermogen: | 500 pk |
| Maximale snelheid: | 12 knopen |
| Bemanning: | 17 koppen |
Op 2 april 1940 werd de Claesje gevorderd, verbouwd en als Hulpmijnenveger 7 in dienst gesteld. Op 14 mei 1940 kon het schip uitwijken naar Engeland. De hulpmijnenveger nam deel aan veegoperaties in Britse wateren totdat het op 4 oktober 1941 naar Nederlands West-Indië werd gestuurd om patrouillediensten te verrichten. In maart 1945 keerde het aangepaste vissersvaartuig terug naar Engeland en na de bevrijding van Nederland, op 5 mei van dat jaar, kwam het naar huis. De commandanten waren achtereenvolgens: LTZ 2 A.A. Oepkes, LTZ 1 B.C. Mahieu, LTZ 2 L.W.C. Gerlach, LTZ 2 A. Wolters en LTZ 2 G.A. Dilweg. In 1946 is de trawler teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaar.
Hr. Ms. Dirkje (HMV 8, 8A, FY 1745)(ex RO 53)
| Bouwwerf: | J. Smit Czn. te Alblasserdam, 1933 |
| Grootste lengte: | 35,99 meter |
| Grootste breedte: | 7.16 meter |
| Waterverplaatsing: | 234 ton |
| Machinevermogen: | 500 pk |
| Maximale snelheid: | 12 knopen |
| Bemanning: | 17 koppen |
De Dirkje werd op 28 maart 1940 gevorderd. Na enige aanpassingen werd de trawler in dienst gesteld als Hulpmijnenveger 8. Op 14 mei 1940 ontkwam het schip naar Engeland waar het onder commandant LTZ 2 H.A.C. Wiedeman deelnam aan veegoperaties in Britse wateren. Al op 2 augustus van datzelfde jaar werd het commando overgenomen door LTZ 1 J.W.C. Calten Houwing. Op 3 december 1941 werd de hulpmijnenveger naar Nederlands West-Indië gestuurd om te fungeren als patrouillevaartuig. Samen met Hr. Ms. Claesje keerde het schip in maart 1945 terug in Engeland en na de bevrijding in Nederland. In december 1945 werd het vissersschip teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar.
Hr. Ms. Dolfijn (9D, FY 1761)(ex IJM 103)
| Bouwwerf: | De Vooruitgang te Alphen aan de Rijn, 1920 |
| Grootste lengte: | 32,36 meter |
| Grootste breedte: | 6,33 meter |
| Waterverplaatsing: | 168 ton |
| Machinevermogen: | 250 pk |
| Maximale snelheid: | 11 knopen |
| Bemanning: | 15 koppen |
De Dolfijn ontkwam naar Engeland en werd daar begin 1941 gevorderd. Nadat het schip in Milford Haven was omgebouwd tot hulpmijnenveger werd het schip in dienst gesteld in Liverpool om van daaruit deel te nemen aan mijnenveegoperaties in Britse wateren. Toen de Koninklijke Marine op 7 november 1942 de Britse onderzeeboot HMS P47 overnam en in dienst stelde als Hr. Ms. Dolfijn werd de hulpmijnenveger herdoopt in Hr. Ms. Goeree. Op 20 februari 1944 werd het schip uit dienst gesteld en uitgeleend aan de Royal Navy die het als HMS Jude weer in gebruik nam. In 1945 is de trawler teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar.
Hr. Ms. En Avant (BV 42, 7A, FY 1743)(ex IJM 8, Kasai, Narval, Vonolel)
| Bouwwerf: | Cochrane & Sons, Selby, Groot-Brittannië, 1911 |
| Grootste lengte: | 39,65 meter |
| Grootste breedte: | 6,73 meter |
| Waterverplaatsing: | 264 ton |
| Machinevermogen: | 350 pk |
| Maximale snelheid: | 11 knopen |
| Bemanning: | 15 koppen |
| Bewapening: | 1 x 7,5cm kanon |
De En Avant werd op 26 september 1939 gevorderd. Het schip werd aangepast en in dienst gesteld als bewakingsvaartuig Hr. Ms. BV 42. In mei 1940 kon de trawler ontkomen naar Engeland waar het schip te Milford Haven omgebouwd tot hulpmijnenveger, door commandant LTZ 3 A. Bruining in dienst werd gesteld. In de jaren daarna nam het schip deel aan veegoperaties in de wateren rond Groot-Brittannië. Op 5 mei 1943 werd de vissersboot uit dienst gesteld en overgedragen aan de Britse marine. In 1945 ging het vaartuig terug naar de eigenaar. In 1951 werd de En Avant voor sloop verkocht.
Hr. Ms. Eveline (6A, FY 1756)(ex IJM 115, Nahe, Margarete, Ludwig)
| Bouwwerf: | G. Seebeck te Geestemünde, Duitsland, 1912 |
| Grootste lengte: | 37,97 meter |
| Grootste breedte: | 6,86 meter |
| Waterverplaatsing: | 206 ton |
| Machinevermogen: | 320 pk |
| Maximale snelheid: | 11 knopen |
| Bemanning: | 15 koppen |
De Eveline werd in 1940 gevorderd en in Falmouth, Engeland, omgebouwd tot hulpmijnenveger. De aangepaste trawler nam deel aan veegoperaties in Britse wateren. Op 27 januari 1942 kwam het schip in de baai van Milford Haven, Wales, in aanvaring met de Britse mijnenveger HMS Shera en zonk. Eén van de bemanningsleden raakte hierbij vermist. De commandanten van de Eveline waren LTZ 2 A.P. Klercq, LTZ 2 J.H.C. Vermeer en LTZ 3 D. Auer.
Hr. Ms. Ewald (6D, FY 1733)(ex IJM 48, Lord Palmerston, Tenby)
| Bouwwerf: | Smith`s Dock Co. Ltd. te Middlesborough, Groot-Brittannië, 1913 |
| Grootste lengte: | 35,76 meter |
| Grootste breedte: | 6,71 meter |
| Waterverplaatsing: | 209 ton |
| Machinevermogen: | 420 pk |
| Maximale snelheid: | 11 knopen |
| Bemanning: | 15 koppen |
| Bewapening: | 2 x 12,7mm, 2 x 7,7mm mitrailleurs |
De Ewald werd op 4 september 1939 gevorderd, verbouwd en in dienst gesteld als Boeienschip 2. Het schip kon in mei 1940 ontkomen naar Engeland en werd te Falmouth ingericht als hulpmijnenveger. Op 15 oktober 1940 werd het schip door commandant LTZ 3 A. Bruining in dienst gesteld. De aangepaste trawler deed dienst in Britse wateren tot het op 21 april 1943 uit dienst gesteld en overgedragen werd aan de Britse marine. In 1945 is het schip teruggegaan naar de oorspronkelijke eigenaar.
Hr. Ms. Gerberdina Johanna (5B, FY 1779)(ex IJM 38, Jenny Elsa, Fuji)
| Bouwwerf: | Smith`s Dock Co. Ltd. te Middlesborough, Groot-Brittannië, 1912 |
| Grootste lengte: | 38,1 meter |
| Grootste breedte: | 7,01 meter |
| Waterverplaatsing: | 255 ton |
| Machinevermogen: | 470 pk |
| Maximale snelheid: | 12 knopen |
| Bemanning: | 15 koppen |
| Bewapening: | 2 x 7,7mm mitrailleurs |
De Gerberdina Johanna werd in mei 1940 gevorderd in Engeland en te Falmouth omgebouwd tot hulpmijnenveger. In juni stelde commandant LTZ 2 F.B. van de Brinkhof het schip in dienst. Al op 21 juli nam LTZ 1 B.C. Mahieu het commando over die op zijn beurt al weer op 2 augustus werd afgelost door LTZ 2 W.H. Elink Schuurman. De aangepaste trawler veegde mijnen rond Groot-Brittannië totdat het in 1944 ingericht werd als transportschip voor de mijnendienst. In het voorjaar van 1946 deed het vissersvaartuig dienst als moederschip voor een flottielje mijnenvegers. Op 1 januari 1947 werd het schip teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar: N.V. Visserij Mij. De Vem te IJmuiden.
Hr. Ms. Hercules (5D, FY 1731)(ex IJM 196, Marshall Ovana)
| Bouwwerf: | Earle Shipbuilding Co. te Hull, Engeland, 1905 |
| Grootste lengte: | 39,62 meter |
| Grootste breedte: | 6,7 meter |
| Waterverplaatsing: | 255 ton |
| Machinevermogen: | 425 pk |
| Maximale snelheid: | 11 knopen |
| Bemanning: | 15 koppen |
De trawler werd in 1940 in Engeland gevorderd en te Falmouth ingericht als hulpmijnenveger. Op 20 oktober stelde commandant LTZ 2 A.P. de Klercq het schip in dienst. Na slechts twee jaar deel te hebben genomen aan mijnenveegoperaties werd het schip uit dienst gesteld en teruggegeven aan haar rechtmatige eigenaar. Haar ouderdom en de daaropvolgende gebreken en gebrek aan reserveonderdelen waren de belangrijkste redenen voor de vervroegde afstoting.
Hr. Ms. Hollandia (HMV 4, RS 7, A847)(ex IJM 78)
| Bouwwerf: | Unterweser te Wesermünde, Duitsland, 1917 |
| Grootste lengte: | 26,84 meter |
| Grootste breedte: | 6,1 meter |
| Waterverplaatsing: | 220 ton |
| Machinevermogen: | 400 pk |
| Maximale snelheid: | 11 knopen |
| Bemanning: | 15 koppen |
| Bewapening: | 2 x 12,7mm mitrailleurs |
Dit vissersvaartuig werd op 29 augustus gevorderd en ingericht als hulpmijnenveger. Op 12 september van dat jaar werd het schip als Hulpmijnenveger 4 door commandant LTZ 2 J. van de Plas in dienst gesteld. Het schip kon tijdens de Duitse inval niet ontkomen en viel op 15 mei 1940 in Duitse handen. Na de oorlog werd het schip teruggevonden en door de marine gebruikt als sleepboot met het naamsein RS 7 en vanaf 1950 A847.
Hr. Ms. Isabel (9C, FY 896)(ex IJM 14)
| Bouwwerf: | Mackie & Thompson te Glasgow, Schotland, 1906 |
| Grootste lengte: | 33,22 meter |
| Grootste breedte: | 6,5 meter |
| Waterverplaatsing: | 166 ton |
| Machinevermogen: | 350 pk |
| Maximale snelheid: | 10,5 knopen |
| Bemanning: | 15 koppen |
| Bewapening: | 4 x 7,7mm mitrailleurs |
De Isabel werd in het voorjaar van 1941 in Engeland gevorderd en in Milford Haven omgebouwd tot hulpmijnenveger. Op 15 juli 1941 werd het schip als zodanig door commandant LTZ 2 E.G. Serlé in dienst gesteld te Birkenhead. De aangepaste trawler veegde mijnen rond Groot-Brittannië totdat het op 10 januari 1944 overgedragen werd aan de Royal Navy.
Hr. Ms. Jaqueline Clasine (7B, FY 1783)(ex IJM 10, Persia)
| Bouwwerf: | Smith`s Dock Co. Ltd. Middlesborough, Groot-Brittannië, 1906 |
| Grootste lengte: | 35,76 meter |
| Grootste breedte: | 6,53 meter |
| Waterverplaatsing: | 206 ton |
| Machinevermogen: | 360 pk |
| Maximale snelheid: | 10,5 knopen |
| Bemanning: | 15 koppen |
| Bewapening: | 4 x 7,7mm mitrailleurs |
Dit vissersvaartuig werd in mei 1940 in Engeland gevorderd en in Rosyth, Schotland, verbouwd tot hulpmijnenveger en op 2 augustus in dienst gesteld door commandant LTZ 2 J.N.B. Bijleveld waarna het schip mijnen veegde in Britse wateren. Op 1 juni 1941 werd het commando overgenomen door LTZ 1 S.E. Schipper en op 20 oktober van datzelfde jaar door opperschipper F.W. Gerritsen. Op 17 maart 1943 werd het schip uit dienst gesteld en overgedragen aan de Britse marine. Na de oorlog werd het schip teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar.




