Radiotoespraken Koningin Wilhelmina

Radiotoespraak Koningin Wilhelmina (25-05-1940)

In dit onmetelijk ernstige ogenblik in de geschiedenis der mensheid is een zwarte, zwijgende nacht gedaald over weer een deel der aarde. Boven het vrije Nederland zijn de lichten gedoofd; de raderen der industrie en de ploegen op de akkers, die slechts voor het geluk van een vredelievend volk werkten, staan ineens stil of worden misbruikt door een doodbrengende veroveraar; de stemmen van vrijheid, naastenliefde, verdraagzaamheid en godsdienst zijn tot zwijgen gebracht. Waar nog twee weken geleden een vrij volk van mannen en vrouwen bestond, die in de zorgvuldig gehandhaafde tradities der christelijke beschaving werden gevoed, waar een volk leefde, dat zelf de historische bron van vele door alle weldenkende mensen vereerde waarden en idealen was, heerst nu verwoesting des doods, slechts onderbroken door het bitter geween van hen, die de dood der hunnen en de brute vernietiging van hun rechten en vrijheden hebben overleefd.

Alleen de hoop leeft nog tussen de rokende puinhopen, de hoop en het geloof van een godvruchtig volk, dat door geen menselijk geweld, hoe verdorven ook, te gronde kan gaan; geloof aan de alles te boven gaande macht der goddelijke gerechtigheid, geloof, dat door de fiere herinnering aan vroegere, manhaftig gedragen en uiteindelijke met succes doorstane beproevingen wordt gesterkt; geloof, dat is verankerd in de rotsvaste overtuiging dat een onrecht, zoals het volk van Nederland heeft ondergaan, niet blijvend kan zijn. Maar al hoopt het volk van Nederland ook op uiteindelijke bevrijding, die niet kan uitblijven, en al klampt het zich daaraan vast, het is uiterst moeilijk in dit geloof stand te houden, want in stilte moet Nederland hopen en in stilte geloven. Het heeft niet de troost van een geloof, dat met openlijk belijdt, niet de zielversterkende verkwikking van een in het openbaar met anderen gedeelde en verkondigde verwachting. Onderdrukt, bedreigd van alle kanten, bewaakt door een macht, die alle hoop uit de menselijke ziel zou willen rukken, kan het slechts in de stilte van een bezwaard hart bidden. Zijn stem, die de eeuwen door het evangelie van Christus hielp uitdragen en die zich verhief voor vrijheid, verdraagzaamheid, geestelijke moed en voor menselijke waardigheid, kortom voor alles, wat waarde geeft aan het leven van de mens op aarde, aan deze stem is nu het zwijgen opgelegd.

Zo was het vier eeuwen geleden, toen de godsdienstvrijheid op het spel stond. De wereld weet, hoe het volk van Nederland toen zijn stem herwonnen heeft. Zo zal het wederom gaan. Maar tot de nieuwe dageraad jubelend aanbreekt, zal ook deze laatste bitterheid aan dit volk niet bespaard blijven, dat het de vlam van zijn hoop levend moet houden in de doodse stilte van een nacht, waaruit geen stem en geen lichtstraal naar buiten komt.

Omdat de stem van Nederland niet stom kan blijven, neen in deze dagen van verschrikkelijke beproeving niet gesmoord mag blijven, heb ik ten laatste het besluit genomen het symbool van mijn natie, zoals dit in mijn persoon en in de regering is belichaamd, over te brengen naar een plaats, waar het kan voortwerken als een levende kracht die zich kan doen horen. In dit uur van universeel lijden zal ik niet spreken over folterende strijd, welke deze beslissing berokkend heeft aan het hart van een vrouw, die weinig meer dan een jaar geleden tot in het diepst van haar ziel geroerd is door de algemene afhankelijkheid van een warmvoelend volk dat het jubileum vierde van een koningin en een vrouw, die gedurende veertig jaar gepoogd heeft haar volk te dienen, zoals zij getracht heeft het te dienen op de dag dier ingrijpende beslissing en zoals zij zal trachten het te dienen tot haar laatste ademtocht.

Ik zal alleen spreken over redenen, welke mij uiteindelijk hebben doen beslissen zoals ik dat deed. Nuchtere en gewichtige redenen streden tegen het natuurlijke gevoel, dat mij en de mijnen drong om te blijven en met mijn ongelukkige volk te lijden, wat het lijden moest. Plannen, op de invaller gevonden op de eerste dag van zijn baldadige overval en bevestigd door de actie van zijn parachutetroepen, brachten spoedig aan het licht, dat zijn eerste doel was de Koninklijke familie en de regering gevangen te nemen, teneinde op deze wijze het land lam te leggen door het te beroven van elke leiding en elke wettige autoriteit. Toen kort daarna de waarschijnlijkheid onder de ogen moest worden gezien, dat de verraderlijke methoden, door de vijand gebruikt, er tenslotte toe zouden leiden, dat de dappere weerstand der Nederlandse strijdkrachten ondermijnd werd, kon de beslissing niet langer worden uitgesteld.

Als het gezag zijn spontane drang volgend - wat waarlijk zij, die zoals wij, deze dagen hebben beleefd, weten dat het niet ging om persoonlijk lijfsbehoud of persoonlijke vrijheid- gebleven zou zijn, zou de stem van Nederland, hét symbool van Nederland, van de aardbodem verdwenen zijn.

Er zou slechts een herinnering blijven, een herinnering, welke wellicht spoedig zou vervagen in deze wereldschokkende tijden, waarin de gedachtenis van gisteren vergetelheid van heden is. Een hulpeloze sombere stilte had zich dan over ons eens zo gelukkig land gespreid, waarvan de bewoners niet eens de hoopvolle gedachte meer zouden bezitten, dat een koningin en een regering daar voor een wederopstanding strijden, waar die strijd nog mogelijk is. Er was echter nog meer. Het eigenlijke Holland mocht voor het ogenblik verloren zijn, maar toen deze kritieke beslissingen genomen moesten worden, bestond de hoop, dat één provincie in het zuiden nog enige weerstand zou kunnen bieden. Mijn vloot met zijn glorierijke tradities was nog onaangetast, gereed om deel te nemen aan de strijd, waar dat ook nodig mocht zijn en, het belangrijkst van alles: er bleef een vrij Rijk, verspreid over de ganse oppervlakte van de aardbol, een Rijk, dat 65 miljoen inwoners telt en dat een deel vormt van die natie van vrije mensen, die niet zal en die niet kan verdwijnen van de aarde.

Moest dit alles losgeslagen worden op een woest bruisende zee zonder leiding of gezag? Plicht, verantwoordelijkheid en verziend staatsmansbeleid zeiden anders.

Teneinde de stem en het symbool van Nederland levend te houden, als een bezieling en verzamelpunt voor de mannen van ons leger, onze vloot en de talloze onderdanen van ons imperium – neen, Nederlandse mannen en vrouwen over de gehele wereld, die bereid zijn alles te offeren voor de wederopstanding van het innig geliefde moederland;
Teneinde de banier ontplooid te houden, ongezien en toch altijd aanwezig ter wille van hen, die hun stem verloren hebben, maar niet hun hoop en niet hun uitzicht;
Teneinde namens Holland te spreken tot de wereld, niet om te pleiten voor het recht van zijn zaak, die immers geen pleidooi behoeft in de ogen van eerlijke mannen, noch over de onuitsprekelijke verschrikkingen en de minderwaardige trucs uitgespeeld tegen het dappere leger en de onschuldige bevolking, maar om te spreken over de waarden, de idealen, de christelijke beschaving, welke Nederland aan de zijde van zijn bondgenoten helpt verdedigen tegen de overval van het barbarendom;
Teneinde trouwe te blijven aan de leuze van het Huis van Oranje van Nederland, van dat ganse geweldige deel der wereld, voor wat kostbaarder is dan leven:

zal ik handhaven – Je maintiendrai.

Pagina navigatie

Informatie

Geplaatst door:
Redactie Go2War2.nl
Geplaatst op:
04-01-2012
Laatst gewijzigd:
13-12-2012
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002-2013
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies en disclaimer.