De Marder-serie was gebaseerd op verouderde onderstellen van Duitse en buitgemaakte tanks waar dan een groot kanon op gemonteerd werd, al dan niet Duits of eveneens buitgemaakt. Er moet bij vermeld worden dat deze pantservoertuigen niet over een roterende geschutskoepel beschikten. Er was grote behoefte aan deze voertuigen aan het oostfront, want de Duitse middelzware gevechtstanks waren niet opgewassen tegen de Sovjettanks KV-1 en T-34/76. Om de kloof te overbruggen voordat de betere en zwaardere Duitse tanks, zoals de PzKpfw IVF2s, de PzKpfw V Panther en de PzKpfw VI Tiger op het slagveld verschenen, werd er dus op deze manier een tussenoplossing gevonden. De Marder-serie had wel een groot nadeel. Door de open opbouw werd de bemanning blootgesteld aan vijandelijk infanterie- en artillerievuur.
Bij de Marder I werden de onderstellen van buitgemaakte Franse tanks voorzien van een 75mm PAK anti-tankkanon. Bij de Marder II werd een verouderd onderstel gebruikt van de PzKpfw II, waarop óf een 75mm kanon óf een op de Sovjets buitgemaakt 76,2mm kanon werd gemonteerd. Bij de Marder III werd tenslotte het onderstel van de Tsjechische Panzer 38 (t) gebruikt. Op dit chassis werden verschillende kannonnen gemonteerd. Daarom is er ook een onderscheid tussen de verschillende types.
Door de goede prestaties kreeg de Marder III ook nog een opvolger, namelijk de Hetzer, waar opnieuw het onderstel van de PzKpfw (38)t gebruikt werd. Deze had als zeer belangrijke verbetering een dichte behuizing, zoadat de bemanning niet meer blootgesteld werd aan vijandelijk infanterie- en artillerievuur.
