Executies in de bossen van Norg

Vondst massagraven

De locaties

Aan de Voorsteweg, in het gebied de Oosterduinen, tussen Norg en Donderen, staat een monument op de plaats waar de fusillade heeft plaatsgevonden.

Het monument in het gebied genaamd Bonhagen, aan de Oude Asserstraat staat daarentegen een behoorlijk eind van de fusilladeplaats af. Het kaartje geeft aan dat het monument in de punt van het bosje staat, welke het dichtst bij het dorp Norg is gesitueerd. De plaats waar de fusillade plaats vond bevindt zich echter geheel aan de andere zijde van het bos.

Op beide plaatsen is in december 2013 gekeken of er nog sporen te vinden waren, bijvoorbeeld in de vorm van hulzen of kogelpunten, die de exactheid van de plaatsen zouden bevestigen. Hierbij werden op de locatie aan de Oude Asserstraat twee identieke hulzen gevonden. Op het bodemstempel staat 6.5 x 57 RWS, wat staat voor Rheinisch-Westfälische Sprengstoff-Fabriken. Experts hebben de hulzen bekeken, om te bepalen of er mogelijk een relatie kon zijn tussen de hulzen en de fusillade. Het bedrijf RWS had vanaf 1938 al rws in het bodemstempel staan. Qua aanvang van productie zou een relatie dus mogelijk zijn. Het bodemstempel op de twee hulzen is echter gebruikt voor kogelgeweermunitie die voor civiel gebruik werd geproduceerd. Mogelijk hebben de hulzen dus niet met de fusillade te maken. Het kan ook zijn dat ze er door een reeënjager zijn achtergelaten.

Betrokkenen bij de vondst van de massagraven

Hieronder staan de verhalen van mensen opgetekend die betrokken waren bij de gebeurtenissen rond de massagraven. Dat geeft een beeld van hetgeen destijds heeft plaatsvonden.

Geert Eleveld

Op zondagmorgen 8 april 1945 fietste Geert Eleveld van Bonhagen naar zijn broer die aan de Norgervaart woonde. Hij was van plan daar tarwe te gaan halen. Terwijl Eleveld over het zandpad langs het Stokersbos fietste, werd hij staande gehouden door een landwachter, die hij herkende als Pieter Drent uit het naburig gelegen Donderen. Een andere man, van wie Eleveld weet dat hij een evacué uit Limburg was, werd eveneens staande gehouden. Beide mannen werden door de landwachter met een revolver bedreigd en moesten hun zakken leeghalen. Ook vroeg hij hen wat ze op dat moment op die plaats te zoeken hadden. Vervolgens werden ze meegenomen naar een verderop staande man, die Eleveld omschrijft als ‘Duitser’.

Eleveld zag dan een groep ‘Duitsers’, die aan het schieten waren. Hij omschrijft dat de mannen schuin naar beneden schoten. Destijds bestond het terrein waar de mannen schoten, uit ruige heide en jonge boompjes. Tevens waren er hoogteverschillen in het terrein. Waarop de mannen schoten kon Eleveld niet zien. Ook de Duitser vroeg wat ze daar te zoeken hadden. Nadat ze hierover uitleg gaven, mochten ze vertrekken, waarna ze zich snel uit de voeten maakten.

Later op de dag is Eleveld alsnog naar zijn broer aan de Norgervaart gegaan. Zijn broer was verbaasd, dat Eleveld hem kwam bezoeken. Er waren namelijk gevechten geweest in het Norgervaartsebos tussen Amherst-parachutisten die daar ’s nachts geland waren en Duitsers, die geholpen werden door landwachters. Eleveld had daar niets van meegekregen en kon ongehinderd weer terugkeren naar zijn woning in Bonhagen.

Op de plaats waar de Duitsers aan het schieten waren, is later het massagraf ontdekt. Zonder het op dat moment te beseffen, lijkt Eleveld getuige te zijn geweest van de executies bij Bonhagen. Eleveld gaf aan ervan overtuigd te zijn dat hij destijds op het nippertje aan de dood is ontsnapt. Hij was tijdens zijn staandehouding op de verkeerde tijd, op de verkeerde plaats.

Bron: Het gespreksverslag dat Habing maakte nav het gesprek dat tussen hem en Eleveld in september 1982 plaatsvond.

Een kanttekening die bij de verklaring van Eleveld kan worden geplaatst is dat genoemde Pieter Drent in zijn naoorlogse verhoor door de politie verklaarde dat hij onderdeel van het vuurpeloton was en deelnam aan de fusillade. Dit komt niet overeen met de verklaring van Eleveld, die bij Drent stond, terwijl er verderop werd geschoten. Drent verklaarde ook dat mededader Schmidt (vermoedelijk ‘de Duitser’) vond dat Eleveld en de evacué moesten worden doodgeschoten. Drent, die Eleveld kende, heeft daarop tegen de Duitser gezegd dat Eleveld niets gezien kon hebben. Hij wist Schmidt te overtuigen de twee levens te sparen.

Nadat de leden van het vuurpeloton hun vernietigende werk hadden gedaan zijn enkele leden, waaronder Drent, op strategische punten gaan staan. Dit om voorbijgangers tegen te houden, om te voorkomen dat iemand de gruweldaad zou opmerken. Op dat moment hielden de anderen zich bezig met het begraven van de slachtoffers. Door de daders is nadat er mensen werden staandegehouden zelfs een soort toneelspel opgevoerd, waarbij ze in de lucht en de grond schoten, om hun verzonnen verhaal dat ze schietoefeningen hielden, kracht bij te zetten. Het blijft de vraag waarom Eleveld, die dichtbij woonde en op fiets was, de fusillade die dus voor zijn staandehouding had plaatsgevonden niet gehoord heeft.

Johannes Henderikus Geurts

Geurts en zijn zwager Pieter Jacobus Heijnen woonden in verband met het oorlogsgeweld in Limburg, vanaf midden 1944 tot en met mei 1945 als evacués in Norg. Beiden waren ondergebracht bij het gezin van Derk Mulder en woonden in hun bakkerij aan het Oosteind 16.

Op zondagochtend 8 april 1945 wilden Geurts en Heijnen gaan stropen in de omgeving. Zij versliepen zich echter en besloten daarom eerst de kerkdienst te gaan bijwonen. Toen zij daarvan terugkwamen hoorden zij van Mulder dat de Duitsers in de bossen onder Peest, een dorp enkele kilometers ten zuidoosten van Norg, hadden geoefend. Er waren vele schoten gehoord.

In de namiddag van 8 april 1945 besloten ze de bossen bij Peest in te gaan. In een perceel kreupelbos aan de Oude Asserweg ontdekten zij verse graafplaatsen. Aanvankelijk dachten zij dat dit het werk was geweest van spelende kinderen. Na terugkomst vertelde Mulder hen dat er de afgelopen nacht parachutisten waren geland, ook in de bossen bij Peest.

Door dit verhaal dachten Geurts en Heijnen dat de verse graafsporen mogelijk met de parachutisten te maken konden hebben. Er zouden bijvoorbeeld parachutes begraven kunnen zijn. Om dit te bekijken gingen ze op maandag 9 april 1945 terug naar de plaats en begonnen daar te graven.

Tot hun ontsteltenis ontdekten ze dat er mensen waren begraven. Hun ontdekking vertelden ze aan Mulder, die zijn vader op de hoogte stelde, die destijds werkzaam was als ambtenaar ter secretarie van de gemeente Norg. Burgemeester Pelinck werd door hem ingelicht, die maatregelen nam en in overleg trad met de plaatselijke politie.

Wachtmeester der Marechaussee Kooijmans nam de zaak op zich. Hij verzocht Geurts en Heijnen de plaats aan te wijzen. Gezien de bevindingdatum op de overlijdensakten heeft dit vermoedelijk op 10 april 1945 plaatsgevonden. Door gemeentemedewerkers H. Auwema en M. Braam werden op aanwijzen van Geurts en Heijnen op vier plaatsen graven blootgelegd. In de graven bevonden zich respectievelijk 1, 2, 3 en 5 slachtoffers.

Bron: Het door Habing opgemaakte verslag van het gesprek dat hij op 23 juni 1983 voerde met Geurts en dat plaats vond tijdens een bezoek aan de plaatsen waar de massagraven zich in de Oosterduinen en Bonhagen hadden bevonden.

Willem Kooijmans

Kooijmans was gedurende de periode van 1943 tot midden 1945 wachtmeester der Marechaussee in Norg. In de genoemde periode is Kooijmans meerdere keren belast geweest met de afhandeling van meldingen van door de bezetter gefusilleerde personen. Een van deze meldingen betrof de graven bij Bonhagen.

Burgemeester Pelinck gaf Kooijmans op 9 april 1945 de opdracht een onderzoek in te stellen. Pelinck gaf aan dat het verstandig zou zijn te wachten met het onderzoek tot na de bevrijding, die niet lang meer op zich zou laten wachten. Door het onderzoek direct te doen, zou de bezetter zich op hun daden betrapt kunnen voelen. Mogelijk zouden er dan represailles volgen. Kooijmans was zich bewust van de risico’s, maar vond desondanks dat het onderzoek direct moest plaatsvinden, omdat wettelijke voorschriften dit vereisten.

Ondanks dat hier niets over terug te vinden is, heeft het overleg tussen de burgemeester en Kooijmans er dus toe geleid dat er toch direct is aangevangen met het opgraven van de slachtoffers in het bos. Zowel burgemeester Pelinck als Kooijmans ging aan de slag om te organiseren dat de slachtoffers naar Norg gebracht konden worden. Elf slachtoffers werden op 9 april 1945 geborgen en Kooijmans maakte van elk een proces-verbaal van bevindingen op.

Bron: Het gespreksverslag dat Habing opmaakte naar aanleiding van het gesprek dat hij op 3 juni 1982 met Kooijmans voerde.

Jans Mulder en Jente Venema

Mulder en zijn schoonvader molenaar Venema zaten op 9 april 1945 ’s avonds in de kamer toen een politieman op de deur bonsde. De politieman zei; ‘Jent, je moet direct meekomen, er ligt een lijk aan de Peesterstraat’. Mulder en Venema gingen mee en troffen een slordig toegedekt graf aan waar twee schoenpunten uit staken. Nadat Mulder met zijn hand een beetje aarde had weggeveegd ontdekte hij tot zijn grote schrik dat er verschillende lijken lagen. Mulder is vervolgens naar Norg gegaan om in de garage van Hotel Elzinga stro neer te leggen, waarop de lijken neergelegd konden worden. Toen hij daarmee klaar was, kwam zijn schoonvader er al met paard en wagen aan, waarop de eerste vijf lichamen lagen. Er zouden er meer volgen. Mulder vertelde dat zijn schoonvader het overbrengen van de lichamen lopende naast de wagen deed. Plaats nemen op de wagen naast de overledenen, dat deed hij niet, dat vond hij niet respectvol.

Bron: Het in 1988 door Jan Wieringa in het Nieuwsblad van het Noorden opgetekende relaas van Jans Mulder.

Aaltje Elsinga – van Esch

In april 1945 exploiteerde het gezin Elsinga een hotel aan het Westeinde te Norg. Door burgemeester Pelinck werd op 10 april 1945 een beroep gedaan op mevrouw Elsinga. Hij vroeg haar of zij een garage wilde afstaan, om opgegraven gefusilleerde slachtoffers onder te brengen. Elsinga stemde hiermee in en kort daarop werden er al slachtoffers door molenaar Venema met zijn paard en wagen naar de garage gebracht. Begrafenisondernemer Gamelkoorn was destijds vanuit Arnhem in Norg gekomen als evacué. Door hem werden de naar de garage gebrachte slachtoffers met toewijding afgelegd.

Mevrouw Elsinga vertelde dat wachtmeester Kooijmans in die tijd veel en goed werk heeft verricht voor de bevolking van Norg, maar ook voor onderduikers. Ze omschrijft Norg, mede door de aanwezigheid van de bloedploeg, aan het einde van de oorlog als een gevaarlijk oord. Het gebeuren maakte grote indruk op mevrouw Elzinga. Zij vertelde de garage lange tijd nadien nog slechts met moeite betreden te hebben.

Bron: Het door Habing gemaakte verslag van het gesprek dat op 15 september 1983 tussen hem en mevrouw Elsinga, destijds wonende aan het Westeinde 7 te Norg, plaatsvond.

Bouwe van Dam

Van Dam woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de Peesterstraat 14 te Norg. Hij had een boerenbedrijf met landerijen in de Roeghoorn, gelegen aan de Oosterduinen te Norg. Bij toeval ontdekte hij op 10 april 1945 dat er in een gedeelte van een bos aan de Voorsteweg was gegraven. Hem was bekend dat een dag daarvoor in Bonhagen een massagraf was ontdekt, waardoor hij vermoedde dat hier mogelijk hetzelfde aan de hand was. Hij waarschuwde dezelfde dag nog burgemeester Pelinck. In de avond ging Van Dam met Pelinck terug naar de plek, waar zij begonnen met graven. Toen ze hadden vastgesteld dat er inderdaad mensen begraven lagen, stopten zij met graven. Er moest wederom georganiseerd worden om ook hier alle slachtoffers op te graven en naar Norg te brengen.

De volgende dag, op 11 april 1945, werd onder leiding van burgemeester Pelinck het graven hervat. Bouwe van Dam en zijn knecht Auke Nieman waren hierbij aanwezig. Politieman Haandrikman, gemeentemedewerkers Auwema en Braam, Harm Voortman en molenaar Jente Venema waren eveneens aanwezig. De lichamen van tien mannen werden er aangetroffen. Twee van hen werden in een ouder graf, nabij het recente graf aangetroffen. Venema bracht alle mannen naar de garage van de coöperatieve zuivelfabriek Norg aan de Eenerstraat.

Bron: Het door Habing opgemaakte verslag van het gesprek dat hij met Van Dam voerde.

Jans Kruize

Kruize was nauw betrokken bij de verwikkelingen rond de slachtoffers, die afkomstig waren uit beide massagraven. Hij regelde 21 lijkkisten via zijn schoonvader Siebren Woudstra, die als werkmeester op de houtbewerkingafdeling van de gevangenis te Veenhuizen werkzaam was. Dat de kisten gemaakt waren van ruw vurenhout, een niet echt edele houtsoort, stak hem. Verontschuldigend vertelde hij destijds: ‘Het was oorlog, beter hout was helaas niet voorhanden’. In de kisten sneed Kruize een nummer uit, dat correspondeerde met het nummer dat op de door hem genomen foto van het slachtoffer stond. Ook werd een van koperdraad gevormd nummer op de kist bevestigd, om te waarborgen dat ook na lange tijd onder de grond het nummer zichtbaar zou blijven. Destijds had men geen idee hoelang de identificatie van de slachtoffers op zich zou laten wachten. Het gebruikte koperdraad was afkomstig van een bij Norg neergestort vliegtuig.

Voor het fotograferen werden de slachtoffers zo goed mogelijk weer schoongemaakt en werden kogelwonden bedekt. Daarna maakte Kruize op een zo respectvol mogelijke manier een foto van hen ten behoeve van de latere identificatie. De eigendommen van een slachtoffer werden voorzien van hetzelfde nummer als op de kist en de foto. Na de bevrijding is deze nauwkeurige manier van vastleggen van groot belang geweest bij de identificatie van de slachtoffers.

Kruize vertelde over familieleden van vermiste personen die de foto’s en kleding kwamen bekijken, omdat mogelijk één van hun geliefden onder de doden kon zijn. Op één man na werden de slachtoffers redelijk snel geïdentificeerd. De laatste identificatie liet even op zich wachten, tot een vrouw zich geruime tijd na de bevrijding meldde. Zij pakte uit de bezittingen van die laatste man een sok en zei zonder twijfel; ‘Het is mijn zoon, deze sok heb ik voor hem gebreid’. Tijdens deze woorden, liepen tranen over de wangen van Kruize. Het voorval van de vrouw die haar zoon terugvond had hem duidelijk erg aangegrepen. Het verhaal afsluitend zei Kruize "ze kwamen allen weer thuis". Een voor hem troostgevende zin, die weergeeft hoe belangrijk hij het vond dat de mannen weer teruggebracht konden worden bij hun familie, zodat voor hen de onzekerheid ophield en het rouwen kon beginnen.

Bron: Het verslag van het gesprek tussen Habing en Kruize, destijds wonende aan de Boslaan 1 te Norg, dat op 26 november 1982 plaatsvond en gesprekken tussen de auteur en Kruize, die zijn grootvader is, in de begin jaren ‘80.

Frans Hofman

Hofman was als gemeentesecretaris van de gemeente Norg belast met de opvang van nabestaanden van de slachtoffers uit beide massagraven. Ten behoeve van de identificatie van de slachtoffers kregen zij de genummerde eigendommen te zien. Omdat dit uiteraard emoties opriep, ging het in verschillende gevallen gepaard met ware drama’s. Nog geruime tijd na de oorlog dienden zich familieleden van de slachtoffers aan, die tot die tijd nog altijd zoekende naar de vermiste waren geweest. Hofman vertelde Habing dat het gebeuren een diepe indruk op hem heeft gemaakt. Ook sprak hij zijn bewondering uit voor het personeel van het gemeentesecretariaat, die allen meeleefden en alles in het werk stelden om de identificatie door familieleden zo goed mogelijk te laten verlopen.

Bron: Het door Habing opgemaakte verslag van het gesprek dat op 26 november 1982 tussen hem en Hofman, destijds wonende aan de Dennenlaan 13 te Norg, plaatsvond.

Comité 8 april

Dit comité werd gevormd door Koos Huininga, Piet Hotze de Jong, Johan Stoffels en initiatiefnemer Willem Berg. Hun doel was het oprichten van gedenktekens op beide fusilladeplaatsen. Daartoe moesten zij nabestaanden opsporen, met instanties en gemeente overleggen, samen geld opbrengen, grond aankopen en de bouw in werking zetten. Dankzij inzet van het comité staat nu op beide plaatsen een herdenkingsmonument. Op 4 mei 1985 zijn beide onthuld. Elk jaar gedenken familieleden en bewoners van Norg daar de mannen die er een tragische dood vonden. Ter ere van de 70-jarige herdenking heeft in 2015 een waardige en unieke herdenking plaatsgevonden.

Archief Habing

Bovenstaande informatie is deels afkomstig uit het archief van Habing. Zijn archief is in bezit van de historische vereniging Norch. In de begin jaren tachtig sprak Habing de betrokkenen die toen nog in leven waren. Van deze gesprekken maakte hij verslagen. Hierdoor zijn de verhalen van betrokkenen bewaard gebleven, die anders mogelijk voorgoed verloren waren gegaan. Habing verzamelde documentatie over meerdere onderwerpen uit de geschiedenis van Norg en omgeving tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Tot zover de beschrijving van wat er is gebeurd na de ontdekking van de twee massagraven. Op de volgende pagina wordt de fase daarvoor en het ‘waarom’ van dit drama beschreven.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Kaart van de omgeving van Norg met de locatie van de massagraven.
(Bron: Anton van Veen)


Burgemeester Pelinck gedurende zijn aanstelling in 1936 of 1937.
(Bron: STIWOT)


Mulder en Berg op de locatie Bonhagen.
(Bron: Historische vereniging Norch)


Garage van de zuivelfabriek Norg.
(Bron: Historische vereniging Norch)


Garage bij Elzinga.
(Bron: Gerrit Hazenberg)

Informatie

Artikel door:
Gerrit Hazenberg
Geplaatst op:
13-03-2015
Laatst gewijzigd:
03-09-2017
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.