Fall Gelb, het Duitse offensief in het Westen

De verdediging

De Fransen
Na de Eerste Wereldoorlog gold het Franse leger als één van de best getrainde en uitgeruste legers ter wereld. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was het Franse leger op papier nog steeds formidabel qua omvang. Het was echter vooral defensief ingesteld. Dit was te wijten aan de Franse politieke instelling om een herhaling van de verschrikingen van de Eerste Wereldoorlog koste wat kost te voorkomen. Het gehele militaire denken van de Fransen was gebaseerd op een geldverslindend verdedigingsproject, de “Maginot-linie”.

De Franse verdediging was grotendeels gebaseerd op de onneembaar geachte Maginot-linie. De bouw hiervan was in 1929 begonnen onder de bezielende leiding van de toenmalige minister van defensie Maginot. Het idee voor deze linie was ingegeven vanuit de gedachte dat men de kolen- en staalindustrie van Elzas-Lotharingen moest beschermen. Daarnaast wilde men tegen elke prijs voorkomen dat op Frans grondgebied de verschrikkingen van de loopgravenstrijd uit de Eerste Wereldoorlog zich zouden herhalen. Frankrijk zou zich daarom verschansen achter een reeks forten en een eventuele aanvaller dwingen om ten noorden hiervan, in België, een hopeloze strijd te voeren. Vanaf de Frans-Zwitserse grens tot aan de Belgische grens werd een linie van forten gebouwd die welhaast onneembaar leek.

Er waren echter twee grote problemen. Allereerst liep de linie maar tot de Belgische grens. Langs de Belgisch-Franse grens waren slechts minimale verdedigingswerken opgeworpen. Voor het Franse opperbevel was dit echter geen probleem. Deze hoopte dat een vijandelijke aanval al in België kon worden tegengehouden. Een ander probleem was echter ernstiger. De Maginot-linie maakte dat de Fransen zich veilig waanden achter een muur van beton. Dit bracht een vals gevoel van veiligheid met zich mee. Indien deze verdediging toch zou vallen, op wat voor wijze ook, kon dit een sneeuwbaleffect hebben op de moraal van de overige troepen.

Frankrijk was verreweg de grootste partner aan wat later de Geallieerde zijde van de oorlog zou worden. Hierdoor werd de gehele verdedigingsstrategie op het denken en handelen van de Fransen afgestemd. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de chef van de generale staf, Général Maurice Gamelin, opperbevelhebber van alle Franse strijdkrachten in binnen- en buitenland. Direct onder zijn bevel stond Général Alphonse Georges, die alle Franse troepen in Noordoost-Frankrijk aanvoerde. De belangrijkste legermacht onder zijn commando, was het Franse Groupe d'Armées 1, onder bevel van Général Gaston Billotte en bestaande uit de 1ère Armée (Général Georges Blanchard ), de 2ième Armée (Général Charles Huntziger), de 7ième Armée (Général Henri Giraud), de 9ième Armée (Général Corap) en de British Expeditionary Forces (BEF). Deze legergroep was gestationeerd tussen de Kanaalkust en de Maginot-linie. Typerend voor de Franse bevelvoering was dat Général Gaston Billotte zijn legergroep aanvoerde vanuit een hoofdkwartier dat ver achter de linies was gelegen in La Ferté-sous-Jouarre, op slechts 65 km van Parijs. Om de zaken nog ingewikkelder te maken, bevond zich tussen Gamelin en Georges nog een bevelslaag, het Algemeen Hoofdkwartier van de Landmacht onder Général Aimé Doumené. De algemene reserve werd gevormd door het Groupe d'Armées 2, bestaande uit de 3ième Armée ( Général Charles-Marie Condé), de 4ième Armée (Général Edouart Requin) en de 5ième Armée (Général Victor Bourret). De Groupe d'Armées 3 diende de Maginot-linie te verdedigen en bestond uit de 8ième Armée (Général Marcel Garchery).

Het zuidoosten van Frankrijk werd vervolgens verdedigd door de Armée des Alpes (Général René Olry). De overige Franse troepen bevonden zich in het Middellandse Zeegebied (Groupement des Forces Mobiles du Levant), in Noorwegen (Corps Expéditionnaire Français en Scandinavie), in Noord-Afrika (Commandement Supérieur des Troupes de Tunesie) en in de koloniën (Indochina en Madagascar). Naast dit alles kon men nog putten uit gigantische depots, waarmee 2 miljoen man in korte tijd kon worden bewapend en opgeleid.

De statische strategie van Frankrijk kon alleen slagen, indien men in staat was om een zeer mobiel en slagvaardig leger op te bouwen dat snel kon ingrijpen bij een Duitse aanval via België. Hier zat de grote zwakte in het Franse denken. Sinds de Eerste Wereldoorlog had de modernisering van het Franse leger op een laag pitje gestaan. De meeste wapens en tactieken stamden nog uit de tijd van de statische loopgravenstrijd. Het opbouwen van een sterk en mobiel pantserleger hadden de Franse legerleiding en het Franse parlement steeds tegengehouden. De oorzaken hiervoor zijn nog steeds niet helemaal duidelijk. Lieutenant colonel Charles de Gaulle had in zijn werk 'vers l'armee de metier' gepleit voor een gemechaniseerd leger met sterke tankformaties. De politiek consrvatieve machten rond Petain en Gamelin, zagen de tank echter vooral als een ondersteuningswapen voor de infanterie. Toch was in 1935 een aanvraag naar de Franse industrie gezonden voor grote aantallen tanks. Deze zouden dan ook in de vorm van moderne typen als de Renault AMR 35 (Automitrailleuse de Reconnaissance Renault Modèle 35 Type ZT), de Renailt R 35, Hotschkiss H 39 en de Somua S 35 in grote aantallen voorhanden zijn in mei/juni 1940.  Frankrijk kende echter ook grote politieke verdeeldheid, die al tot polarisatie van de politieke stromingen had geleid bij de Franse inmenging en latere terugtrekking tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Deze politieke verdeeldheid was langzaam aan omgeslagen in een pacifistisch getinte politiek.

Ondanks de vele verouderde wapens was het Franse leger nog steeds gigantisch in omvang. Ten tijde van de mobilisatie werd een leger opgebouwd, waarvan het veldleger alleen al maar liefst bijna 2,8 miljoen man telde. Dit gigantische leger leverde het opperbevel de nodige logistieke problemen op. Hoe moest men immers een dergelijk leger fysiek getraind houden in een periode met relatief weinig militaire activiteit? Omdat het merendeel van dit leger bestond uit reservisten die liever thuis waren gebleven, was het met de moraal en discipline ook al niet te best gesteld.

Tactisch was het Franse leger nog altijd vooral gebaseerd op inzet van infanterie. Hierdoor was het toch nog omvangrijke pantserwapen (circa 3000 tanks) voornamelijk opgesteld ter ondersteuning van de infanterie en zodoende sterk verspreid over alle legerkorpsen. Een Franse Division Légère Méchanique telde ongeveer 200 tanks. De tanks, verdeeld over pantserregimenten werden zeer gelijkmatig over het front in zogenaamde tankbataljonsformaties verdeeld. De tactiek was er op gericht de tanks over de gehele frontlinie te verdelen ter ondesteuning van de overige eenheden. Hierbij diende zij echter zelfstandig op te treden, dus zonder infanteriesteun zoals de Duitsers deden. Technisch waren de Franse tanks voor deze doctrine ontworpen. Hoewel sommige oudere tanks zoals de Char B-1 log en zwaar bepantserd waren, waren de vele nieuwe tanks snel en licht bewapend, gericht op ondersteuning van de infanterie. Desondanks hadden ze zich goed met de Duitse tanks kunnen meten. De lichte 7 tons Renault R-35 en Hotchkiss H-35 met hun 37 mm kanon en 40mm frontbepantsering waren qua bewapening en bepantsering minstens gelijkwaardig aan de Duitse Pz. Kpfw I en II. De middelzware Sumoa 35 en de zware B1 en B2 waren qua bewapening en bepantsering beduidend beter dan de beste Duitse tanks. Allen de nog aanwezige (ca. 1500 stuks) Renault FT-17's waren nietmeer dan een mitrailleur op rupsbanden. Om de goede kwaliteit van de Franse tanks te kunnen uitbuiten dienden de Fransen hun tanks in te zetten als geconcentreerd wapen, een tactiek die ze echter niet toepasten. Met de overige bewapening was het zeer wisselend gesteld. Qua numerieke aantallen kon het Franse leger beschikken over grote aantallen artillerie, pantserafweer en luchtdoelgeschut. Veel hiervan was echter verouderd of zeer verspreid verdeeld over de eenheden.

De Franse luchtmacht, de l'Armée de l'Air, diende nauw samen te werken met de troepen op de grond. De in aantal grote, maar in kwaliteit verouderde, luchtmacht onder Général Joseph Vuillemin was daarom opgedeeld in operatiezones die overeenkwamen met de legergroepen. Toch viel de l'Armée de l'Air onder het directe bevel van het Ministerie van Defensie en kon het  onafhankelijk opereren. Hoewel qua aantallen de Fransen, zeker samen met de Britten, Belgen en Nederlanders numeriek in de lucht niet de mindere waren, werden ze, evenals de Franse tanks, te verspreid op het front ingezet. Jachtvliegtuigen had men voldoende, maar het aantal bommenwerpers was zwaar beneden de noodzakelijke grootte. Over duikbommenwerpers beschikten de Fransen al helemaal niet. Technisch waren diverse typen vliegtuigen niet slecht, hoewel men in snelheid het vaak moets afleggen. Onder andere de Franse Curtiss H-75, Potez 631 en Morane 406 jagers Hoefden het echter niet onder te doen voor de Messerschmitt Bf 109 en Messerschmitt Bf 110.

De Franse marine, de Marine National, kon wel gelden als één van de modernste. Een deel ervan was uitgevaren naar Noorwegen ter ondersteuning van de campagne daar. Een ander deel was gestationeerd in Noord-Afrika, Madagascar en Frans Indochina. Van de thuisvloot lag het grootste deel in Franse havens aan de Middelandse Zeekust. Tussen 1926 en 1939 was de Franse marine sterk gemoderniseerd.

Tegenover alle tekortkomingen stond een opperbevelhebber in de persoon van Général Maurice Gamelin die blaakte van zelfvertrouwen. Op het moment dat de Duitse troepen hun aanval openden, verbaasde iedereen in het Franse opperbevel zich over de opgewektheid van hun bevelhebber. De Franse premier Paul Reynaud was minder opgewekt. Hij had totaal geen vertrouwen in Gamelin en wilde hem zelfs van zijn bevel ontheffen. Toen zijn minister van Nationale Verdediging, Edouard Daladier, dit niet overnam, wilde Reynaud zelf ontslag nemen, maar trok dit voornemen in ten tijde van de Duitse aanval.

De Britten
Groot-Brittannië had in Frankrijk een deels goed uitgeruste legermacht samengebracht onder bevel van General Viscount Lord John Gort. De British Expeditonary Forces (BEF) was voor een groot deel gemotoriseerd, maar bestond uit slechts drie legerkorpsen met in totaal negen infanteriedivisies, inclusief een pantserbrigade (ong. 300 Mk VI tanks en 16 Matilda Mk II tanks). Het Ist Corps (Lieutenant-general Sir J. Gill) bestond uit de 1st Infantry Division (Major-general Harold Alexander), 2nd Infantry Division (Major-General H.C. Loyd) en de 48th South Midland Division (Major-general Andrew Thorne). Het IInd Corps (Lieutenant-general Sir Alan Brooke) werd samengesteld uit de 3rd Infantry Division (Major-general Bernhard Montgomery), de 4th Infantry Division (Major-general Dudley Johnson) en 50th Northumbrian Division (Major-general G. Le Q. Martel). Beide legerkorpsen werden toegevoegd aan de Groupe d'Armées 1 in Noord-Frankrijk. Het IIIrd Corps (Lieutenant-general Sir R.F. Adam), dat was opgebouwd uit 42nd East Lancashire Division (Major-general W.G. Holmes) en 44th Home County Division (Major-general E.A. Orborne) werd ingezet binnen de Groupe d'Armées 2 als reserve en de Groupe d'Armées 3 ter verdediging van de Maginot-linie. De 5th Infantry Division (Major-general H.E. Franklyn), de 23rd Infantry Division (Major-general A.E. Herbert), de 46th Infantry Division (Major-general H.C. Curtis), de 51st Infantry Division (Major-general V.M. Fortune), de 1st Armoured Division (Major-general Roger Evans) en de 52nd Infantry Division (Major-general J.S. Drew) werden als reserve bij het General Headquarters aangehouden. In Groot-Brittannië werd een vierde legerkorps in reserve gehouden.

Dit 394.000 man tellende BEF was wel uitermate mobiel en kon snel worden verplaatst. De zogenaamde Advanced Air Striking Force (AASF) van de RAF met Bristol Blenheim en Fairey Battle bommenwerpers en twee eskaders Hawker Hurricane jagers was ook meegestuurd en opereerde onder de naam British Air Force France (BAFF). De 160 jachtvliegtuigen, 160 lichte bommenwerpers, 60 verkenningstoestellen en 60 observatietoestellen tellende luchtmacht werd geleid door Air-marshall A.S. Barrat. Daarnaast konden vanuit Groot-Brittannië zelf toestellen van No.14 Group van de RAF worden ingezet. hiernaat werd ook de Fleet Air Arm (FAA) ingezet.

Het BEF kreeg onmiddellijk na aankomst in Frankrijk eind 1939 te maken met een tekort aan munitie, artillerie en luchtafweergeschut. Verscheidene eenheden waren direct uit de mobilisatiebarakken en totaal ongetraind naar Frankrijk gestuurd. Tijdens de wintermaanden in Frankrijk verbeterde er nauwelijks iets aan de situatie. De soldaten verveelden zich en ook hier verslechterde de moraal. De Britse troepen werden beziggehouden met het bouwen van veldverdedigingsposities, die door de Franse strategie en het Dijle-plan totaal nutteloos waren. De posities langs de Dijlelinie werden ingenomen door drie divisies. De noordkant van het Britse vlak, rond Leuven, werd ingenomen door de tot het IInd Corps behorende 3rd Infantry Division. De tot hetzelfde korps behorende 4th Division werd in reserve gehouden. Het zuidelijk deel, ruwweg van Leuven tot Wavre, werd van noord naar zuid ingenomen door de 1st Division en 2nd Divison, welke behoorden tot het Ist Corps. Hier werd de 48th Division in reserve gehouden. De 1st Army Tank Brigade zorgde voor de nodige ondersteuning bij de 2nd Division.

België
Toen het de Belgische legerleiding bekend werd dat de Fransen niet verder zouden oprukken dan de Dijlelinie, paste de Generale Staf haar verdedigingsplannen hierop aan door op 27 april 1939 haar plannen te lanceren omtrent de lijn Antwerpen-Namen, de zogenaamde KW-linie. Hiervoor was de Albertkanaal-Maasstelling de hoofdlinie geweest. Bij een ontruiming van deze linie zouden de Belgische troepen aldus kunnen terugvallen op een nieuwe hoofdlinie. Op 29 augustus 1939 volgde de formele opdracht door de opperbevelhebber koning Leopold III aan de Generale Staf tot het opstellen van een plan de campagne.

Het Belgische leger was voor een klein land naar verhouding talrijk: in actieve dienst waren op 10 mei 1940 maar liefst 4929 beroeps officieren en 16.614 reserve officieren, 12.000 beroepsonderofficieren, 10.000 beroepssoldaten, 46000 reserve-onderofficieren. Totaal waren 630.000 manschappen onder de wapens. Het Veldleger was verdeeld in achttien Infanteriedivisies en twee Divisies Ardense Jagers, ingedeeld in zeven legerkorpsen (hoofdkwartieren in Brussel, Antwerpen en Luik). Voorts een Cavaleriekorps (waarin twee cavaleriedivisies en een gemotoriseerde brigade met hoofdkwartier in Brussel), een Artilleriebrigade in Antwerpen, een Ardenner geweerkorps met hoofdkwartier in Namen. Daarnaast waren er nog drie onafhankelijke grenswielrijdersbataljons, zes onafhankelijke infanteriedivisies en twee onafhankelijke cavaleriedivisies. Binnen de Belgische bevelvoering waren echter drie machtscentra bevel te onderscheiden: koning Leopold III als bevelhebber met zijn raadgever in de vorm van generaal-majoor Raoul van Overstraeten, de stafchef van het leger luitenant-generaal Oscar Michiels en de minister van Defensie luitenant-generaal Henri Denis. De minister van Defensie was verantwoordelijk voor de verdeling van de defensiegelden. Stafchef luitenant-generaal Oscar Michiels kreeg zijn opdrachten direct van koning Leopold III via diens raadgever generaal-majoor Raoul van Overstraeten.

Het standaard infanteriewapen was de Mauser Model 1935, afgeleid van de Mauser Model 1889 dat ook nog werd gebruikt, een goed en modern wapen. De verdere bewapening van het Belgische leger was redelijk te noemen. De Belgische cavalerie was al vanaf 1937 gemotoriseerd. Men had motoren, Latil-tractoren voor het trekken van het geschut, 208 zeer lichte T13 tanks, 50 lichte T15 tanks en 12 Renault AMC35 tanks, waarvan men zelf 8 stuks met een 4,7cm AT kanon had uitgerust. Het Belgische Leger startte de mobilisatie op 26 augustus 1939 en rondde deze voor actieve en eerste reserve voor 4 september af. Daarna werden gefaseerd de tweede reserve eenheden opgeropen, wat pas in januari 1940 was afgerond. Vanaf oktober werd er serieus rekening gehouden met een mogelijke Duitse inval en werden de diverse verdedigingswerken bemand en versterkt.

De Belgische luchtmacht, het Vliegwezen of Aeronautique Militaire, (net als in Nederland een onderdeel van het leger) telde drie regimenten, het 1e Luchtvaartregiment (observatie en samenwerking met de landmacht), het 2e Luchtvaartregiment (jachtvliegtuigen) en het 3e Luchtvaartregiment (verkenning). Daarnaast telde de luchtmacht een trainingsschool. Men kon 184 vliegtuigen operationeel brengen, waarvan slechts 70 min of meer modern waren. Een situatie vergelijkbaar met Nederland. De modernste toestellen waren de Gloster Gladiator, de Fiat CR 42, de 11 vliegklare Hawker Hurricane's, Fairey Fox en de Fairey Battle. Met 184 operationele toestellen kon men echter weinig uitrichten tegen de Luftwaffe. Aangezien alleen de 11 Hawker Hurricane toestellen echt modern waren, was de operationele situatie van de Belgische luchtmacht hiermee nog slechter dan die van Nederland.

De Belgische marine stelde weinig voor. Pas op 15 september 1939 was het Marine Korps opnieuw opgericht. In november 1939 werden dienstplichtigen met scheepservaring overgeheveld naar dit Marine Korps (naam zou vlak voor 10 mei worden omgezet in Corps de Marine). Het Corps de Marine telde drie operationele eskaders (1e Eskader te Oostende, 2e Eskader te Zeebrugge en 3e Eskader te Antwerpen), een Training Eskader en een Reserve Eskader. Het varende deel bestond uit enkele kleine patrouilleschepen en enkele tot mijnenvegers omgebouwde viskotters. In Antwerpen en Zeebrugge werd het, nog uit de Eerste Wereldoorlog daterende Duitse, kustgeschut ook door de marine bemand.

België had, op basis van de ervaringen van de Eerste Wereldoorlog, haar verdediging vooral gebaseerd op een aantal statische verdedigingslinies. De belangrijkste linie, die samen met de geallieerden zou bezet worden, was de Antwerpen-Namen-Givetlinie. De linie was potentieel sterk. Men had echter zoveel middelen in de nieuwe grensverdediging gestopt, dat de linie verre van klaar was. Het noordelijke deel van de linie werd gevormd door de Position Fortifiée d'Anvers, welke naar het zuiden toe werd verlengd met de KW-linie (de KW-Linie begon bij Antwerpen, Koninkshooikt en liep tot Wavre). Vanaf Wavre vervolgde de lijn zich met een, op enkele plaatsen onderbroken, anti-tanklijn tot aan de Position Fortifiée de Namur. De linie was echter van daar tot aan Givet nagenoeg zonder enige versterkte verdediging. Ook tussen de KW-linie en de anti-tanklijn zat een nagenoeg onverdedigd gat, het beroemde Gat van Gembloux. Achter de KW-linie bevond zich een verdedigigingspositie bij Mechelen. Ook de plaatsen Gent en het zuidelijk gebied bij Brussel kenden hun eigen verdedigingslinies (Tête de Pont de Gand en Centre de Résistance - Ninove, Kester, Halle, Braine-L'Alleud en Waterloo). Dit werd aangeduid met Reduit National, een Belgisch equivalent van de Vesting Holland, maar dan zonder natuurlijke barrières. Langs de Maas tussen Namur en Liège waren ca. 70 bunkers geplaatst bij bruggen om de overgang van de Maas te beletten. Tussen de overgangen lagen echter onverdedigde sectoren. Op een aantal plaatsen was Belgische kust was versterkt met verdedigingswerken met vooral oud geschut en weinig personeel.

Zoals aangegeven, was er door de Belgen veel energie gestoken in nieuwe grensverdedigingswerken. Langs de noordoostgrens, van Antwerpen tot Luik, waren in het kader van de neutraliteitspolitiek 118 bunkers geplaatst langs de kanalen die de plaatsen Antwerpen, Turnhout, Dessel, Bocholt en Lanaken verbonden. Deze lijn sloot aan op de verdediging langs het Albertkanaal. Hier was in het oostelijke deel een reeks van formidabele verdedigingswerken aangebracht, met als spil het fort Eben-Emael. Deze sloot aan op de Position Fortifiée de Liège. Deze laatste vormde de hoofdverdedigingslinie welke de geallieerden de tijd moesten geven om het Dijleplan uit te voeren en bedoeld was om industriële deel van België zo lang mogelijk uit vijandelijke handen te houden. De Ardennen werden ondoordringbaar geacht voor grote legereenheden. Toch werden ook hier verdedigingswerken in de vorm van 321 mitrailleurbunkers aangebracht met als doel een eventuele doorgang van de Ardennen verder te bemoeilijken.

Al met al was de Belgische verdediging zeker niet zwak te noemen. Het was echter vooral een imaginaire verdediging die sterk hinkte op versterking door troepen. De Belgische verdediging was deels geforceerd vanwege de door de Fransen gedwongen wijzigingen in hun eigen strategie. Strategisch wilden de Belgen het zwaartepunt van hun verdedigign lang de Maas voeren en pas in tweede instantie langs de KW-linie. Door de Franse druk kwam deze verdediging echter primair langs de KW-linie te liggen. 

Op 26 augustus 1939 startte België haar mobilisatie met Fase A. In Fase A werden de actieve regimenten op oorlogssterkte gebracht. Hieronder vielen de 1e tot en met de 6e Infanteriedivisie, de eerste Divisie Ardense Jagers, het Cavaleriecorps, de Grenswielrijders, het Vliegwezen (de Belgische luchtmacht), de luchtdoelartillerie en de Vestingtroepen. Op 28 augustus volgde Fase B met het oproepen van de 8e en de 11e Infanteriedivisies en de tweede divisie Ardense Jagers. Met Fase C op 1 september volgden de 7e, 9e, 10e en 12e Infanteriedivisies, de Transporteenheden en twee lichte Regimenten. Op 3 september nam koning Leopold III het opperbevel formeel op zich en zetelde zich in het Groot Hoofdkwartier dat was gevestigd in Fort Breendonk. De volgende fase, Fase D werd in een aantal perioden opgeroepen. Op 11 september de 14e Infanteriedivisie, op 22 september de 18e Infanteriedivisie, op 25 september de 15e en 16e Infanteriedivisies, op 20 oktober de 13e Infanteriedivisie, op 8 november de 17e Infanteriedivisie en op 13 januari 1940 de Services de l'Arrière. Ook werd op 13 januari de Generale Staf omgevormd tot het Hoofdkwartier. Op 10 mei 1940 zou Fase E intreden, de algemene mobilisatie.

Qua opstelling werd de 18e Infanteriedivisie standaard opgesteld achter de kanalen tussen Antwerpen en Turnhout. Groepering K (luitenant-generaal Maurice Keyaarts) met de 1e Divisie Ardense Jagers en de 1e Cavaleriedivisie werd opgesteld in de Ardennen, de 5e Infanteriedivisie in de regio Halle-Ninove en de 16e Infanteriedivisie in de regio Gent en langs de kust. De hoofdmoot van het Belgische leger was opgesteld langs de KW-linie.

Nederland
De politieke situatie in Nederland tijdens het interbellum was de directe oorzaak voor de toestand, waarin het Nederlandse leger zich bevond aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandse verdediging moest rekening houden met een aantal feiten. Ten eerste was het leger te zwak om het hele grondgebied te verdedigen. Men moest zich daarom beperken tot de meest vitale delen. Ten tweede werd een strikte neutraliteit in acht genomen, waardoor eventuele verdedigingslinies niet gezamenlijk met bondgenoten konden worden bestudeerd en aangelegd. Na jaren van bezuinigingen was men begonnen met het herbewapenen. Al rond Pasen 1939 waren de eerste militairen gemobiliseerd. Op 23 augustus 1939 was het zogenaamde Waarschuwingstelegram A uitgegaan. Met dit telegram werd een ieder gewaarschuwd voor een op handen zijnde Algemene Mobilisatie. Dit werd op 24 augustus al gevolgd door Telegram B, waarbij een voormobilisatie op 25 augustus werd ingesteld. Op 28 augustus ging Telegram C uit met de oproep voor Algemene Mobilisatie op 29 augustus voor de 16 lichtingen van 1924 tot en met 1938 (1939 was al in dienst). Strubbelingen tussen de opperbevelhebber generaal Izaac H. Reijnders en de ministerraad resulteerden in het aftreden van de opperbevelhebber op 6 februari 1940. Hij werd opgevolgd door luitenant-generaal Henri G. Winkelman, die als Chef-Staf Landmachtgeneraal-majoor Herman F. M. Baron van Voorst tot Voorst naast zich kreeg. Rechtstreeks onder Winkelmans commando stonden onder andere de commandant van het veldleger (luitenant-generaal Jan J. G. van Voorst tot Voorst), commandant luchtverdediging (luitenant-generaal Petrus W. Best) en de chef Marinestaf (vice-Admiraal Johannes Theodorus Furstner). Generaal Winkelman nam de in zijn ogen noodzakelijke maatregelen en stelde een nieuw verdedigingsplan (Plan-Winkelman) in werking op basis van de beschikbare middelen. Wat hielden die middelen nu eigenlijk in?

Het Nederlandse leger, toen nog Nederlandse Weermacht genaamd, bestond uit de gehele krijgsmacht en wel de landmacht (inclusief de legerluchtmacht) en de marine. De landmacht was globaal opgebouwd uit een vestingleger (de Vesting Holland), de "hooggenummerde"regimenten 25 t/m 48 en een Veldleger. In het Veldleger waren de jongste lichtingen ondergebracht in de "laagstgenummerde" regimenten en was vanwege tekorten uitgebreid met de Brigades A en B, voortkomend uit het vestingleger. Ook de 24 Grensbataljons vielen onder het Veldleger. He Veldleger (landcomponent) was opgebouwd uit vier legerkorpsen (met totaal acht infanteriedivisies), de Peeldivisie, de brigades A en B, de Lichte Divisie en vrijwel alle grensbataljons en reserve grenscompangies die nog niet tot de Peeldivisie behoorden. Een derde brigade, Brigade G, was geen werkelijk operationele eenheid, maar bezette het zuidoostfront van de Vesting Holland in afwachting van de aankomst van het III.Legerkorps. De bataljons van deze brigade zouden dan de gaten vullen binnen de gelederen van dit korps die zouden ontstaan ten gevolge van de overheveling van bataljons naar de Peeldivisie na een evacuatie van Brabant. Dit Veldleger was verantwoordelijk voor de verdediging van het gehele gebied buiten de Vesting Holland.

Het Nederlandse "landleger" bestond uit 48 regimenten infanterie (R.I. 1 t/m 46, Regiment Jagers en Regiment Grenadiers), 6 regimenten Huzaren, 15 volledige regimenten Artillerie (R.A. 1 t/m 8, 13 t/m 15 en 17 t/m 20), 4 regimenten Artillerie met slechts twee afdelingen (16 en 21 t/m 23) en 8 afdelingen Artillerie. Hiernaast kende het Nederlandse leger een Korps Kustartillerie voor de verdediging van de Nederlandse Kust, de haventoegangen en de gelegde en te leggen mijnenvelden. Deze telde 14 batterijen van 7,5 cm, 6 batterijen van 12 cm, 9 batterijen van 15 cm en twee dubbeltorens met 24 cm geschut. De Kustartillerie had ca. 4500 man onder de wapenen. 

Het Nederlandse leger bezat geen tanks en de bewapening was over het algemeen niet modern. Voorts beschikte Nederland over een luchtmacht met 138 operationele vliegtuigen, waarvan een 70-tal als modern werden beschouwd. De meest moderne types waren de Fokker G.1 luchtkruiser, Fokker T.V bommenwerper en de Douglas 8A-3N (die voor zijn taak als strategische verkenner zeer modern was). Deze waren echter maar in kleine getalen aanwezig. De Militaire Luchtvaartafdeling stond verspreid over diverse vliegbases en was op de vooravond van 10 mei paraat. Vele toestellen stonden met warmgedraaide motoren klaar.
 
De marine had haar hoofdmacht in Nederlands-Indië. In Nederland lagen een (verouderde) kruiser, een torpedobootjager (juist teruggekeerd uit India), enkele torpedoboten, een aantal moderne kanonneerboten, enkele kleine onderzeeboten, enkele moderne grote mijnenvegers en minenleggers, een aantal moderne of nog in aanbouw zijnde onderzeeboten en andere kleinere vaartuigen. De Koninklijke Marine zou vooral een patrouilletaak en ondersteunende taak krijgen. De Marine Luchtvaartdienst kon beschouwd worden als redelijk modern. Ze kon bijdragen met patrouille- en vuurleidingvliegtuigen, aanvalsvliegtuigen en mijnenleggers. Naast deze maritieme zee- en luchteenheden, kende de Marine een aanzienlijk contingent zeemiliciens en het Korps Mariniers. De Mariniers, die in Rotterdam, Amsterdam, Den Helder en Vlissingen gortere of kleinere contingenten hadden liggen, alsmede aan boord van de grotere oppervlakteeenheden dienst deden, hadden een totale sterkte van 1500 manschappen. Hiervan was ongeveer de helft in Nederland aanwezig. Ten slotte telde de marine een contingent marinegeschut, dat in diverse marinehavens, alsmede in de forten Kronwerderzand en den Oever stukken of batterijen had staan met kalibers van 3,7 cm, 5 cm en 7,5 cm.

Winkelman was zich heel goed bewust van de beperkingen van het Nederlandse leger. Daarom koos hij een aantal duidelijke uitgangspunten. Zo was het Nederlandse leger te klein om het hele grondgebied te verdedigen en maakte het gebrek aan mobiliteit een statische defensie noodzakelijk. Hij koos als hoofdverdedigingslinie voor die locatie die het eenvoudigst en goedkoopst kon worden uitgebouwd tot hoofdweerstand, de Grebbelinie. Bijkomend voordeel hiervan was nog de uitstekende strategische ligging.
Het IIe en IVe Legerkorps kregen de nadrukkelijke taak om achter deze linies hun defensieve stellingen in te nemen. Voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie had Winkelman het aan de kust gelegerde Ie Legerkorps tot zijn beschikking. Een aanzienlijk probleem leverde echter de verdediging van het zuiden op en dan vooral Noord-Brabant. Hier was men al hard bezig met de aanleg van de Peel-Raamstelling. Voor een goede verdediging ervan was echter de aansluiting met de Belgische verdedigingslinies en de steun van de Fransen noodzakelijk. De neutraliteit van ons land en België liet dit niet toe. Heimelijk overleg met de Fransen en Belgen leverde een resultaat dat volgens Winkelman een onverdedigbare situatie zou opleveren. Met de Belgen leek het eenvoudiger om besprekingen te voeren, immers dit ging om besprekingen tussen twee neutrale landen. Van half februari tot begin april werden op niveau van de Belgische en Nederlandse militaire attachés besprekingen gevoerd die tot weinig gezamenlijk resultaat hebben geleid. Begin april had de Nederlandse militaire attaché Van Voorst Evekink contact met het Franse opperbevel, zonder dat het ook hier tot tastbare resultaten had geleid. De besprekingen hadden slechts geleid tot enige duidelijkheid in de Franse plannen bij een invasie van Nederland en/of België. Nog op de avond van die vijfde april gaf Van Voorst Evekink aan Winkelman zijn bevindingen door.
Bij een Duitse aanval zouden de Fransen hooguit oprukken tot de lijn Turnhout-Tilburg- Bergse Maas. Winkelman trok hieruit de conclusie dat Brabant voor hem onverdedigbaar zou worden. Op 6 april 1940 besloot hij daarom dat het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie achter de Peel-Raamstellling alleen de schijn van een verdediging mochten ophouden en bij een aanval direct naar de Vesting Holland dienden terug te keren. Hierbij zou dan de Lichte Divisie, samen met het Ie Legerkorps een strategische reserve vormen, het IIe en IVe Legerkorps moesten de Grebbelinie verdedigen en het IIIe Legerkorps zou de zuidflank van de Vesting Holland en de Waal-Lingestelling verdedigen. Bij deze terugtochten zou de Brigade B, die in het land van Maas en Waal was gelegerd, achter de Grebbelinie terugtrekken als reserve.

Zoals vermeld, moesten de Nederlandse troepen buiten de Vesting Holland vooral vertragend optreden. In het zuiden zouden de aanvallers allereerst stuiten op de Maaslinie. Langs deze linie, die ruwweg de loop van de Maas en het Julianakanaal volgde, werden versterkingen aangebracht. Speciale rivierkazematten verdedigden de bruggen. Deze konden een mitrailleur en/of een stuk pantserafweergeschut bevatten. Tussen de bruggen in was een linie aangebracht van prikkeldraadversperringen met daarachter met bepaalde intervallen kazematten (stekelvarkens) en veldversterkingen (loopgraven e.d.). Een speciaal geformeerde eenheid, bestaande uit vijf infanteriebataljons en vier grensbataljons, de Groep Maas-Waal, diende als bemanning voor deze linie.

Achter de Maaslinie bevond zich de Peel-Raamstelling. Deze stelling bevond zich direct achter de Maaslinie, waarbij de afstand tussen beide linies varieerde van 9 km tot 21 km. De stelling begon bij het stroompje de Raam ten noorden van Mill, waarna deze via Mill, door de Peel en vervolgens langs de Zuid-Willemsvaart tot aan Weert bij de Belgische grens liep. De stelling had langs het zuidelijke deel een natuurlijke verdediging, bestaande uit drassig land en moerassen. Langs het noordelijk deel had men een kunstmatige verdediging aangebracht in de vorm van het Defensiekanaal. Een groot aantal kazematten van het type stekelvarken, verbonden door prikkeldraadversperringen maakte de verdediging af. Op diverse plaatsen waren nog andere verdedigingswerken aangebracht. De Peel-Raamstelling was hierdoor zeker een stelling waarmee een vijand rekening moest houden. Het beleid van generaal Winkelman had er echter voor gezorgd dat de bezetting van de stelling danig was uitgekleed. Men had de zogenaamde Peeldivisie geformeerd. Deze bestond uit dertien infanteriebataljons, één grensbataljon, een regiment artillerie met 36 stuks 8-staal en enkele andere eenheden. De commandant van de Peeldivisie, kolonel L.J. Schmidt stond hierdoor voor een haast onmogelijke taak. Hij had nauwelijks zware wapens ter beschikking voor zijn verdediging.

De inzet van luchtlandingstroepen in Noorwegen op 9 april 1940 toonde de kwetsbaarheid van ver van het front liggende vliegvelden. Winkelman trok hier lessen uit en liet de belangrijkste Nederlandse vliegvelden beter bewaken. Het 1e Regiment Huzaren-motorrijders werd bij de Lichte Divisie weggenomen en gepositioneerd rond Wassenaar, terwijl pantserwagens werden ingezet bij Ypenburg en Waalhaven. Het IIIe Legerkorps werd meer naar het westen verplaatst om sneller te kunnen terugvallen op de Vesting Holland. De Betuwelinie werd versterkt met zes infanteriebataljons en zes bataljons, ondersteund door drie artillerie-afdelingen (zeven veldkanonnen), werden van de Grebbelinie verplaatst naar het zuiden van de Vesting Holland. Op 9 mei werden de berichten over Duitse troepenbewegingen zo alarmerend dat een aanval niet lang meer kon uitblijven. Winkelman was echter klaar met zijn opdracht. Het was nu wachten op de aanval.

Geallieerde samenwerking
De samenwerking tussen de Britten en de Fransen was over het algemeen goed. De BEF stond onder direct bevel van het Franse opperbevel en was daardoor in haar handelen ondergeschikt aan de Fransen. Tussen de Britse en Franse soldaten bestond wel de nodige afgunst. Vooral de Fransen waren jaloers op hun Britse collega's. De beloning en verlofmogelijkheden waren bij de Britten veel beter. Ook de paraatheid was aan Britse kant veel optimaler dan bij de Fransen. Deze verschillen zullen zeker hebben bijgedragen tot de apathie die er aan Franse kant voor de Duitse aanval heerste.

Nederland en België handhaafden een strikte neutraliteit. Tot 1936 hadden de Belgen nog een defensiepact met de Fransen, maar de oorlogsdreiging had de Belgische opperbevelhebber koning Leopold III ertoe gebracht om met zijn land een neutrale opstelling te kiezen. Net als de Fransen wilde hij voorkomen dat België opnieuw een slagveld zou worden. Hij wilde Duitsland geen enkele aanleiding geven om de Belgen aan te vallen. In tegenstelling tot Nederland had België al in een vroeg stadium met de Fransen afgesproken dat het Franse leger, bij een Duitse aanval, de Belgische grens mocht passeren. De Fransen hadden echter meer gewild. Men was er zich zeer goed van bewust dat een Duitse aanval door België de Fransen grote problemen kon bezorgen. De oorzaak lag vooral in de constructie van de Maginot-linie die, vreemd genoeg, ophield bij de Belgische grens. Via België zou men dus eenvoudig de Franse verdediging kunnen omzeilen. Een gezamenlijke verdedigingsstrategie met de Belgen was daarom niet alleen wenselijk, maar welhaast noodzakelijk.

Na de overname van het bevel door generaal Henri G. Winkelman was deze door zijn voorganger niet op de hoogte gebracht van contacten met de westelijke geallieerden, die er wel degelijk waren. De Britse majoor Wilson bracht zijn meerderen hiervan snel op de hoogte. Wilson stelde nieuwe geheime stukken samen waarin generaal Winkelmans plannen werden aangeduid. Hierin waren eveneens verzoeken opgenomen om in bepaalde situaties hulp te vragen aan de geallieerden. Deze stukken werden ondergebracht bij de Nederlandse gezantschappen in Londen, Brussel en Parijs en mochten pas na een Duitse aanval op Nederland worden geopend. Winkelman wilde echter ook andere contacten leggen. Met België was dat niet zo'n probleem. Beide landen waren immers neutraal en konden derhalve zonder enig probleem aan een gezamenlijke verdediging werken. Contacten met Frankrijk en Groot-Brittannië waren echter van een andere orde. Het ging hier immers om contacten met landen in oorlog.

De Belgisch-Nederlandse contacten omvatten voornamelijk het versterken van het Nederlandse zuidfront. De Nederlandse inzet was erop gericht om een aansluiting te creëren tussen de Peel-Raamstelling en de linie langs het Albertkanaal. De militaire attachés van beide landen voerden onderhandelingen in februari en april 1940. Vooral vanuit de Belgische legerleiding werd, bij monde van generaal-majoor Raoul van Overstraeten, gepleit voor een nieuwe linie die moest lopen vanaf het Albertkanaal naar het noorden langs de lijn Tilburg, Waalwijk en de Bergsche Maas. Deze zogenaamde “Oranjelinie” bestond aan Nederlandse zijde echter alleen maar op papier. De linie zelf was nog totaal niet versterkt. Een poging om via de Fransen de Belgische legerleiding op andere gedachten te brengen liep op niets uit. Ook een bezoek van de Belgische militaire attaché, kolonel Diepenrijckx, aan de Peel-Raamstelling mocht niet baten. De oorzaak van dit falen om tot een gezamenlijke strategie te komen, lag opgesloten in de beide verdedigingsstrategieën van de afzonderlijke bevelvoerders. Bij een Duitse aanval zou Nederland immers snel haar troepen achter de stellingen van de Vesting Holland willen brengen, terwijl de Belgen zich steeds verder in zuidwestelijke richting, naar de geallieerden toe, wilden terugtrekken. In plaats van het gat te dichten, zou het gat zo alleen nog maar groter worden. Ten tijde van het Uur-U, waren beide landen nog geen stap dichter bij elkaar gekomen.

Verdedigingsstrategie
De verdedigingsstrategie van de Fransen en daardoor ook de BEF, de Belgen en Nederland was in grote mate gebaseerd op vaste verdedigingslinies. In feite was de loopgravenoorlog van de Eerste Wereldoorlog verplaatst naar een reeks van gefortificeerde verdedigingswerken, zo dicht mogelijk bij de grens. Een eventuele vijand moest in het voorgebied worden vertraagd en uiteindelijk diende een aanval vast te lopen op deze verdedigingswerken. Het gevolg hiervan echter was dat tactieken, en vaak ook materieel, hopeloos waren verouderd. Tegen de tijd dat men dit begon in te zien en ging moderniseren, was de tijd veel te krap.

Zoals aangegeven zou bij een Duitse aanval via België het Franse leger daar de verdediging opwerpen. Op 24 oktober 1939 werd een eerste geallieerd plan voor een dergelijke operatie uitgegeven. Als verdedigingslinie werd gekozen voor de rivier de Schelde. Het gevolg was dat hiermee een groot deel van het Belgische grondgebied, de hoofdstad Brussel en waarschijnlijk het grootste deel van het Belgische leger in vijandelijke handen zou vallen. Om meer gebruik te kunnen maken van het Belgische leger werd een nieuw plan voorgesteld. Als basis van de verdedigingslinie werd nu gekozen voor de rivier de Dijle. Zo ontstond er een verdedigingslinie van Antwerpen tot aan de rivier de Maas en zo verder tot aan de Maginot-linie. Voor de Britten was dit Dijle-plan veel aantrekkelijker dan het vorige. Nu werden de Duitse troepen immers verder weg gehouden van de Kanaalkust en derhalve verder van Groot-Brittannië af. Het plan werd op 15 november 1939 goedgekeurd.

Het merendeel van de Belgische troepen was gelegerd langs het Albertkanaal en langs de Maas ten zuiden van Maastricht richting Luik. Het centrale punt was het fort Eben-Emael, het meest noordelijke fort van Luik bij de aansluiting van het Albertkanaal op de Maas. Wanneer deze linie niet meer kon worden gehouden, moest het Belgische leger terugvallen op de rivier Dijle.

Ondanks de neutraliteit van Nederland, was Général Maurice Gamelin ervan overtuigd dat, bij een overval op dat land, er ook een poging moest worden gedaan om de verdedigingslinie door te trekken naar de Nederlandse verdedigingslinies. Hier zou de hoofdverdediging worden gevoerd in de zogenaamde Grebbelinie. Die liep vanaf het IJsselmeer, oostelijk langs Amersfoort via Veenendaal tot de Grebbeberg bij Rhenen. Tussen de grote rivieren liep de stelling door in de Betuwestelling en verder naar de Peel-Raamstelling in Brabant. Bij de Nederlands-Belgische grens sloot de linie daarom niet aan op een Belgische verdedigingslinie. De Belgen hadden het Albertkanaal gekozen als eerste verdedigingslijn. Achter de Grebbelinie lag de Nieuwe Hollandse Waterlinie, waarin een lichte bezetting lag, maar waarop de verdedigers van de Grebbelinie konden terugvallen. Deze stelling sloot in het zuiden aan op het Zuidfront, dat liep langs het Hollands Diep en het Haringvliet naar de kust. Voor de afsluitdijk in het noorden lag in Friesland de stelling "Kornwerderzand". Bij Den Oever (aan de kant van Noord-Holland) lag een dergelijke stelling waarop kon worden teruggevallen. Het op deze manier verdedigde gebied, bestaande uit Noord- en Zuid-Holland en een deel van Utrecht, werd "Vesting Holland" genoemd.

Voordat de vijand bij deze verdedigingslinies kon komen, moesten eerst diverse stellingen genomen worden, die tot taak hadden de vijand te vertragen. We zullen ze kort noemen van noord naar zuid. Langs de gehele Duitse grens was een "Lijn van Waarschuwing" aangebracht, die tot taak had Duitse grensoverschrijdingen te melden en eventueel te saboteren. In Groningen was iets verder landinwaarts een "Lijn van Weerstand" aangelegd, die liep van de Eems tot in Drenthe. Langs de rivieren de IJssel, Maas-Waalkanaal en Maas waren voorts naar het oosten gerichte verdedigingslinies aangelegd, bestaande uit kazematten en artillerie. De verdediging van het IJsselmeer was opgedragen aan de Koninklijke Marine, die met het IJsselmeerflotielje een Duitse oversteek naar Noord-Holland moest verijdelen.

Het verbinden van de geallieerde en Nederlandse verdediging
Door de “gaten” tussen de Nederlandse en Belgische verdediging zaten de geallieerden met een dilemma. Om dit op te lossen, werd het Dijle-plan aangepast met een zogenaamd “Breda-Variant”. Hierbij zou een deel van het Franse leger de Nederlandse grens oversteken en trachten één front te vormen met de Nederlanders. Op 20 maart 1940 werd deze nieuwe variant goedgekeurd door de geallieerde regeringsleiders. Er werd echter totaal voorbij gegaan aan de verdedigingsplannen die Nederland zelf had opgesteld. Op topniveau waren de Fransen en de Belgen op de hoogte gebracht van een snelle Nederlandse terugtocht in de Vesting Holland, indien de Duitse legers zouden aanvallen. Vooral de Franse legerleiding nam niet eens de moeite om de bevelhebbers van de Franse 7ieme Armée hiervan op de hoogte te stellen. Dit was een tactische en strategische vergissing die de Fransen in het veld nog voor grote verrassingen zou doen staan.

Toch lag deze situatie niet aan het gebrek aan contact. De Nederlandse militaire attaché in Parijs, luitenant-kolonel D. van Voorst Evekink, had al vroeg opdracht gekregen van generaal Henri G. Winkelman om van de Franse bevelhebber Général Maurice Gamelin te weten te komen wat Nederland van Franse zijde kon verwachten. Tegen ieder voorschrift in had hij het geheime memorandum gelezen en direct contacten gelegd. Op 5 april 1940 had Van Voorst Evekink een laatste onderhoud met Gamelin. Hieruit bleek dat de Fransen in dezelfde lijn dachten als de Belgen en ook de aansluiting tot de Peel-Raamstelling niet ondersteunden. Gamelin gaf aan dat de Fransen meer heil zagen in de verbinding via de lijn Breda-Dordrecht en dat hij een Belgisch-Nederlandse verdediging op de lijn Turnhout-Tilburg-Bergsche Maas als voorpost wenselijk vond. Général Gamelin gaf ook aan dat de Franse 7ieme Armée bij een Duitse aanval naar Nederland zou worden gestuurd. De totale geallieerde hoofdlinie zou dan gevormd worden door de lijn Givet-Namen-Leuven-Antwerpen-Roosendaal-Willemstad.'s Avonds diezelfde dag bracht Van Voorst Evekink in Eindhoven verslag uit aan de Nederlandse legerstaf. Voor Winkelman was dit verslag doorslaggevend om de Peel-Raamstelling niet langer als hoofdverdediging te kiezen, maar om de Vesting Holland hiervoor aan te wijzen.

De Nederlandse contacten met de Britten waren van een geheel andere orde. Historisch waren deze vooral gericht op het contact vanuit het oogpunt van de marine. De Nederlandse attaché was dan ook afkomstig van de Koninklijke Marine. Door de gezagsverhoudingen bij de Nederlandse legerleiding ontstond hier een vreemde situatie. Hoewel generaal Winkelman opperbevelhebber was van land- en zeestrijdkrachten, en dus chef van de marinestaf admiraal Furstner aan hem ondergeschikt was, had admiraal Furstner als bevelhebber van de Koninklijke Marine in Nederland en de Nederlandse koloniën, ook een gelijkwaardige positie aan die van generaal Winkelman. Hierdoor hadden beiden hun eigen contacten gelegd met de Britten. Generaal Winkelman richtte zich vooral tot het verkrijgen van ondersteuning door de Britten in de vorm van een 70-tal batterijen luchtdoelgeschut en maar liefst zes tot tien eskaders jachtvliegtuigen. Admiraal Furstner aan de andere kant had zijn contacten vooral aangewend om het voortbestaan van de Koninklijke Marine te garanderen na een eventuele Duitse bezetting. Dit laatste zou er toe leiden dat de Koninklijke Marine na de strijd het enige onderdeel van de Nederlandse strijdmacht was dat de oorlog kon voortzetten. Verder zorgde Furstner ervoor dat de Nederlandse goudvoorraad in veiligheid werd gebracht en dat de koninklijke familie kon worden geëvacueerd. Van Winkelmans wensen kwam niets terecht. De Britten waren uiteindelijk alleen bereid om een eenheid te sturen om vitale installaties te vernietigen.

Van de geallieerden had Nederland dus weinig te verwachten. De Belgen hadden meer mogelijkheden, maar hier was de geallieerde inbreng er vooral op gericht om de strijd buiten Frankrijk te houden. Van een goede samenwerking was geen sprake. Vooral de Fransen vonden toch vooral dat zij het voor het zeggen hadden en gingen er vanuit dat alle anderen zich wel op de Franse strategie zouden richten. Dit gebrek aan samenwerking zou één van de grote, misschien wel het grootste, struikelblokken vormen om tot een eenheid te komen. Hierdoor werd voorkomen dat op papier een geallieerde legermacht kon ontstaan die in getal minstens gelijkwaardig was aan de Duitse aanvaller.

Definitielijst

armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
cavalerie
In het Engels Calvary. Oorspronkelijk een aanduiding voor bereden troepen. In de Tweede Wereldoorlog de aanduiding voor gepantserde eenheden. Belangrijkste taken zijn verkenning, aanval en ondersteuning van infanterie.
Divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant, op den duur versterkt door Italië en de Verenigde Staten (de zogeheten Triple Entente), en Duitsland, Italië, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (Triple Alliance). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
interbellum
Het tijdvak tussen WO I en WO II.
invasie
Gewapende inval.
kanon
ook bekend als Kanone (Du) en Gun (En). Wordt vaak gebruikt om allerlei geschut aan te duiden. Eigenlijk slaat de term op vlakbaan geschut. Wordt gekenmerkt door een langere loop en grotere dracht.
kruiser
Snelvarend oorlogsschip van 8000-15000 ton, geschikt voor diverse taken als verkenning, verkenningsafweer en konvooibescherming.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
mitrailleur
Machinegeweer, een automatisch, zwaar snelvuurwapen.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
neutraliteit
Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
torpedobootjager
(Engels=destroyer) Zeer lichtgebouwd, snel en wendbaar oorlogsschip, bestemd om door verrassingsaanvallen grote vijandelijke schepen met de torpedo tot zinken te brengen.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


De Geallieerde verdedigingslinies
(Bron: STIWOT)


Een overzicht van de Maginot Linie
(Bron: Schools History)


Général Maurice Gamelin
(Bron: Proberten Encyclopedia)


Ergens langs de Peellinie
(Bron: Wilco Vermeer)


De ingang van Fort Eben Emael
(Bron: Internet Lexicon)

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
03-05-2005
Laatst gewijzigd:
11-05-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002-2010
Go2War2.nl is altijd op zoek naar nieuwe (gast)auteurs, lees voor meer informatie de FAQ.