Fall Gelb, het Duitse offensief in het Westen
De Duitse aanval
Duitsland valt aan
Nadat de aanval op de Lage Landen diverse keren was uitgesteld, vielen Duitse troepen in de vroege ochtend van 10 mei 1940 Nederland, België en Luxemburg binnen. Laat op de avond van de 9e mei waren de troepen op de hoogte gebracht van het doorgaan van de operatie, middels het codewoord “Danzig”. Hitler was al midden in de nacht met zijn trein “Amerika” via een omweg vertrokken naar het Führerhauptquartier “Felsennest” nabij Bad Münstereifel. De nacht van 9 op 10 mei was door 7 toestellen van de 9.Flieger-Division al een begin gemaakt met het leggen van magnetische mijnen in de kustgebieden van Den Helder, IJmuiden, Hoek van Holland, de Schelde, Vlissingen, Zeebrugge en Oostende. Ruim twee en een half uur voordat om 03.55 uur de landaanval begon, werd het Nederlandse en Belgische luchtruim al op grote schaal door vliegtuigen geschonden. Tevens waren de transportvliegtuigen met aan boord de eenheden van de Generalleutnants Kurt Student en Graf von Sponeck, ongehinderd het luchtruim van Nederland en België binnengedrongen.
De aanvalsgolf voor Nederland werd geleid door Kampf-Geschwader 4, bestaande uit ongeveer 90 Heinkel He 111 toestellen die kort voor 01.00 uur al waren opgestegen van hun thuisbases en over Nederland heenvlogen als waren ze op weg naar Groot-Brittannië, maar vervolgens boven de Noordzee keerden. Een andere groep van 28 Junkers Ju 88 toestellen van Kampf-Gruppe 30 onder begeleiding van Messerschmitt Bf 109 en Messerschmitt Bf 110 jagers van de Jagd-Geschwader 3, 26, 27 en 51, volgden de misleidende route over het noorden om boven de Waddenzee van koers te veranderen. De bommenwerpers bombardeerden en de jagers mitrailleerden vervolgens de Nederlandse vliegvelden De Vlijt (Texel), De Kooy (Den Helder), Bergen, Schiphol, Valkenburg, Ypenburg en Waalhaven. Doel hiervan was uiteraard om de Nederlandse vliegtuigen op de grond al uit te schakelen. De aanval was minder succesvol dan de Duitsers hadden gehoopt. Alleen op Bergen wisten ze de verdediging te verrassen. Helaas was daar een groot deel van de modernste jagers (Fokker G.1) gestationeerd. Maar liefst 11 van deze toestellen werden bij deze aanval vernietigd. In totaal werden van de 124 operationele vliegtuigen van Nederland op 10 mei 15 buiten gevecht gesteld. Niet alleen de vliegbases waren het slachtoffer van de Duitse luchtoverval. Zo werden in Den Haag de kazernes en het barakkenkamp Waalsdorp aangevallen waarbij 150 soldaten werden gewond en 80 gedood.
Ook de Franse en Belgische vliegvelden vielen ten prooi aan de Duitse Luftwaffe. Kampf-Geschwader 2 en Kampf-Geschwader 53 leidden hier de aanvallen. De vliegvelden Reims-Champagne, Stenay, Basse Yutz, Châtel Chéhéry, Mourmelon, Challerange, Saaralbe en Brussel werden zwaar geteisterd. Jagers van de Jagd-Geschwader 21 en 27 zorgden voor de dekking. Ook hier was de verrassing enorm en werden grote delen van de geallieerde luchtstrijdkrachten op de grond verrast.
Bij een tweede golf werden de eerder aangevallen vliegvelden wederom bestookt, maar werden ook de secundaire vliegvelden aangevallen.
Zo werden in Nederland nu ook de bases Soesterberg, Gilze-Rijen, Hilversum en Welschap (Eindhoven) zwaar getroffen. Vanaf dit moment concentreerde de Luftwaffe zich ook op troepen op de grond zoals luchtafweergeschut, legereenheden en grondversterkingen.
Luchtlandingen
Direct volgend op de bombardementen op de Nederlandse en Belgische vliegvelden werden op grote schaal luchtlandingen in de Vesting Holland uitgevoerd. Eveneens werden Duitse Fallschirmtruppen ingezet bij de verovering van het strategisch gelegen Belgische fort Eben-Emael
Den Haag
In de vroege morgen begonnen de goed voorbereidde landingen rondom Den Haag met een zwaar luchtbombardement op de vliegvelden Ypenburg en Valkenburg en op enkele doelen in Den Haag. Daarna landden al spoedig transportvliegtuigen van het type Junkers Ju 52 en daalden er parachutisten op en rondom de vliegvelden. Er ontstond hierdoor een situatie waarbij het Nederlandse leger niet alleen te maken kreeg met een oprukkende vijand die vanaf de grens trachtte het land binnen te trekken, maar ook met vijandelijke troepen midden in het belangrijkste verdedigingscentrum. Hierdoor zouden uitermate belangrijke eenheden niet elders aan het front kunnen worden ingezet, maar moesten constant op zoek gaan naar groepen parachutisten en luchtlandingseenheden.
Belast met de bescherming binnen de Vesting Holland was luitenant-generaal J. van Andel. Zoals we al eerder hebben gezien had hij speciaal troepen tot zijn beschikking die voor de verdediging van de vliegvelden. In Wassenaar was het 1 R.H.M (1e Regiment Huzaren-Motorrijders) gestationeerd. Ypenburg had de beschikking over zes pantserwagens en het III-R.Gr. (3e Bataljon Regiment Grenadiers). Valkenburg kreeg voor de directe bescherming het 1-III-4 R.I. en 3-III-4 R.I (1e en 3e compagnie van het 3e bataljon uit het 4e Regiment Infanterie) en een sectie zware mitrailleurs van hetzelfde bataljon. Ockenburg werd bewaakt door de 22e Depotcompagnie Bewakingstroepen. Voor een goede coördinatie tussen deze troepen en de luchtbescherming, waren zij onder bevel van de commandant luchtbescherming, luitenant-generaal Best gebracht die rechtstreeks onder Henri Winkelman viel. Van Andel kon daarnaast echter nog beschikken over de in de Vesting Holland aanwezige depottroepen en het in reserve gehouden Ie Legerkorps.
Op Ypenburg, Ockenburg en Valkenburg werden na een zwaar luchtbombardement Fallschirmjäger afgeworpen en Luftlandetruppen aan de grond gezet. Na zware en verbeten strijd wisten de Duitse troepen uiteindelijk de vliegvelden te bezetten.
Na een geïmproviseerde afsluiting van Den Haag door de Nederlandse troepen, gingen diverse commandanten tot de aanval over en in de loop van de dag werden de Duitse troepen in geïsoleerde groepen samengebracht. De vliegvelden waren aan het eind van de dag weer onder Nederlandse controle.
Moerdijkbruggen
Ondertussen waren ook troepen van de Duitse 7.Flieger-Division geland bij Rotterdam en bij Moerdijk. De divisie had opdracht de bruggen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam bij verrassing te nemen en te houden tot contact was gekregen met troepen die via Noord-Brabant oprukten (het XXVI.Armeekorps van General A. Wodrich met de 9.Panzer-Division en de 245. en 256.Infanterie-Division).
De landingen werden uitgevoerd na bombardementen rondom de doelen. Na schermutselingen met de verdedigers wisten de Duitsers de Moerdijkbruggen ongeschonden in handen te krijgen en gedurende de loop van de dag werd de as Dordrecht-Moerdijk veroverd. De verovering van de Moerdijkbruggen moet gezien worden als één van de grootste Nederlandse tegenslagen van de oorlog. Hierdoor was een opening in de belangrijkste verdedigingslinie van Vesting Holland gecreëerd. De aangebrachte springladingen op de Moerdijkbruggen konden niet meer worden geactiveerd omdat op last van de legerleiding de ontstekingen nog niet waren aangebracht. De bruggen waren immers cruciaal voor het terugtrekken van de Nederlandse troepen in Noord-Brabant. Voordat men de ontsteking kon aanbrengen waren de bruggen al in handen van de Duitse Fallschirmjäger.
Op het Eiland van Dordrecht ontstond een totaal onoverzichtelijke situatie. De toestand in Dordrecht zelf werd onhoudbaar door het falen van de plaatselijke bevelhebber, overste Mussert. Toch leden de Duitse parachutisten op het Eiland van Dordrecht ernstige verliezen door individuele acties van de Nederlandse verdediging en bleef het noordoostelijk deel van het Eiland in Nederlandse handen. Ten noorden en ten zuiden van Dordrecht en nabij Zwijndrecht landden Duitse Fallschirmjäger die direct het 85e en 86e Peloton Luchtdoelmitrailleurs buiten gevecht wisten te stellen nabij de bruggen over de Oude Maas. Hiermee konden zij de weg- en de spoorbrug al om 05.55 uur in handen hebben. Hoewel gevechten nog tot 13 mei doorgingen konden Nederlandse troepen deze bruggen niet meer heroveren.
Rotterdam
Om 04.50 uur 's morgens landden er op de Nieuwe Maas in Rotterdam 12 watervliegtuigen (Heinkel He 59), waaruit troepen per rubberbootjes naar de kant peddelden en zonder noemenswaardige tegenstand de Maasbruggen, het Noordereiland, het Maasstation, de Boompjes en een aantal gebouwen op de noordelijke oever in bezit namen. Al snel kregen ze versterking van parachutisten, die bij het Feyenoordstadion waren geland.
Nadat het vliegveld Waalhaven was gebombardeerd, waarbij een gedeelte van de daar aanwezige Nederlandse vliegtuigen van het type Fokker G.1 van de 3e Jachtgroep werd vernield, kon het vliegveld ook door parachutisten worden veroverd. Op initiatief van enkele Nederlandse commandanten werd op de noordelijke Maasoever met tegenacties begonnen. Ook stortten de in Rotterdam gelegerde mariniers zich in de strijd.
De Nederlandse torpedoboot HrMs Z 5 verleende (samen met de torpedomotorboot HrMs TM 51) assistentie en vernietigde een vijftal van de Heinkels op de rivier. Daarna stoomde het op naar de Willemsbrug en gaf gericht vuur op de Duitse posities waarbij de aanwezige Duitse mitrailleursposten deels werden vernietigd. Zelf ontving de HrMs Z 5 ook enkele treffers en de roerganger werd gewond. Toen al het kruit verschoten was trokken beide schepen zich terug.
Om 10.30 uur besloot vice-admiraal Furstner (Chef Marinestaf) de torpedobootjager HrMs Van Galen (1.316 ton standaardwaterverplaatsing en bewapend met vier 12 cm Bofors kanonnen) naar Rotterdam te sturen. Toen het schip op de Nieuwe Waterweg ter hoogte van Vlaardingen kwam kreeg het een aanval van de Luftwaffe te verduren, waarbij de vuurleiding, het stuurhuis en een kanon werden vernield. De HrMs Van Galen werd toen in de Merwedehaven afgemeerd, waar het schip langzaam zonk.
Eben-Emael
Het noordelijkste fort van Luik, Eben- Emael genaamd, had een dominante positie aan het Albertkanaal. Het geschut van het fort bestreek de bruggen over het Albertkanaal bij Vroenhoven en Veldwezelt en beheerste de wegen van Maastricht naar het westen. Het fort was nog nieuw. Het was aangelegd tussen 1932 en 1935 en met de meest moderne bewapening en apparatuur uitgerust. Over het terrein van 700 bij 900 meter was een hecht complex van gecoördineerde artillerie- en infanteriewerken aangelegd. De geschutskoepels, die op strategische plaatsen waren opgesteld met 7,5 cm of met 12 cm kanonnen, waren onderling verbonden door een kilometerslang tunnelstelsel. In militaire kringen stond de fortificatie bekend als "onneembaar".
De Duitse Generale Staf (het OKH) had met de planning van de aanval op België rekening gehouden met de inname van Eben-Emael, i.v.m. de gewenste snelle doorbraak van de linie langs het Albertkanaal. Omdat een verassingelement belangrijk werd geacht (de Belgen mochten geen gelegenheid krijgen de bruggen over het Albertkanaal te vroeg op te blazen) werd besloten gebruik te maken van zweefvliegtuigen. Met deze onorthodoxe methode wilden de Duitsers troepen laten landen op "het dak" van het fort. Een speciale commandoploeg werd in 1939 te Hildesheim gevormd en werd er onder de grootste geheimhouding met de opleiding gestart. De compagnie was verantwoordelijk voor de verovering van het fort en voor de verovering van drie bruggen.
Op 10 mei 1940 om 4.30 uur vertrokken de 11 zweefvliegtuigen met de manschappen van de vliegvelden bij Keulen. De eenheid onder leiding van Kapitän Koch was al speciaal voor deze actie in november 1939 bijeengebracht. Volgens berekening zouden de vier stormtroepen om 5.25 uur op Eben-Emael en bij de bruggen landen, precies 5 minuten voor de legers de grens overschreden. Volgens plan landden 9 zweefvliegtuigen op het fort en werden de Belgische bewakingstroepen volledig verrast. Twee ander zweefvliegtuigen waren door het slechte zicht de weg kwijtgeraakt. Eén daarvan wist zich op een later tijdstip alsnog bij de eenheden te voegen, terwijl de andere neerkwam in de buurt van de bruggen over het Albertkanaal en zich bij de Duitse troepen voegde die deze bruggen moesten veroveren. De landing werd een succes.
Met behulp van een nieuw wapen (de zogenaamde "holle ladingen", een explosief) werden de pantserkoepels van het fort opgeblazen. De Belgische soldaten (zo'n 700 man) boden hevig tegenstand, ondanks de verassing van de aanval. In de middag van 10 mei werd het fort beschoten door de Belgische artillerie, in een poging de Duitsers te verjagen. Tevergeefs, nadat de aanvallers nog eens zo'n 100 kg springlading tot ontploffing gebracht hadden in de nacht van 10 op 11 mei, moesten de Belgen op 11 mei om 12.00 uur het "staakt-het-vuren" geven.
De geallieerde luchtverdediging
Bij de verrassende aanvallen op de Nederlandse en Belgische vliegvelden vroeg in de morgen van de 10e mei, waren de keurig opgestelde vliegtuigen van de Nederlandse en Belgische luchtmacht in principe een eenvoudige prooi voor de Duitse bommenwerpers. Toch konden, tussen de bommen door, nog veel vliegtuigen opstijgen.
Op Waalhaven wisten 8 van de 11 Fokker G.I's op te stijgen en 16 Duitse vliegtuigen neer te schieten. Door het bombardement konden ze niet terugkeren naar het vliegveld en werden ze op het strand bij Oostvoorne aan land gezet, onbruikbaar voor de rest van de oorlog. In Bergen (Noord-Holland) stonden nog eens 12 G.1's, maar hier werden 11 stuks op de grond vernield en kon maar één toestel opstijgen. Ook voor de Fokker D.XXI jagers op De Kooy, Schiphol en Ypenburg golden gelijksoortige verhalen.
Slechts de eerste oorlogsdag was er werkelijke sprake van strijd in de lucht. Al even na 07.00 uur stegen de vijf op Schiphol overgebleven Fokker T.V. bommenwerpers op voor een aanval. Op Ockenburg werden Duitse Junkers Ju 52/3m vernield en elders werden met wisselend succes bommen afgeworpen. De bommenwerper van piloot B. Swagerman werd hierbij neergeschoten. Een volgende vlucht met drie Fokker T.V bommenwerpers, geëscorteerd door 6 Fokker D.XXI jagers werd uitgevoerd naar vliegveld Waalhaven. Ook hier wisten de bommenwerpers schade toe te brengen. De prijs was echter hoog, twee van hen werden neergeschoten. Hierdoor waren op de avond van 10 mei nog maar 2 Fokker T.V bommenwerpers inzetbaar. Op Bergen hadden 10 Fokker C.X verkenners de aanval overleefd en werden als bommenwerper ingezet. Deze toestellen bleken zeer succesvol. De lage snelheid stelde ze in staat om vlak over de grond naar en van hun doel te vliegen waardoor de vijand nagenoeg geen mogelijkheid had om effectief aan te vallen. De bommenlading was echter nauwelijks effectief om daadwerkelijk ernstige schade aan te brengen.
De Nederlandse jagers, de Fokker D.XXI 's, de G.1 's en Northrop 8a's (eigenlijk grondaanvalsvliegtuigen) weerden zich moedig, maar tegen het eind van de dag was het grootste gedeelte uitgeschakeld en waren de luchtstrijdkrachten gereduceerd tot verouderde vliegtuigen en tweedekkers.
De Belgische luchtmacht verging het nog slechter. Nagenoeg de complete luchtmacht werd aan de grond vernietigd. De toestellen die wel de lucht in kwamen, voerden een wanhopige strijd tegen een overweldigende tegenstander. De Fransen en Britten blonken uit in afwezigheid. De getroffen Franse vliegvelden waren een puinhoop en pas op 11 mei wist men enige gecoördineerde vluchten te gaan uitvoeren. De enkele Belgische Fairey Fox, Hawker Hurricane en Gloster Gladiator toestellen die wisten op te stijgen, vonden zich net als de Nederlanders tegenover een overmacht. De enige Franse tegenacties hielden pure verdediging van de vliegvelden in en werden veelal afgeslagen door de grote Duitse jagerescortes. Opmerkelijk aangezien de Franse luchtmacht toen toch al over meer dan 4300 moderne vliegtuigen beschikte, waarvan zo'n 1150 aan het westfront. Toch wisten de Franse Curtiss 75 A jagers nog 220 Duitse toestellen neer te schieten gedurende de gehele Duitse campagne, de Bloch MB 150 totaal 156 en de Morane-Saulnier MS 406 jagers 191. De verliezen waren echter bijna net zo hoog.
Luchtlandingen in de Ardennen
Veelal onbekend gebleven zijn de kleine maar belangrijke luchtlandingsoperaties geweest in het operatiegebied van Heeresgruppe A in de Ardennen. Totaal werden er twee operaties ondernomen met als doel het vergemakkelijken van de Duitse doortocht door de Ardennen. De grootste operatie was bedoeld voor de route die genomen zou moeten worden door het XIX.Armeekorps en dan met name de Panzergruppe Von Kleist. De landingseenheid kon kiezen uit twee landingsgebieden, afhankelijk van de situatie op de grond. Operatie Niwi was gepland tussen Neufchateau, Bastogne en Martelange, terwijl Operatie Rosa de troepen in Luxemburg zou brengen. Uiteindelijk werd op het laatste moment gekozen voor Operatie Niwi omdat de Duitse legerleiding verwachtte dat de doortocht door Luxemburg per definitie voor minder problemen zou zorgen.
De tweede landing had tot doel het beschermen van de zuidflank van het XXIII.Armeekorps en zou worden uitgevoerd door het Luftlandekommando Hedderich in Luxemburg aan de Franse grens.
Operatie Niwi
Operatie Niwi had tot doel het bezet en open houden van belangrijke wegen ten oosten van de stad Neufchateau. Het oorspronkelijke plan was om een eenheid van 400 manschappen te laten landen op tijdelijke landingsbanen met behulp van Fieseler Fi 156 Storch toestellen aangezien er maar drie Junkers Ju 52/3m vliegtuigen konden worden vrijgemaakt voor de operatie. Deze totale luchtvloot stond onder leiding van Major Otto Förster. De 400 manschappen werden geselecteerd uit het Infanterie-Regiment “Gross Deutschland” en wel het derde bataljon. Het bevel over de operatie was in handen van Oberstleutnant Eugen Garski, de bevelhebber van het III.Bataillon. Als landingsgebieden werden enkele velden in de buurt van de plaatsjes Nives en Witry uitgekozen. Bij Witry moesten 56 toestellen met totaal 240 manschappen landen onder leiding van Garski zelf. Nabij Nives zouden circa 160 manschappen worden afgezet met 42 toestellen onder leiding van Hauptmann Walther Krüger.
De toestellen stegen om 04.20 uur op 10 mei op van Dockendorf en Pützhöhe, beide gelegen nabij Bitburg. Door een navigatiefout in de voorste groepen bleven maar vier toestellen van de groep richting Nives over terwijl de overige toestellen de groep naar Witry volgden. Deze fout werd echter later rechtgezet door enkele toestellen van de latere groepen naar Nives te dirigeren.
Door de verwarring raakten echter diverse toestellen van koers en kwamen op de verkeerde plaatsen terecht. Het resultaat was dat maar liefst 93 toestellen op een andere plaats terechtkwamen dan bedoeld. De eenheden raakten zo ver uit elkaar terwijl bij de landing nog diverse Fieselers beschadigd werden. Krüger kwam met slechts vier man terecht in de buurt van het plaatsje Lèglise, 2 kilometer van de afgesproken plek. Uiteindelijk verzamelde hij rond de 180 man om zich heen, maar liefst twee keer zoveel als bedoeld. Ondanks al deze tegenslag begon men belangrijke kruispunten te bezetten, telefoonlijnen te saboteren en zichzelf transportmiddelen te verschaffen, om zo voldoende troepen naar Garski te kunnen zenden.
Ondertussen was de verdediging in actie gekomen. De sector werd verdedigd door eenheden van de Belgische 1er Régiment de Chasseurs Ardennais en werd ondersteund door eenheden van de Franse 5ième Division Légère de Cavalerie. Deze laatste vormde een regelrechte bedreiging voor Krüger, die hierop besloot om aansluiting te zoeken met Garski. Toen om 10.30 uur de Belgische eenheden arriveerden in Lèglise, waren de Duitsers dan ook al weg.
Verder naar het noorden had Garski slechts 9 man tot zijn beschikking, maar begon toch met het uitvoeren van zijn opdrachten. Een tweede landing om 07.00 uur bracht hem wat versterkingen. Al snel volgde het eerste contact met de vijand, een Belgische patrouille met 10 man, een motorrijder en een T-13 Licht tank onder leiding van Lieutenant Emile Schweicher. Garski wist de aanval af te slaan en vervolgens Witry in te nemen. Tegen het middaguur bereikte ook Krüger hem en kon Garski een aanzienlijke strijdmacht van circa 300 man in gevecht brengen. Lieutenant Schweicher had ondertussen versterking gekregen van nog een T-13 tank en aan het eind van de middag liepen beide troepen elkaar tegen het lijf. De Duitse overmacht was echter te groot en na het verlies van een T-13 moesten de Belgen zich terugtrekken. Tegen de avond kon Garski contact maken met oprukkende eenheden van de 1.Panzer-Division. Wat was er ondertussen bij Nives gebeurd. Pas tegen 07.00 uur waren de eerste eenheden onder leiding van Leutnant Andreas Obermeier daar aanwezig. Na enige vervoersmiddelen te hebben gevorderd ging hij op weg om de omgeving te verkennen. Nabij Vaux kwamen ze in aanraking met de 5ième Division Légère de Cavalerie. Hoewel men een Panhard P-178 pantserwagen wist uit te schakelen werd Obermeier gedwongen terug te vallen op Nives. Daar kwamen beide eenheden in een patstelling te staan. Ook nabij Nives werden de Duitsers aangevallen door een Belgische patrouille. De Belgen wisten twee van de drie Junkers Ju 52/3m toestellen te vernielen die voorraden kwamen aanbrengen. Hierna trokken de Belgen zich terug, maar de Fransen vielen onverminderd aan. Onder de dekking van de invallende nacht wisten de Duitsers echter stand te houden tegen de Franse pantserwagens die zonder infanterie geen aanval op Nives konden ondernemen. Bij het aanbreken van de dag maakten de Duitsers in Nives contact met eenheden van de oprukkende 2.Panzer-Division.
Operatie Niwi was op zich geslaagd, maar de zwakke verdediging had een grote tol geëist. Totaal werden 30 man gedood, gingen 16 Fieseler Fi 156 en twee Junkers Ju 52/3m toestellen verloren. Aan de aanval zelf werd verder weinig ruchtbaarheid gegeven. Toch werden 46 IJzeren Kruizen (1e en 2e Klasse) uitgereikt en ontving Oberstleutnant Eugen Garski voor deze actie het Ritterkreuz zum Eisernen Kreuz.
Luftlandekommando Hedderich
De opmars van de 16.Armee moest op de linkerflank worden gedekt door het XXII.Armeekorps, waar het vooral de opmars van de Gruppe Von Kleist moest beschermen. Vooral de 34.Infanterie-Division had een belangrijke taak. Zij moest immers op de eerste dag van Fall Gelb, de rivier de Moezel oversteken en zo'n 40 kilometer Luxemburg binnentrekken. Hierbij wist men dat een Duitse aanval de Franse opmars van de 3ième Division Légère de Cavalerie zou uitlokken.
Toen operatie Niwi werd uitgedacht gaf Hitler zelf het bevel om nog een andere luchtlanding uit te laten voeren in Luxemburg ter dekking van de flank van de 16.Armee. Hiertoe werden vrijwilligers geworven uit de 34.Infanterie-Division. Totaal werden 125 manschappen verdeeld in 5 speciale eenheden met elk een eigen taak. Het bevel over de totale operatie werd gegeven aan Oberstleutnant Werner Hedderich van het Infanterie-Regiment.80. Dit resulteerde in de codenaam Luftlandekommando Hedderich.
Vanaf het vliegveld Trier-Euren zouden de mannen door vijfentwintig Fieseler Fi 156 Storch toestellen worden overgebracht. De eerste golf vertrok op 10 mei om 04.30 uur. Boven Luxemburg splitste de groep zich in vijf vluchten richting de doelen, de kruispunten nabij Bomicht/Petange, Aessen/Soleuvre, Foetz/Esch, Mechelacker/Bettembourg en Hau/Frisange. Al om 05.00 uur kon worden gemeld dat de landing een succes was. Ondertussen hadden de Vorausabteilung A en Vorausabteilung B van de 34.Infanterie-Division de bruggen over de Moezel bij respectievelijk Wormeldange en Remich onbeschadigd in handen gekregen. Al snel kon Vorausabteilung A contact maken met de gelande troepen bij Bomicht en Vorausabteilung B bij Mechelacker, voordat de Fransen hadden kunnen reageren. Bij Aessen kon met net contact maken met Vorausabteilung A voordat een Panhard P-178 pantserwagen van 3ième Division Légère de Cavalerie (behorende tot de 3ième R.A.M.) de Duitse luchtlandingstroepen kon aanvallen. De eerste aanval kon worden afgeslagen, maar tegen de middag kon het kruispunt worden veroverd door eenheden van het 4ième Regiment de Spahis, ondersteund door enkele Hotchkiss H-35 pantserwagens. Ondertussen was de Duitse hoofdaanval echter genaderd zodat de Fransen zich alsnog moesten terugtrekken.
De eenheid bij Hau onder leiding van Leutnant Hans Lauer moest zich al snel gewonnen geven aan een Franse aanval, waarbij Lauer werd gedood. De Franse opmars kwam echter al snel tot stilstand door de aanstormende Duitse hoofdmacht. Nabij Fetz kreeg de eenheid al snel versterking van Vorausabteilung B en trok verder naar de Franse grens. Hier moest men echter ook weer terugtrekken door een Franse aanval die kon doorstoten tot Esch alvorens te worden afgestopt. Na een veldslag die duurde tot in de avond moesten de Fransen hier echter ook weer terugtrekken.
De luchtlandingen van het Luftlandekommando Hedderich en de snelle opmars van de 34.Infanterie-Division had echter succes en kon al snel de overwinning in Luxemburg uitroepen. Het succes had slechts het leven gekost aan een dertigtal manschappen en het verlies van vijf Fieseler's. Op 12 mei werd het Luftlandekommando opgeheven en op 13 mei werd aan iedere deelnemer het IJzeren Kruis 2e Klasse toegekend, terwijl Oberleutnant Werner Hedderich het IJzeren Kruis 1e Klasse kreeg uitgereikt te Bascharage uit handen van General Ernst Busch, de bevelhebber van de 16.Armee.
Definitielijst
- artillerie
- Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
- divisie
- Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
- Fallschirmjäger
- Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
- Infanterie
- Het voetvolk van een leger (infanterist).
- kanon
- ook bekend als Kanone (Du) en Gun (En). Wordt vaak gebruikt om allerlei geschut aan te duiden. Eigenlijk slaat de term op vlakbaan geschut. Wordt gekenmerkt door een langere loop en grotere dracht.
- Luftwaffe
- Duitse luchtmacht.
- Regiment
- Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
- torpedobootjager
- (Engels=destroyer) Zeer lichtgebouwd, snel en wendbaar oorlogsschip, bestemd om door verrassingsaanvallen grote vijandelijke schepen met de torpedo tot zinken te brengen.
Pagina navigatie
- <<< (De verdediging)
- Pagina 1 (Inleiding)
- Pagina 2 (Geen verrassing?)
- Pagina 3 (De voorgeschiedenis)
- Pagina 4 (De Duitse troepen)
- Pagina 5 (De verdediging)
- Pagina 6
- Pagina 7 (De grensoverschrijdingen)
- Pagina 8 (Nederland Capituleert)
- Pagina 9 (België onder grote druk)
- Pagina 10 (België Capituleert)
- Pagina 11 (Epiloog)
- >>> (De grensoverschrijdingen)
Afbeeldingen
Duitse Fallschirmjäger springen boven Nederland, mei 1940 (let op de Fokker G.1 rechtsboven in beeld)
(Bron: Venik's Aviarion)
Fallschirmjäger na de landing (scene uit een opleidingsfilm)
(Bron: Wilco Vermeer)
Diverse Junkers Ju 52/3m toestellen moesten op een openbare weg landen
(Bron: Wilco Vermeer)
De Fieseler Fi 156, ingezet voor luchtlandingen in de Ardennen
(Bron: Warbird Pictures)
Informatie
- Artikel door:
- Wilco Vermeer
- Geplaatst op:
- 03-05-2005
- Laatst gewijzigd:
- 11-05-2010
- Opmerkingen? Spelfouten?
- Geef ons uw feedback!