Ervaringen uit de oorlogsjaren van werknemers van De Vlisco, textielfabriek in Helmond

1942-1943

Inleiding

De Vlisco was (en is nog steeds) in de oorlogsjaren een grote textielfabriek midden in Helmond, vlak bij het station. In al die jaren is er aan het fabrieksterrein wel het een en ander veranderd, maar nog altijd zijn veel van oude gebouwen te vinden. De fabriek stond onder leiding van de familie Fentener van Vlissingen, waarvan twee familielieden in de oorlog omkwamen. Veel Helmonders waren in dienst bij dit bedrijf, ook in de oorlog. Het personeelsblad "De Rakel" publiceerde na de oorlog een aantal artikelen van de hand van hun medewerkers. Wij kunnen die hier met toestemming van de Vlisco publiceren. (Redactie Go2War2.nl)

Herinneringen 1942-1943

Motto: "Het was niet veel... in de Peel!"

Toen wij de winter van 1941 Ė 1942 tegemoet gingen, zag het er met de brandstoffenvoorziening kortweg "miserabel" uit! Ook met de produktie was het niet best gesteld, maar om verschillende redenen moest er worden gewerkt en dus... moest ook de schoorsteen blijven roken.
De ouderen onder ons zullen zich zonder twijfel nog wel de tijd herinneren, dat een deel van onze eigen mensen in 1942 en 1943 in de Peel turf gingen graven en het is over dit werk, dat wij U in dit speciale nummer van "De Rakel" een en ander willen vertellen. Wij doen dit met temeer genoegen, omdat het ons bekend is, dat de heer P. Fetener van Vlissingen Pzn., tezamen met zijn neef de heer P.J. Fentener van Vlissingen Hzn., een zeer groot aandeel heeft gehad in de behandeling en de dagelijkse leiding van deze zaken.

Het was in het najaar van 1941 dat het gebrek aan steenkool zo nijpend was, dat de directie besloot in eigen beheer turf als hulpbrandstof voor het bedrijf te gaan produceren. Er werd vergunning gevraagd en verkregen, na veel besprekingen met diverse instanties, om met eigen personeel "fabrieksturf" te gaan graven op een terrein genaamd "Mariaveen", gelegen bij Helenaveen.

Het doel van deze eigen turfwinning was tweeledig: eerstens zou er namelijke en behoorlijke hoeveelheid hulpbrandstof ter beschikking komen, als aanvulling op de steeds kleiner wordende kolentoewijzingen, en tweedens zouden onze mensen, althans voor zover zij in de Peel tewerk gesteld zouden kunnen worden, geen risico meer lopen opgeroepen te worden voor de "Arbeidsdienst" hier te lande of in Duitsland. Omdat wij nu eenmaal geen "peelwerkers" maar wel textieldrukkers waren, werd er na moeizame en langdurige onderhandelingen in het voorjaar van 1942 een overeenkomst gesloten met een maatschappij, die op dit gebied deskundig was en die dus in staat zou zijn het werk in onze eigen veenderij te leiden, teneinde een bruikbare kwaliteit fabrieksturf te produceren tegen een zo laag mogelijke prijs.

De eerste campagne, die in het voorjaar van 1942 begon, verliep niet zo voorspoedig als wij hadden gehoopt. Ten gevolge van de strenge wintermaanden in begin 1942 werd er veel later begonnen dan gewoonte was in de Peel en het kostte natuurlijk nogal wat tijd voordat onze mensen even goed met "nat veen", of wel met "natte klot", wisten om te gaan als met textielweefsels. Van lieverlede leerde echter een ieder zich aanpassen en door regelmatig contact tussen de veenderij en Helmond kwam de produktie langzamerhand op gang. Omdat het werk, dat gedaan moest worden, totaal verschillend was van dat wat onze mensen in Helmond gewoon waren te doen, kwamen er natuurlijk wel eens moeilijkheden voor, maar die werden door overleg tussen de beide genoemde heren Van Vlissingen enerzijds en de leiders van het werk in de veenderij anderzijds, uit de weg geruimd.

Niet veel?

Een van onze eigen "peelwerkers" heeft destijds in een Lofzang op de Peel gezegd: "Neen... het is niet veel... in de Peel!", maar alles bij elkaar is er toch 18.000 ton, of wel 18 miljoen kilo turf door onze eigen veenderij geproduceerd. Dat die turf niet altijd even mooi van model was en door elkaar genomen teveel vocht bevatte, willen wij slechts volledigheidshalve vermelden. Daarover is destijds al behoorlijk wat gemopperd, waarlijk niet alleen door genoemde heren Van Vlissingen, maar door een ieder, die iets met de veenderij te doen heeft gehad.

Hoe dat allemaal precies in zijn werk is gegaan? Het zou werkelijk teveel ruimte vragen als wij alle opgedane ervaringen in bijzonderheden zouden willen beschrijven. Daarover kunnen diegenen, die destijds tot onze "peelwerkers" hebben behoord, beter samen nog eens napraten.

Als toelichting bij de foto's, die wij hier reproduceren, willen wij slechts het volgende memoreren: De eigenlijke turfgraverij, ook wel het turfsteken genoemd, loopt in de Z.O.-hoek van Brabant van half maart tot eind juni. De in die periode geproduceerde turf, die uit de ongeveer 1 meter diepe putten (5 ŗ 6 meter breed en 600 ŗ 1000 meter lang) op het zogenaamde zet- of droogveld naast de put terecht komt en die natuurlijk veel vocht bevat, moet verschillende malen worden "omgezet" om te drogen. Gedurende de maanden Mei t.e.m. Augustus moet er alles aan gedaan worden om te profiteren van de gunstige invloed van ZON en WIND om dit droogproces te bevorderen. Begin september wordt met het verschepen van de bij de aanvang van de campagne gestoken en inmiddels gedroogde turf begonnen. De door ons gecharterde schepen (een vloot van 4 tot 6 schepen) brachten de gereedgekomen turf door de zeer nauwe en ondiepe kanalen in de Peel en verder via de Noordervaart en de Zuid-Willemsvaart naar Helmond. Deze schepen moesten speciaal worden uitgezocht, want zij moesten zo zijn gebouwd, dat zij bij een geringe diepgang (ca. 1.20m) en een niet te hoge deklast (met het oog op de vaste bruggen) toch nog een behoorlijke hoeveelheid turf konden vervoeren. Dit vervoer, met inbegrip van de aanvoer per kar van de zetvelden naar de laadplaats, het opstapelen van een deel van de lading, het trekken van goede gemiddelde monsters, door scheepsmeting vaststellen van geladen en geloste hoeveelheden, enz., was op zichtzelf een karwei, dat goed voorbereid en goed georganiseerd moest zijn. Het in elkaar zetten van vaarplannen voor 4 tot 6 schepen (met paarden tractie) en daarop aansluitende laad- en losschema's was vooral in die tijd niet eenvoudig; alles moest precies op elkaar aansluiten, want voor iedere "wachtdag" moest "liggeld" worden betaald!

Maar tenslotte kwam dan toch de zo vurig gewenste hulpbrandstof op de opslagplaats in Helmond terecht en vandaar... voor het grootste deel in het Ketelhuis.

Kwaje klot

Gemiddeld genomen was de geproduceerde fabrieksturf niet van de zogenaamde zware, vaste soort. Zij bleek evenwel als hulpbrandstof toch zeer goede diensten te kunnen bewijzen, al moesten natuurlijk voor de beoordeling van de stook-technische waarde wel andere normen worden aangehouden dan wij gewoon waren te doen bij het verstoken van steenkool. Wij mogen niet uit het oog verliezen, dat steenkolen toch praktisch niet te krijgen waren, tenminste niet voor bedrijven, die niet van belang waren voor de oorlogsvoering. Verder mogen wij niet vergeten, dat de opzet van de directie bij deze eigen veenderij was: "De fabriek draaiende te houden; desnoods ten koste van opofferingen, zowel technische als financiŽle!"

Al was het dan ook nog volop oorlog, het vervoer van onze eigen mensen naar de Peel en terug geschiedde per eigen autobussen met de beroemde "gaskachels" (houtgasgeneratoren). Onze chauffeurs toonden bij dit vervoer dat zij hun vak verstonden; er was niet alleen altijd "gas", maar ook wisten zij hun volle bussen steeds met angstige nauwkeurigheid over de voor dit zware vervoer veel te lichte en te smalle bruggetjes van de zijkanalen te manoeuvreren. Dat er tijdens deze reisjes nogal eens "sterke stukjes" zijn verhaald, kunnen wij U uit eigen ervaring verzekeren. Nooit gebeurde er overigens iets, waarover zelfs na zoveel jaren nog niet gesproken zou mogen worden!

Met de hand op het hart kunnen wij verder verklaren, dat wij over onze Sociale Dienst geen onvertogen woord hebben gehoord, integendeel! Deze dienst zorgde er immers voor, dat er iedere dag prompt op tijd een warme maaltijd uit Helmond arriveerde. Het mocht dan waaien, motregenen of smoorheet zijn in de putten of op de zetvelden, als de gamellen met gloeiend hete zuurkool of "petazie" met of zonder... spek in zicht kwamen, dan zetten al onze peelwerkers hun zorgen op zij! De heer P. Fentener van Vlissingen Pzn. heeft alle foto's, die wij hier publiceren, en nog vele andere, gemaakt. Hij kwam, evenals wijlen zijn neef de heer P.J. Fentener van Vlissingen Hzn. heel dikwijls in de Peel om de stand van zaken op te nemen en hij maakte in september van 1943 zelfs een reis mee met een van de schepen van Helenaveen naar Helmond.

Brand

Zoals wij hierboven reeds schreven, kwam het grootste deel van de geproduceerde turf onder de ketels terecht. Een deel van die produktie, n.l. hetgeen er op 24 september 1944 nog voorradig was, geraakte tijdens de gevechten rondom Helmond in brand. Onze brandweer kwam natuurlijk direct na afloop der vijandigheden volop in actie om nog zoveel mogelijk van de in brand geraakte turfhoop te redden, maar alles bij elkaar bleek het blussen van de steeds naar beneden brandende vuurhaarden een vrijwel hopeloos werk. Er kon dan ook slechts een klein deel van de voorraad worden gered. Dit was natuurlijk erg jammer, maar toen op 25 september 1944 Helmond geheel bevrijd was, bekeken wij zoveel dingen door een geheel andere bril, ook het verdriet om de verloren gegane turf, dat wij eerlijk gezegd niet zo heel veel moeite hebben gehad hier weer boven uit te komen. Wij hadden immers tijdens de moeilijke oorlogsjaren wel geleerd teleurstellingen en depressies van allerlei soort te verwerken!

Nieuw begin

Op 25 september 1944 dachten wij: " 'n Kwestie van dagen en er zullen weer kolen beschikbaar zijn". Deze gedachte hield ons temeer bezig, omdat de afstand van de Limburgse kolenmijnen naar Helmond niet zo groot was. Die hoop en verwachting werden inderdaad werkelijkheid, want begin oktober 1944 kwam reeds het eerste "zwarte goud" uit Limburg in Helmond binnen. Voorlopig waren dit wel kleine hoeveelheden en het transport was uiterst moeilijk, maar wij zagen dan toch eindelijk hier en daar weer "zwarte rook" uit de schouw komen. Dit deed de hoop op een spoedig en volledig herstel opleven! Er volgde nog een zeer moeilijke tijd, alvorens onze eigen produktie weer in het groot kon worden hervat; de bevrijding van geheel Nederland was immers pas op 5 mei 1945 een feit... maar dat is een geheel ander chapiter.

Moge deze fotoreportage, die wij aan de heer P. Fentener van Vlissingen Pzn. danken, er toe bijdragen de herinneringen levendig te houden aan de naar onze begrippen wel zeer bijzondere tijd, dat de VLISCO FABRIEKEN niet alleen textielweefsels, maar ook middelzware haardbrandturf in diverse soorten maakten.

J.v.W.

Afbeeldingen


Brand in de turf tijdens de gevechten rondom Helmond op 22 september 1944
(Bron: Jeroen Koppes)


Luchtfoto van de Vlisco fabriek (1950)
(Bron: Jeroen Koppes)


De portiersloge en de hoofdpoort
(Bron: Jeroen Koppes)


Het personeel gaat naar huis
(Bron: Jeroen Koppes)

Informatie

Artikel door:
Leo G. Lensen
Artikel door:
Jeroen Koppes
Geplaatst op:
13-09-2017
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

CategorieŽn


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2017
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.