Rapport over het bombardement op Nijmegen (05-03-1944)

Hieronder volgt het verslag dat de locoburgemeester Harmanus Hondius (1903-1996) op 5 maart schreef over het Amerikaanse bombardement op Nijmegen van 22 februari 1944 en de gevolgen daarvan. Voor achtergrondinformatie over het bombardement wordt verwezen naar het betreffende artikel.

5 maart 1944

Door de loco-burgemeester
H. Hondius

Rapport omtrent de ramp die Nijmegen op 22 februari jl. getroffen heeft.

In de loop van de morgen van dinsdag 22 februari loeiden omstreeks 12.20 uur de sirenes en betrokken de leden van de luchtbescherming hun normale posten. Ik bevond mij op het raadhuis, waarvan ik als verantwoordelijk leider van de luchtbescherming alle posten controleerde en in orde bevond. Het duurde geruime tijd alvorens motorengeronk werd waargenomen, doch toen het motorengeronk de lucht vulde, passeerde er in groepen variŽrend van 15 tot 30 stuks een reeks van circa 120 4-motorige bommenwerpers, die op een hoogte van + 8000 meter ten zuiden van de stad naar het oosten vlogen. Toen het laatste motorengeronk was verstomd, werd omstreeks 13.10 veilig gegeven, waarop de scholen en de mensen uit de kantoren zich vanuit de schuilkelders op straat begaven en zo spoedig mogelijk naar huis trachtten te komen.

Na circa 5 minuten verscheen ook mijn auto, waarmee ik naar huis reed. Toen ik het hek van mijn woning binnenreed, hoorde ik in de verte een serie zeer zware detonaties, wat naderhand Arnhem bleek te zijn, waarop opnieuw luchtalarm werd gegeven, waarbij moet worden opgemerkt dat opnieuw de lucht zich met een zwaar motorengeronk vulde.

Daar ik mij als plaatsvervangend luchtbeschermingsleider wilde oriŽnteren omtrent de redenen die tot dit hernieuwd alarm aanleiding gaven, begaf ik mij terstond naar het dak van mijn woning, hierbij mijn prismakijker medenemend.

Op het dak van mijn woning gekomen stelde ik een formatie 4-motorige bommenwerpers vast die zich op dat ogenblik verticaal boven mijn huis bevonden en bij het kijken waarnaar ik met ontzetting constateerde dat de toestellen de bomkleppen openden en bommen lieten vallen die dan ook na enkele seconden insloegen, zodat ik op dat ogenblik als waarnemend burgemeester van Nijmegen het aangrijpend toneel aanschouwde dat mijn stad, gelegen aan de voet van de Kwakkenberg, waarop mijn huis zich bevindt en waardoor ik vandaar een ongestoord panorama over de stad geniet, in slechts enkele seconden herschapen werd in een verzameling van pikzwarte opstijgende wolken kruitdamp, rook, stof, rondvliegende stukken hout en steen, ter hoogte van meerdere honderden meters, waarbij alle kerken, die ik vanaf het dak van mijn woning eerst had waargenomen, volkomen onzichtbaar waren.

Ik spoedde mij naar beneden, rende naar de telefoon, belde de gasfabriek op en kreeg daar tot mijn ongelooflijke geruststelling het antwoord van de machinist dat er weliswaar overal in de buurt bommen waren gevallen en dat er wat ruiten stuk waren, doch dat de gasfabriek ongedeerd was.

Een onmiddellijke controle van het elektrisch licht gaf mij zekerheid dat ook de centrale en de elektriciteitsvoorziening niet waren uitgevallen, terwijl een hierop aansluitend telefoongesprek met de hoofdpost van de luchtbescherming mij er zekerheid over verstrekte dat de binnenstad zwaar geteisterd moest zijn doch dat er verder nog geen berichten waren binnengekomen.

Ik reed met mijn wagen hierop onmiddellijk naar de brandweer waar ik 4 minuten nadat de bominslag had plaatsgevonden arriveerde, gelijk met de Brandweercommandant, Kapitein Roelofsen.

Het bleek dat nog geen alarmsignaal was ontvangen van de politie, alwaar zich de alarmeringscentrale bevindt, doch dit werd, zoals naderhand bleek, veroorzaakt door het feit dat de op het politiebureau dienstdoende telefoniste op slag was gedood door de splinters van de in groten getale afgeworpen brisantbommen.

Met de commandant van de brandweer reed ik naar het raadhuis, stelde vast dat dit er nog stond, constateerde tevens dat er in de onmiddellijke nabijheid een grote brand woedde en kwam met de commandant van de brandweer tot de zeer onaangename ontdekking dat de gemeentelijke waterleiding geen druk meer gaf.

Een pijlsnelle rit naar de gasfabriek met de brandweercommandant samen wees uit dat er op de hoek van de Spoorstraat en de Nieuwe Marktstraat een bom was gevallen die op die plaats een grote trechter had geslagen, waarbij duidelijk enige hoofdtransportleidingen getroffen waren, daar het water op die plaats met geweld uit de grond opborrelde. Ik gaf hierna onmiddellijk opdracht tot afsluiting van dat gedeelte van het net en droeg de brandweercommandant op ervoor te zorgen dat zijn materiaal aan de Waalkade werd opgesteld, daar, zoals mij bericht werd, ook de pompstations van de waterleiding waren uitgevallen.

Terstond werden enige monteurs gestuurd naar het hoofdpompstation in de buurt van de gasfabriek, terwijl ik mij persoonlijk naar het andere hoofdpompstation te Heumensoord begaf, waar de machines eveneens stilstonden en waar evenmin een machinist aanwezig was, daar het luchtalarm juist gekomen was op het ogenblik dat deze naar huis was om te eten. Persoonlijk heb ik toen de aldaar aanwezige machines weer aangezet, zodat ik althans de zekerheid had dat de maximale hoeveelheid water die in het net gepompt kon worden daarin ook daadwerkelijk werd geperst, zodat althans de mogelijkheid aanwezig was dat in meerdere hydranten toch nog voldoende water kon worden aangetroffen om bij de bluswerken te worden gebruikt.

Bij het in aansluiting op het opgang brengen van de motoren gevolgd bezoek aan de hoofdpost van de brandweer bleek dat aldaar waren gearriveerd Kolonel van Boven en de Majoor Couzy, die op zich hadden genomen het rekwireren van voertuigen en brandweermateriaal van elders. Dit materiaal kwam binnen zeer korte tijd en door de gemeenschappelijke inspanning van alle krachten bleek het mogelijk de brand, die onrustbarende vormen begon aan te nemen, te lokaliseren in de namiddag om 20 uur.

Inmiddels waren de ploegen van de Luchtbescherming en van de Geneeskundigen Dienst doende om de overal verspreide gewonden naar de ziekenhuizen te transporteren, terwijl de lijken voorlopig langs de kant van de weg werden gelegd en hiervandaan naderhand werden getransporteerd naar ťťn centrale plaats, het Veilingsgebouw, waarheen ook de lijken uit de ziekenhuizen werden gebracht. In dit laatste gebouw werd direct ingericht een dienst ter identificatie van de lijken waarmede een Officier van de politie alsmede een van de gemeenteartsen en enige verplegers werden belast.

Daar het binnen korte tijd vaststond dat het aantal doden zeer groot zou zijn en er in Nijmegen evenals in andere gemeenten slechts 1 doodskist per 1000 inwoners aanwezig was, ofwel 100 stuks totaal, waarvan er 40 bij de ramp verbrandden, werd mijnerzijds zorggedragen dat uit een groot aantal gemeenten de helft van het aantal aldaar aanwezige kisten werd gestuurd. Aldus was het mogelijk dat reeds in den loop van de nacht een voldoende aantal kisten arriveerden, waardoor reeds een groot aantal doden terstond kon worden gekist.

Daar het reeds spoedig duidelijk werd dat er talloze bewoners van het getroffen stadsgedeelte dakloos zouden zijn, werd in de loop van de middag een bekendmaking gedrukt waarop werd aangegeven dat warm eten en ligging op 4 verschillende plaatsen in de stad konden worden verkregen, zodat de slachtoffers althans wisten waar zij hun honger konden stillen en waar zij beschutting zouden vinden tegen de koude. Op de 22n. februari was de temperatuur nl. 2 graden beneden het nulpunt, terwijl er een zachte oostenwind woei.

Bronnen

249-0580, Dossier - Nijmegen, NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, #21.

Informatie

Geplaatst door:
Wesley Dankers
Geplaatst op:
13-04-2018
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

CategorieŽn


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.