Joodse huizen 1

Titel: Joodse huizen 1 - Verhalen over vooroorlogse bewoners
Schrijvers: Denise Citroen, Frits Rijksbaron en Gert Jan de Vries
Uitgever: Gibbon
Uitgebracht: 2015
Pagina's: 240
ISBN: 9789491363429
Omschrijving:

In 2011 stapte Frits Rijksbaron naar het Amsterdamse 4 en 5 Mei Comité en Het Parool, omdat hij zich erover verbaasde dat niets aan de buitenkant van de overgebleven Joodse huizen in Amsterdam herinnerde aan de verdreven voormalige bewoners. Dat resulteerde uiteindelijk in de oprichting van de Stichting Joodse Huizen, die zich tot doel heeft gesteld de verhalen van alle ruim 36.000 Joodse huizen in Nederland te verzamelen en zichtbaar te maken. Een zeer mooi streven, maar of dat aantal van 36.000 verhalen ooit gehaald gaat worden, is maar de vraag. Overigens, indien men ‘slechts’ de helft haalt en openbaar kan maken via de website, in boeken en in documentaires, wordt ook al een indrukwekkend monument achtergelaten.

Op het moment van uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden in Amsterdam 21.661 huizen door in totaal circa 75.000 Joden bewoond. In de rest van Nederland werden ongeveer 15.000 woningen door circa 65.000 Joden bewoond, voornamelijk in de steden. Het land telde dus zo’n 140.000 Joodse inwoners in bijna 36.000 woningen. In Amsterdam bedroeg de Joodse bevolking omstreeks 10% van de totale bevolking. Van hen zouden 62.000 mensen de oorlog niet overleven. Bij elkaar zouden in Nederland 102.000 Joodse mannen, vrouwen en kinderen niet meer naar huis terugkeren.

De redacteuren van het boek gaan er kennelijk vanuit dat al die huizen er na de oorlog nog ongeschonden bijstonden en direct weer voor bewoning geschikt waren. ‘Loop door de Amsterdamse Rivierenbuurt, de Groningse binnenstad, de dorpskern van Meppel, de straten van Meppel. De huizen in die buurt, die binnenstad, die dorpskern, die straten zien er nog net zo uit als zeventig jaar geleden. Alleen de bewoners zijn veranderd. Natuurlijk, zo gaat dat met huizen. De een gaat, de ander komt. Zo ging dat ook met de huizen in Amsterdam, Groningen, Meppel, Hengelo en talloze andere steden en dorpen in Nederland waar aan het begin van de Tweede Wereldoorlog Joodse mensen woonden.’ De werkelijkheid is natuurlijk anders.

In Rotterdam en geannexeerde gebieden woonden in mei 1940 naar schatting 13.000 Joden, wat neerkwam op 2,1% van de bevolking. Men kan ervan uit gaan dat het merendeel daarvan niet in de geannexeerde gebieden woonde, maar in de binnenstad die in de eerste oorlogsdagen door de Duitsers werd platgegooid. Bij die bombardementen tussen 10 en 14 mei 1940 raakten 800 mensenlevens en 24.000 woningen verloren en 80.000 Rotterdammers werden dakloos. Essentiële gebouwen werden vernietigd, waaronder een aantal belangrijke Joodse gebouwen, zoals beide grote synagogen aan de Botersloot en aan de Boompjes. De gehele infrastructuur van de binnenstad was verwoest. Bij de herbouw verdween een deel van de stratenstructuur en straten. Het kan niet anders dan dat vele duizenden door Joden bewoonde huizen al in mei 1940 tegen de vlakte gingen en dat bij de wederopbouw er opnieuw vele zijn gesloopt.

In Den Haag hadden slechts 2.000 van de oorspronkelijke 17.000 Joden de oorlog overleefd. De synagogen waren in de oorlog vrijwel allemaal geplunderd en beschadigd of verwoest. Alleen de Portugese Synagoge aan de Jan Evertstraat kwam de bezettingstijd ongeschonden door. Andere synagogen werden aanvankelijk hersteld en weer in gebruik genomen, maar kregen in de loop der jaren allemaal een andere bestemming. Maar goed, ze staan er nog als woonhuis, moskee, restaurant en pand van een projectontwikkelaar. Vanaf de deportatie van de Joden in 1942 en 1943 stond de Joodse buurt grotendeels leeg en ook na de oorlog bleef er veel leegstand. De huizen, die in de oorlog vaak al deels gesloopt waren door inwoners van Den Haag, verloederden snel verder. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw was de wijk zozeer verpauperd dat het gemeentebestuur besloot in te grijpen: een klein deel van de huizen werd gerenoveerd, het grootste deel ging tegen de vlakte en werd door nieuwbouw vervangen. In die nieuwe panden in de oude Joodse buurt ontstond van lieverlee een Haagse Chinatown met Chinese supermarkten en eettentjes.

Ook in andere steden die gedurende de oorlog te maken kregen met zware bombardementen op hun binnensteden of op enig moment zwaar in de vuurlinie kwamen te liggen (met name geldt dat voor Nijmegen, Arnhem en Deventer), moeten vele Joodse huizen zijn vernietigd. In Amsterdam haalden tijdens de Hongerwinter van 1944 veel bewoners het hout uit een groot deel van de Joodse huizen omdat de bewoners al jaren niet meer gezien waren en de kans dat ze ooit nog terug zouden komen erg klein was. Het hout werd gebruikt om de kachel te stoken. Na de oorlog bleek al snel hoe weinig Joden terugkeerden, de huizen stonden door de massale houtroof vaak op instorten en werden door de overheid gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw.

Kortom, het vooroorlogse Joodse huizenbestand is niet bepaald ongeschonden door de vijf jaar bezetting en de naoorlogse wederopbouw gekomen. Daar staat tegenover dat de stichting Joodse Huizen het concept zodanig heeft bepaald dat het aantal verhalen weer behoorlijk kan worden opgekrikt. ‘Het concept is simpel: vertel verhalen over het leven van vroegere Joodse bewoners voor en tijdens de oorlog op de plek waar deze verhalen zich afspeelden. Dat kunnen woonhuizen, scholen, verenigingsgebouwen, winkels en synagogen zijn.’ Uit al die verhalen moet een beeld ontstaan van een verdwenen wereld, een omvangrijke beschrijving van het rijke Joodse leven van voor de Tweede Wereldoorlog.

In dit eerste boek van wat een lange serie kan worden zijn 24 verhalen opgenomen: 15 spelen zich af in Amsterdam, de resterende 9 verhalen zijn aardig over Nederland verspreid. De kwaliteit van de verhalen is wat wisselvallig en soms lijkt de redactie ook niet al te streng te zijn geweest met de selectie. Zo staat er een overigens interessant artikel in over Artis, waar gedurende de oorlog een aantal Joden ondergedoken heeft gezeten, ondergebracht in het voormalige wolvenverblijf, op de hooizolder boven het reptielenhuis of in een ruimte waar normaliter de chimpansees verbleven. Het is goed dat ook dit soort verhalen bewaard blijft, maar het is echter de vraag of het verhaal wel in deze bundel thuishoort. Ik zou Artis toch niet onder de Joodse huizen willen scharen en was het niet de bedoeling vooral het vooroorlogse Joodse leven weer in herinnering te roepen? Oorlogsverhalen zijn er legio en de aandacht groeit nog bijna dagelijks. Het mooie aan het initiatief is nu juist dat de nadruk ligt op het in beeld brengen van het vooroorlogse Joodse leven. Dan past dit verhaal over Artis er niet echt goed tussen. Ook bij andere verhalen zou men wat scherper bij het concept mogen blijven.

In veel andere verhalen wordt echter wel keurig binnen dat concept gewerkt. Er worden mooie inkijkjes gegeven. Bijvoorbeeld in het openingsverhaal over Manus Degen, bijgenaamd Emile Epée le Chalepot, die samen met zijn vaste kompaan Wolf Lelie rond de eeuwwisseling een belangrijke rol in de sociaal-democratische beweging speelde, vooral door het gebruik van hun beider spierballen bij botsingen met andere socialistische groeperingen. Of over Salomon Graf, een kunstschilder die aan de Koninginneweg te Amsterdam woonde. Vanaf 1938 was hij tweede secretaris van de kunstenaarsvereniging Arti en erg betrokken bij de ondersteuning van gevluchte kunstenaars uit Duitsland. Zijn naam staat nog steeds op het bord van verdienstelijke leden in het trappenhuis van het gebouw van de vereniging. Er staat een mooi verhaal in van Eli Asser, die in 1994 herinneringen aan zijn jeugd in de Joden Houttuinen in Amsterdam optekende. Een fragment hiervan is in het boek opgenomen. Uit Bergen op Zoom komt het verhaal van Marcus Walg (geboren in 1871), die als straatarme jongen vanuit zijn geboorteplaats Steenbergen met een gehuurde hondenkar van deur tot deur trok met zijn handeltje in textiel en later in Bergen op Zoom een goed florerende zaak opzette. Zijn zoon Moos neemt de zaak in 1933 over en weet met zijn gezin de oorlog te overleven.

Er staan meer korte verhalen van dit kaliber in dit boek. Dus, ondanks de kanttekeningen die gemaakt kunnen worden, is dit een geweldig initiatief. Dit eerste deel bevat genoeg verhalen die doen uitkijken naar de vervolgboeken. Daarvan zijn er al drie verschenen, zowel 'Joodse Huizen 2' als 'Joodse Huizen 3' is op de site al eens besproken. Het belooft een mooie serie te worden.

Beoordeling: Goed

Definitielijst

Hongerwinter
Benaming voor de winter van 1944–1945 in Nederland. Noord Nederland was nog niet bevrijd van de Duitse bezetting en werd geteisterd door een stagnerende energievoorziening, voedseltekorten en een zeer koude winter.
kaliber
De inwendige diameter van de loop van een stuk geschut, gemeten bij de monding. De lengte van de loop wordt vaak aangegeven in het aantal kalibers. Zo is bv de loop van het kanon 15/24 24 ×15 cm lang.
Synagoge
Joods gebedshuis.

Afbeeldingen


Bestel nu bij bol.com

Informatie

Artikel door:
Frans van den Muijsenberg
Geplaatst op:
12-05-2018
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2018
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.