De gewapende strijd tussen Finland en de Sovjet-Unie, die duurde van 30 november 1939 tot 13 maart 1940 en die algemeen bekend werd als de Winteroorlog, was een gevolg van het Sovjet-Duitse niet-aanvalsverdrag, het beruchte Molotov-Ribbentrop pact. In geheim toegevoegde protocollen van de op 23 augustus 1939 getekende overeenkomst, werden de invloedssferen van de contracterende partijen bepaald. Finland werd in het geheime protocol aan de invloedssfeer van de Sovjet-Unie toegevoegd.
Toen de Sovjet-Unie eenmaal beslag had gelegd op haar portie van Polen, begon het zich van de noordwestelijke toegangswegen tot zijn territorium te verzekeren, speciaal van de Baltische toegang via zee en land tot Leningrad. Tussen 28 september en 11 oktober 1939 werden de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen gedwongen verdragen van wederzijdse bijstand te tekenen, op grond waarvan de Sovjets garnizoenen en marinebases binnen hun landsgrenzen mochten legeren. In feite werden de Baltische staten door de Sovjet-Unie ingelijfd. De volgende logische stap was dat de Sovjet-Unie een soortgelijke "regeling" met Finland zou treffen.
Eerste onderhandelingen
Op 5 oktober werd de Finse regering uitgenodigd een vertegenwoordiger naar Moskou te zenden ‘voor het bespreken van bepaalde politieke vraagstukken’. De Finse regering had een sterk vermoeden, wat die kwesties zouden zijn. Zowel in 1938 als begin 1939 had de Sovjetregering aan Finland voorgesteld, dat het afstand zou doen van een aantal eilanden in de Finse Golf ten behoeve van de verdediging van Leningrad. Deze voorstellen werden door de Finse regering verworpen. Het was duidelijk dat de Sovjet-eisen hernieuwd en wellicht uitgebreid zouden worden. Maar de uitnodiging om te komen praten kon moeilijk worden geweigerd en de Finse regering stuurde de diplomaat Juho Kusti Paasikivi als vertegenwoordiger naar Moskou. Hij was leider geweest van de Finse delegatie bij het verdrag van Tartu in 1920, waarin destijds door de Sovjet-Unie de onafhankelijkheid en soevereiniteit van Finland werd erkend. Dit verdrag was in 1932 aangevuld met een niet-aanvalsverdrag, ondertekend door Koskinen en Litvinov, waarvan de geldigheid in 1945 afliep.
Paasikivi had van Helsinki duidelijke instructies meegekregen dat de Finse regering niet van plan was een verdrag van wederzijdse bijstand te overwegen. Evenmin was Finland bereid gebiedsafstand te doen en Sovjetbases op Fins grondgebied te gedogen. De Sovjet-eisen waren volgens de Finnen niet in overeenstemming te brengen met de duidelijke Finse neutraliteitspolitiek. In het uiterste geval zou Finland bereid zijn tegemoet te komen aan de Sovjet-eisen uit 1938 en 1939, waarin verzocht werd afstand te doen van een aantal eilanden in de Finse Golf, maar daar moest wel duidelijk iets tegenover staan. Dus kon er geen sprake zijn van dergelijke verdragen zoals die met de Baltische staten waren overeengekomen. Om haar standpunt kracht bij te zetten liet Finland het leger mobiliseren en begon het de belangrijkste steden in het grensgebied te evacueren.
De gesprekken begonnen op 12 oktober in Moskou en werden gevoerd tussen Stalin en V.M. Molotov van Sovjetzijde en Paasikivi van Finse zijde. De Sovjet-Unie stelde een verdrag van wederzijdse bijstand voor, beperkt tot de Finse Golf. De Sovjet-Unie wenste verder Hangö te pachten om daar een militaire basis te vestigen met een garnizoen van 5.000 man, afstand van alle buiteneilanden in de Finse Golf, waaronder het eiland Suursari dat het grootste en meest westelijk gelegen was. Verder moest Finland de grens op de landengte in Karelië verleggen, ongeveer 70 kilometer verder van Leningrad af. Er werd ook een verzoek aan Finland gedaan om het Finse deel van het Ribachi-Schiereiland te ontruimen in het uiterste noorden. Tenslotte stelde de Sovjet-Unie voor dat er een verklaring overeengekomen moest worden dat geen van beide partijen een verdrag zou aangaan dat tegen de ander was gericht. In ruil hiervoor bood de Sovjet-Unie een gebied aan dat in Russisch-Karelië gelegen was en dat twee keer zo groot was als het gebied dat afgestaan moest worden. Bovendien zouden de Finnen de Älands-eilanden mogen versterken, die gedemilitariseerd waren en waar de Finnen al in 1938 garnizoenen hadden willen vestigen.
Stalin verklaarde dat de eisen uitsluitend betrekking hadden op de verdediging van Leningrad, met uitzondering van de eisen voor het Ribachi-Schiereiland. Dat laatste zou de Sovjets controle verschaffen over de ingang tot de Petsamofjord, waar Finland een ijsvrije haven had, want de Sovjets wilden voorkomen dat een vijandelijke invasiemacht in Petsamo kon landen voor een aanval op Moermansk. De andere eisen gingen uit van de veronderstelling dat een vijand zou proberen door de Finse Golf Leningrad vanuit zee aan te vallen of over land door Zuid-Finland en er werd benadrukt dat Finland dit niet op eigen kracht zou kunnen verhinderen. Stalin wees erop dat zijn eisen de Sovjet-Unie in staat zouden stellen, mede dankzij de nieuwe bases in Estland, de Finse Golf af te sluiten terwijl de nieuwe grens op de landengte van Karelië het Rode Leger de gelegenheid zou geven de verdediging van Leningrad aan de landzijde tegen een aanval uit het noorden te versterken.
Er werd bij gezegd dat de Sovjet-eisen minimumvoorwaarden waren die het gevolg waren van de nieuwe situatie die was voortgekomen uit de oorlog in Europa. Stalin zag wel in dat de eisen in het Finse kamp niet werden verwelkomd, maar Leningrad, de tweede stad van de Sovjet-Unie, lag maar 35 kilometer verwijderd van de grens. "We kunnen niets doen aan de geografie en U kunt dat evenmin" zei Stalin. "Aangezien Leningrad niet verplaatst kan worden, zal de grens verlegd moeten worden." Paasikivi’s instructies waren niet gedetailleerd genoeg voor dergelijke eisen en dus keerde hij terug naar Helsinki voor verder overleg.
'Oud zeer'
Gezien de strategische situatie en de internationale ontwikkelingen leken Stalins eisen nog helemaal niet zo onredelijk en als het alleen maar een kwestie was geweest van de veiligheid van Leningrad, zou er op de één of andere manier nog wel een mouw aan te passen zijn geweest. Maar de situatie kwam indirect voort uit de bewogen geschiedenis tussen Rusland en Finland. Van 1809 tot 1917 was Finland een deel van het Russische tsarenrijk geweest met de status van een autonoom grootvorstendom. Aanvankelijk werd Finlands autonomie, ondanks dat er Russische garnizoenen gelegerd waren, gerespecteerd. Omstreeks 1890 was de Russische regering echter een politiek van "russificatie" begonnen in Finland, onder andere door veelvuldig inbreuk te maken op de wettelijke en constitutionele rechten van het land. Dit had een verbitterde tegenstand opgeroepen en de meest vooraanstaande politici van 1939 waren dan ook opgegroeid in een sfeer van nationaal verzet tegen het Russische imperialisme. Daar kwamen ook nog eens de gevolgen van de revolutie van 1917 bij.
De bolsjewistische regering had de onafhankelijkheid van Finland in december 1917 weliswaar erkend, maar toen waren er nog steeds grote garnizoenen van revolutionairgezinde Russische militairen in het land. Toen in januari 1918 de Finse socialisten het voorbeeld van de revolutie in Rusland wilden volgen en een arbeidersrepubliek probeerden op te zetten, brak er een hevige burgeroorlog uit. In deze oorlog verleenden de Sovjetgarnizoenen steun aan de Finse communisten, terwijl de Finse regering werd gesteund door Duitsland en Zweden. De communistische Finse troepen werden verslagen, waardoor hun leiders moesten uitwijken naar de Sovjet-Unie.
Gedurende de Russische burgeroorlog had de Finse regering steun verleend aan antirevolutionaire activiteiten van Duitsers, de Britse marine en antibolsjewistische elementen. Af en toe hadden ze zelfs toegestaan dat bepaalde operaties op Fins grondgebied werden voorbereid. Bovendien beschouwden ze de Finse communisten als landverraders. Hoewel na het vredesverdrag van 1920 de verstandhoudingen tussen Finland en de Sovjet-Unie naar de buitenwereld toe uitstekend waren, leken de acties van de Finse communisten een voortdurende waarschuwing dat de Sovjet-Unie door middel van de Finse Communistische Partij wel eens de overeenkomst ongedaan kon maken.
Aan de andere kant ging Stalin ervan uit dat de Finse regering de Sovjet-Unie vijandig gezind was. Ze geloofden niet in de Finse verzekering dat deze zijn grondgebied niet meer open zou stellen voor vijanden van de Sovjet-Unie. Er bestond zelfs een vermoeden dat de Finse regering, als zij daarvoor de kans kreeg, alles in het werk zou stellen om de communistische bedreiging uit het oosten te vernietigen. Het resultaat was dat Stalin in 1939 als het nodig zou zijn serieus overwoog om het Rode Leger te gebruiken om een communistische opstand in Finland te steunen. Het resultaat van dit 'oud zeer' was een totaal gebrek aan vertrouwen tussen Finland en de Sovjet-Unie. Vandaar dat de basis voor een compromis ontbrak.
Het was dan ook geen verrassing dat voor de Finse regering de Sovjetvoorwaarden volstrekt onaanvaardbaar waren. Slechts twee invloedrijke personen, Paasikivi zelf en de opperbevelhebber van het leger, veldmaarschalk Carl Mannerheim, maakten zich sterk voor verreikende concessies. Beiden geloofden dat Finland, als het op een oorlog liet aankomen, alleen zou moeten vechten en binnen korte tijd verslagen zou worden. De regering verwierp hun advies. Ten eerste was de Finse regering er niet van overtuigd dat Stalin het op een oorlog liet aankomen en ten tweede hoopten zij dat in geval van oorlog andere landen Finland te hulp zouden springen. Ze werden in die illusie op een rampzalige manier gesterkt door sympathiebetuigingen uit bijna de hele wereld, zelfs uit de Verenigde Staten, hoewel de Zweedse regering meteen duidelijk maakte dat het bij een eventuele oorlog neutraal zou blijven. Er was, zoals Mannerheim en Paasikivi opmerkten, geen overtuigend bewijs dat enige andere mogendheid Finland zou komen versterken. Bovendien had Duitsland er bij Finland op aangedrongen de Sovjet-eisen in te willigen.
Finse onverzoenlijkheid
Op 21 oktober keerde Paasikivi, in gezelschap van de minister van Financiën Tanner terug naar Moskou. De delegatie kreeg de opdracht beperkte grenscorrecties voor te stellen op de Karelische landengte, maar aan het Sovjetverzoek een basis te Hangö te vestigen mocht niet worden toegegeven. Bij de tweede gespreksronde, die van 23 tot 25 oktober duurde, toonde Stalin zich bereid de eisen ten aanzien van de landengte te verminderen, maar deed voor de rest nauwelijks concessies. Hij noemde de Finse voorstellen volkomen ontoereikend en V.M. Molotov vroeg: "Is het uw bedoeling een conflict uit te lokken?" Stalins geduld begon duidelijk op te raken.
De delegatie keerde weer onverrichterzake terug naar Helsinki voor verder overleg met de Finse regering. Carl Mannerheim bleef aandringen op een compromis en was er van overtuigd dat het leger het niet langer dan twee weken uit zou houden, maar opnieuw kreeg hij alleen steun van Paasikivi. Zweden benadrukte in een brief opnieuw zijn neutraliteit indien er een oorlog uit zou breken. De onderhandelaars werden opnieuw teruggestuurd naar Moskou, met een kleine verdere concessie met betrekking tot de landengte, maar een Sovjetbasis te Hangö bleef absoluut onbespreekbaar.
Op weg naar Moskou ontvingen Paasikivi en Tanner bericht dat Molotov alle bijzonderheden van de onderhandelingen in zijn toespraak tot de Opperste Sovjet op 31 oktober bekendgemaakt had. Toen de besprekingen in Moskou op 3 november hervat werden, was er geen verdere basis meer voor onderhandeling. Voordat de Finse onderhandelaars het Kremlin verlieten, merkte Molotov op: "Wij kunnen, als burgers, niets meer doen in deze kwestie. Het woord is nu aan de militairen." Met de klank van die dreigende woorden in hun achterhoofd vertrokken de Finnen terug naar Helsinki.
In november was de toestand betrekkelijk rustig, ondanks het feit dat de Sovjetpers heftig tekeer ging tegen de Finnen en verkenningsvliegtuigen van de Sovjetluchtmacht herhaaldelijk binnen het Finse luchtruim verschenen. Desondanks heerste er bij de Finse regering vertrouwen dat de oorlogsdreiging wel zou afzwakken. Dit gevoel werd nog eens versterkt door een bericht op 23 november dat de Amerikaanse ambassadeur in Moskou niet geloofde dat de Sovjet-Unie Finland zou aanvallen.
Het incident bij Mainila
Drie dagen later werden de Finse illusies wreed verstoord door een incident bij Mainila. In een nota van Molotov werden de Finnen ervan beschuldigd artillerievuur te hebben gericht op het dorp Mainila op de Karelische landengte, waardoor vier Sovjetsoldaten zouden zijn gedood en negen ernstig gewond zouden zijn geraakt. De Finse regering was zich van geen kwaad bewust, wees de beschuldigingen af en verklaarde zich bereid om wederzijdse terugtrekking van troepen te bespreken. Dit was blijkbaar de druppel die de emmer deed overlopen.
De Sovjet-Unie kwam tot het inzicht dat de Finnen zelfs nu nog niet begrepen waar het om ging en niet bereid waren concessies te doen. En dus ging Stalin zijn gang. Op 28 november werd het non-agressiepact opgezegd en op 29 november werden de diplomatieke betrekkingen verbroken, zonder dat er aandacht werd geschonken aan een Fins aanbod om eenzijdig zijn troepen aan de grens terug te trekken. Aan de andere kant van de grens stond het Rode Leger met een gigantische troepenmacht klaar om Finland met geweld onder de voet te lopen.
