Spaanse Burgeroorlog

1931-1936, Een conflict ontstaat

Een conflict ontstaat
Het begon allemaal met de gigantische overwinning van de Republikeinse partijen tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 12 april 1931. Deze overwinning bracht een golfbeweging teweeg waarbij op diverse plaatsen de republiek werd uitgeroepen. Deze verkiezingen maakten een einde aan een zeven jaar durende dictatuur. De Republikeinse leider Niceto Alcalá Zamora eiste het vertrek van koning Alfonso XIII en de republiek was een feit. De voormalige koning verliet het land op 14 april 1931. Zamora formeerde een linkse regering met politici als Manuel Azaña, Francisco Largo Caballero en Indalecio Prieto. Binnen deze regering kregen de meer radicale elementen de overhand en op 16 oktober 1931 werd de linkse Republikein Manuel Azaña minister-president. Alcalá Zamora werd president en zou dat blijven tot in 1936.

In de jaren daarna bleven antidemocratische bewegingen zoals de Falange van José Antonio Primo de Rivera echter een belangrijke rol spelen. De regering bleef worstelen met grote politieke en economische tegenstellingen. Links vond de hervormingen nooit ver genoeg gaan, terwijl rechts met heimwee terugkeek naar oude tijden. Ook het vraagstuk van de autonomie in Catalonië en Baskenland bleef een probleem voor de Republiek. Dit zorgde in Catalonië in 1932 zelfs voor een staatsgreep onder leiding van generaal José Sanjurjo. De staatsgreep werd een mislukking, maar de halfslachtige maatregelen die werden genomen en het feit dat de coupplegers al snel gratie kregen zette het nodige kwaad bloed. In 1933 wonnen de conservatieven de verkiezingen. Deze overwinning was vooral te wijten aan het solistische optreden van de socialisten. Het Spaanse kiessysteem was namelijk altijd in het voordeel van partijen die in die verkiezingen coalities aangingen. De socialisten dachten dat ze andere linkse partijen niet nodig hadden. Een pijnlijke misrekening. De grootste partij, de Confederación Española de Derechas Autónomas (CEDA) werd echter buiten de regering gehouden. Dit was vooral omdat de Republikeinse president de CEDA-leider Gil Robles verdacht van fascistische sympathieën.

De periode hierop volgend tekende zich door economische onlusten. In 1934 mondde dit uit in een algemene staking geleid door de Confederación Nacional del Trabajo (CNT), de Union General de Trabajadores de España (UGT) en de Alianza Obrera. De voornaamste reden van deze staking was het feit dat de CEDA alsnog in de regering werd opgenomen.

De economische situatie in Spanje bleef echter een struikelblok in de politiek en toen in 1936 het tot Volksfront verenigde linkse blok onder leiding van Azaña en Prieto de verkiezingen won, zagen de arbeiders hun kans schoon. In feite was het land gedompeld in een socialistische revolutie. De regering voerde grote landhervormingen door met onteigeningen van grootgrondbezitters. De politiek rechtse groeperingen als CEDA en de koningsgezinde Carlisten verenigden zich binnen het Nationale Front en werden gesteund door de Falange Espanõla, die later een belangrijke factor zouden worden. Op 12 juli 1936 werd de linkse politieman luitenant José Castillo vermoord door fascisten. De volgende dag werd het koningsgezinde parlementslid Calvo Sotelo als reactie hierop door politieagenten doodgeschoten. Dit werd het startsein voor een aantal ontevreden militaire leiders om over te gaan tot een militaire staatsgreep. Op 14 juli zouden beide mannen op dezelfde begraafplaats worden begraven. Dit liep uit op een vuurgevecht tussen de politie en de fascistische militie. Generaal Francisco Franco Bahamonde had zich ondertussen achter een mogelijke militaire opstand geschaard en werd op 14 juli met een door de koningsgezinde journalist Luis Bolin gehuurd vliegtuig van Las Palmas overgevlogen naar Spaans Marokko. President Alcalá Zamora was door dit alles verrast tijdens een verblijf in het buitenland. Hij werd gedwongen af te treden en werd vervangen door Manuel Azaña.

Het Spaanse leger
Bij het begin van de militaire staatsgreep bestond het Spaanse leger uit twee van elkaar te onderscheiden Legers. Op het Spaanse vasteland kende men het Reguliere Leger, bestaande uit ongeveer 8.850 officieren en 112.200 manschappen. Hiervan zou ongeveer de helft van de officieren en 19.000 manschappen overlopen naar het Nationalistische kamp. Het andere leger stond bekend als het Leger van Afrika. Dit was veel beter getraind en uitgerust. Dit leger in Marokko, telde 34000 manschappen en bestond deels uit het reguliere leger en het Spaanse Vreemdelingenlegioen. Naast deze legers telde Spanje nog de paramilitaire Guardia Civil en de Guardia de Assalto, een politie-eenheid vergelijkbaar met de huidige Mobiele Eenheid in Nederland. Van beide stapten het overgrote deel over naar de Nationalisten.

17 Juli was voor het garnizoen van het Vreemdelingenlegioen in Melilla de maat vol. De eenheid was de eerste die openlijk de wapens opnam tegen de eigen regering. We moeten hier echter bij vermelden dat de moorden niet meer waren dan een aanleiding. De militaire staatsgreep werd al geruime tijd voorbereid en de opstandelingen zaten eigenlijk te wachten op het startsein dat door Franco zou worden gegeven. De vonk sloeg gelijk over naar het vasteland. De bevelhebber van het Afrikaanse Legioen, generaal Manuel Romerales werd bij de opstand zonder pardon vermoord omdat hij achter de Republiek zou staan. Politietroepen van zowel de Guardia Civil als de Guardia de Assalto in Tetuan en Larache bleven eveneens de Republiek trouw, maar moesten uiteindelijk wijken voor de grote overmacht. Laat in de avond was nagenoeg heel Marokko in handen van de opstandelingen.

Direct na het uitbreken van de opstand in diverse Spaanse garnizoenen was het hele land in rep en roer. De Republikeinse regering trachtte de opstand neer te slaan en slaagde daar gedeeltelijk in. De militaire opstand slaagde in Marokko, Pamplona, Burgos, Valladolid, Cadiz, Cordoba, Jerez en Sevilla (generaal Queipo de Llano). Zij mislukte echter in Madrid, Barcelona, Oviedo, Bilbao, Badajoz en Malaga. Het land was in één klap zowel militair, politiek en geografisch opgedeeld. Madrid en Barcelona waren de twee grootste steden in Spanje met elk meer dan een miljoen inwoners. Het behoud van beide steden voor de Republiek was dan ook vitaal en zeer welkom.

De situatie die was ontstaan is voor niemand bevredigend. De Republiek zag haar land uiteenvallen en in chaos vervallen. De opstandelingen, vanaf nu Nationalisten genoemd, zaten met een in twee delen gesplitst gebied en een leger dat vastzat in Noord-Afrika. De premier van Spanje, Santiago Casares Quiroga trad af en president Azaña verzocht de gematigde leider Diego Martinez Barrio een regering te vormen. De belangrijkste opdracht was een dialoog te beginnen met de opstandelingen. Met deze opdracht bleek het echter onmogelijk om een kabinet te formeren en de Republikein José Giral werd toen premier van een radicalere regering. Deze regering begon direct met het uitdelen van wapens aan de vele arbeidersmilities die in het land waren ontstaan. De arbeiders hadden nagenoeg spontaan op de militaire opstand gereageerd. In het land vond in feite een spontane socialistische revolutie plaats. De grootste vakbonden, CNT en UGT, steunden de arbeiders openlijk in hun revolutionaire opstelling. Linkse politieke krachten sprongen hier direct op in. Alleen de communisten bleven nog een afwachtende houding aannemen. Pas toen de Sovjet-Unie zich met het conflict ging bemoeien, begonnen ook zij zich te roeren en zouden al snel de belangrijkste kracht in het Republikeinse front worden.

Op 19 juli had Franco met zijn troepen de stad Tetuán bereikt en had daarmee vrijwel heel Spaans Marokko in handen en daarmee het gehele Afrikaanse Leger.

Op 20 juli 1936 verzocht Giral de Franse socialistische premier Blum om hulp in de strijd tegen de opstand. De regering Blum was in Frankrijk ook aan de macht gekomen na vele arbeidersonlusten en Giral zag in hem een lotgenoot. Op datzelfde moment nam de militaire leider van de opstand, Franco, contact op met Hitler en Mussolini en vroeg hen om hulp. De dreiging van een nieuw internationaal conflict leek nabij. Franco werd op 20 juli de absolute leider van de opstand nadat generaal José Sanjurjo omkwam bij een vliegtuigongeluk op weg naar Burgos. Ondertussen was op het vasteland de strijd in alle hevigheid losgebarsten. In Madrid hadden arbeiders, linkse activisten en andere burgers de wapens gegrepen en met hulp van loyale milities van de Guardia Civil alle opstandige militairen weten te verdrijven. Vervolgens was men de bergen rond Madrid ingetrokken om aldaar dit optreden nog eens dunnetjes over te doen.

In Toledo wisten de Nationalistische opstandelingen de Militaire Academie in het Fort Alcazar te bezetten. Falange-aanhangers en leden van de Guardia Civil onder leiding van kolonel Jose Moscardo zouden hier twee maanden lang durende belegering van zich af weten te houden tot ze uiteindelijk door de oprukkende troepen van Franco werden ontzet op 27 september. De marinehaven van El Ferrol zou zich, onder druk van de Nationalisten, op 21 juli overgeven waardoor een aanzienlijk deel van de Spaanse marine in handen van de Nationalisten viel (slagschip Espana, de kruisers Republica en Almirante Cervera, twee in aanbouw zijnde kruisers Baleares en Canarias en de torpedobootjager Velasco). Op 22 juli viel het laatste Republikeinse bolwerk op de Canarische Eilanden, Vallehermoso, in Nationalistische handen. De 22e juli kende nog twee opmerkelijke zaken. Marineofficier Benjamin Balboa trad geheel zelfstandig op door alle marine-eenheden te berichten van de opstand en de manschappen op te roepen het heft in eigen handen te nemen. Op nagenoeg alle schepen namen matrozen het bevel over en behield de Spaanse marine zo grotendeels voor de Republiek. De Spaanse luchtmacht bestond voornamelijk uit aan de Republiek trouwe officieren en koos ook de zijde van de Republiek.

Franco stond intussen voor een groot probleem. Hoewel hij een aanzienlijk leger had in Marokko controleerde de Republiek het grootste deel van de marine. Hierdoor konden de Nationalistische troepen niet over zee naar het Spaanse vasteland worden vervoerd. Ook het grootste deel van de luchtmacht bleef de Republiek trouw zodat ook nagenoeg geen vliegtuigen voorradig waren. Het enige wapenfeit dat kon worden behaald was de inname door Quiepo de Llano van Sevilla, waardoor een kleine eenheid van het Spaanse Vreemdelingenlegioen met een oude Fokker de stad kon bereiken en deel kon nemen aan een aanval op Triana.

Wat was nu de situatie na de opstand? De opstandelingen, later Nationalisten genoemd, bezaten Marokko, een klein deel van Andalusië (Huelva, Sevilla en Cadiz) en delen in het noorden van Spanje (Galicië, Leon, Oud-Castilië, Navarra en een deel van Aragon). Een aanzienlijk deel van het leger in Spaans Marokko en een deel in Spanje was overgestapt naar de Nationalistische strijdkrachten. Slechts een klein deel van de marine en nagenoeg niets van de luchtmacht kregen de opstandelingen onder controle. De overige gebieden bleven in handen van de Republiek, evenals een aanzienlijk deel van de Republikeinse strijdkrachten, het grootste deel van de marine en nagenoeg de gehele luchtmacht. Madrid was echter verre van veilig. Een eerste poging van generaal Mola om met gewapende Carlisten en Falangisten de stad te bereiken en aan te vallen vanuit Navarra, via Guadelajara, mislukte. García Escámez wist met zijn troepen de Somosierra-pas ten noorden van Madrid te bereiken, een strategische pas die ze wisten te behouden tot aan het eind van de Spaanse Burgeroorlog, maar vooralsnog wist men niet verder door te dringen naar Madrid. Evenmin lukte het de Nationalisten om Madrid aan te vallen vanuit Valladolid via de Alto del Léon-pas. De Republikeinen wisten overal het front gesloten te houden.

Internationale betrokkenheid
Beide kanten in het conflict trachtten om langs internationale weg hulp voor hun zaak te verkrijgen. Als tegenhanger van de Republikeinse regering werd op 23 juli voor het eerst een bijeenkomst gehouden van het Comité van Nationale Verdediging (Het Parlement) van de Nationalisten. Twee dagen later arriveerden de eerste Franse wapenzendingen voor de Republikeinen. Hoewel Frankrijk formeel geen hulp toezegde, kwamen in het geheim eind juli zo'n 70 Franse vliegtuigen de grens over nabij Barcelona. Hierbij zaten onder andere Potez 54 bommenwerpers en Dewoitine 371 jagers. Toen op 26 juli het KOMINTERN op aandringen van Stalin ook hulp toezegde, besloten Hitler en Mussolini om Franco te hulp te komen. De Franse hulp was echter maar van korte duur. Onder druk van de eigen bevolking en landen als de Verenigde Staten en Groot-Brittannië startte Frankrijk een nieuwe politiek van non-interventie en verbood alle wapenleveranties aan de Republikeinen. Op 24 augustus 1936 arriveerde de nieuwe Sovjet-ambassadeur, M. Rosenberg. Samen met hem kwamen de eerste Sovjetleveringen van materieel en "adviseurs".

Van Italiaanse zijde werden 12 Savoia-81 bommenwerpers naar Marokko gezonden en stuurde Duitsland 6 Heinkel He 51 jagers en 20 Junkers Ju 52/3m bommenwerpers naar Marokko. De eerste toestellen kwamen hier op 29 juli aan. Op deze dag werd het Duitse Legion Condor opgericht met de Duitse toestellen. Vooral de bommenwerpers waren zeer welkom. Ze stelden Franco eindelijk in staat om zijn Marokkaanse troepen te gaan overbrengen naar Sevilla, waarmee de verhoudingen op het vasteland danig gingen verschuiven. Franco zelf maakte op 6 augustus de oversteek. Dit overbrengen van de Afrikaanse troepen zou een grote verandering in de verhoudingen gaan veroorzaken. De Nationalisten kregen hiermee een goed georganiseerde troepenmacht op het Spaanse vasteland en Franco had hiermee de kracht om zich te vestigen als de leidende militaire figuur bij de Nationalisten.

De politieke verhoudingen
Vanaf juli 1936 stonden er dus globaal genomen twee groepen tegenover elkaar. Aan de ene zijde stonden de coupplegers, verenigd in het Nationalistische front. Daartegenover stond een breed front van groeperingen die de Republiek bleven steunen, het Republikeinse front. Door vooral het felle verzet van de vele arbeidersmilities was op veel plaatsen de coup mislukt.

Binnen het Republikeinse contingent werkten vele uiteenlopende groeperingen samen. Republikeinen, anarchisten, socialisten en communisten werkten zo goed en zo kwaad als zij konden samen aan een eenheidsfront. Op militair vlak lukte dit soms, zeker in de beginperiode, nog redelijk. Op politiek vlak zouden zich echter al snel vele conflictsituaties voordoen, die zeker het verloop van de strijd hebben beïnvloed. Al snel bleek echter wel dat vooral de communisten goed georganiseerd waren. Charismatische militaire leiders als Juan Modesto en Enrique Lister wisten hun mensen te inspireren. Het bleef echter heel moeilijk om de verschillende politieke groeperingen samen te laten werken. Veelal wilde men de eigen politieke identiteit tot op het slagveld doorvoeren. Er werd niets aan orders aangenomen van leiders van een andere politieke militie. Het was vooral het vuur en de gedrevenheid die de rangen toch gesloten wisten te houden. Maar dat dit op den duur problemen zou veroorzaken mag duidelijk zijn.

Binnen het nationalistische kamp kwamen buiten de militaire coupplegers vooral de fascisten en koningsgezinden samen. Ook hier had men verschil van inzicht. De Nationalisten waren echter bij machte om de geschillen opzij te zetten ten voordele van de strijd. Direct na de opstand werd door hen een militaire leiding opgezet met de generaals Mola, De Llano en Franco.

In de jaren na het eerste oorlogsjaar zouden de onderlinge politieke geschillen bij de Republikeinen, zowel op politiek gebied als op militair gebied, hun tol gaan eisen. Door de Sovjet-inmenging werd vooral de Partido Communista de España (PCE) een belangrijke machtsfactor. Het gevolg hiervan was dan wel dat organisaties die door de Sovjets als "anti-stalinistisch" werden bestempeld, zoals de Partido Obrero de Unificación Marxista (POUM) en de anarchisten, langzaam maar zeker een positie gingen innemen die meer tegenover de Republiek kwam te staan dan ernaast.

Ondertussen boekten de Nationalisten enkele belangrijke overwinningen. Op 23 juli namen ze de stad Alto de Leon in en op 25 juli de Somosierra-pas. Op 3 augustus startten de Nationalistische troepen hun offensief in Estremadura. Dit offensief werd mogelijk gemaakt door de eerste aankomst van troepen uit Noord-Afrika. Enkele dagen later kregen de Republikeinen een grote schok te verwerken. De internationale gemeenschap had besloten zich formeel niet in het conflict te mengen middel een politiek van non-Interventie. Het eerste uitvloeisel hiervan was het stopzetten van de hulp door Frankrijk.

Definitielijst

dictatuur
Staatsvorm waarbij de macht in een land in de handen is van één persoon, de dictator. Oorspronkelijk een Romeinse staatsvorm voor tijden van nood, waarbij de totale macht 6 maanden in de handen lag van één persoon om de crisis het hoofd te bieden.
KOMINTERN
Internationale bundeling van Communistische partijen (1919-1943). De Komintern werd vanuit Moskou geleid.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
revolutie
Meestal plotselinge en gewelddadige ommekeer van bestaande (politieke) verhoudingen en situaties.
slagschip
Zwaar gepantserd oorlogsschip met geschut van zeer zwaar kaliber.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.
staatsgreep
Poging om met geweld de macht in de staat over te nemen.
torpedobootjager
(Engels=destroyer) Zeer lichtgebouwd, snel en wendbaar oorlogsschip, bestemd om door verrassingsaanvallen grote vijandelijke schepen met de torpedo tot zinken te brengen.
Vreemdelingenlegioen
Frans legeronderdeel waarvan de soldaten en onderofficieren buitenlandse huurlingen zijn. Ook in Spanje behoort een vreemdelingenlegioen tot de landstrijdkrachten.

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Koning Alfonso XIII
(Bron: Wilco Vermeer)


Zamora
(Bron: Wilco Vermeer)


Overzicht van de strijd
(Bron: Primetime, via Wikipedia)


Francisco Franco Bahamonde
(Bron: Portal Fuenterrebollo)


De viering van de verkiezingsoverwinning door het frente Popular in februari 1936
(Bron: Onbekend)

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
14-02-2006
Laatst gewijzigd:
22-04-2010
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

Categorieën


Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002-2010
Go2War2.nl is altijd op zoek naar nieuwe (gast)auteurs, lees voor meer informatie de FAQ.