Luchtlandingen in de Vesting Holland

De strijd

De verdere strijd rond Den Haag
De ontstane situatie noopte de Nederlandse legerleiding ertoe de nodige maatregelen te nemen. Duidelijk was wel geworden dat meer troepen ingezet dienden te worden om de vijand rond de regeringsstad te verdrijven. Luitenant-generaal J. van Andel, commandant van de Vesting Holland, zag zich genoodzaakt om diverse problemen aan te pakken. Allereerst waren er de tastbare aanvallen rond Den Haag en de operaties in Rotterdam. Daar kwam echter nog bij dat van overal meldingen binnenkwamen van luchtlandingen. Sommige terecht andere onterecht. Al deze meldingen dienden echter te worden onderzocht.
Als eerste maatregel werd het Ie Legerkorps ter beschikking gesteld. Toch kon niet zomaar alles worden ingezet. Men moest er rekening mee blijven houden dat ook elders in de Vesting Holland nieuwe luchtlandingen plaats konden vinden. Uiteindelijk werden naar Den Haag drie bataljons gedirigeerd. Niet veel, maar men moest het er mee doen. In de ochtend van 10 mei was er echter iets gebeurd dat de Nederlanders veel zou helpen. Midden in Den Haag stortte een brandende Junkers Ju 52/3m neer welke snel geblust werd om grotere schade te voorkomen. Naast de lichamen van 16 soldaten, werd in het wrak een aantal met documenten gevulde tassen gevonden. Deze documenten bleken het volledige aanvalsplan voor de 22.Luftlandedivision te bevatten. Hierdoor was de Nederlandse legerleiding al snel volledig op de hoogte van de Duitse plannen met betrekking tot Den Haag. Er werd dan ook gelijk op gereageerd. Men kon nu dan ook de nodige tegenmaatregelen gaan nemen.

Zoals aangegeven, waren de Duitse troepen bij Ypenburg er slechts in geslaagd om een aantal posities op het vliegveld in handen te krijgen. Van daaruit was het de bedoeling geweest om op te trekken naar Den Haag zelf, maar al om 07.00 uur was hun positie zo slecht dat hiervan moest worden afgezien.
Voor de Nederlanders was de aanwezigheid van de Duitse troepen zo dicht bij regering en legerleiding echter zeer dreigend. Het 2e Bataljon Grenadiers, een afdeling artillerie en Depottroepen werden in de richting van het vliegveld gedirigeerd en namen hun stellingen in langs de Vliet. Om 10.00 uur begon de eerste Nederlandse aanval. Het duurde echter nog tot kort na het middaguur voordat Nederlandse troepen zich langzaamaan van de situatie meester konden maken. Om 14.00 uur viel een detachement onder leiding van reserve-2e luitenant G.J.L Maduro vanuit Voorburg over de Oude Tolbrug de Duitse positie in Villa Dorrepaal aan. Met hulp van een stuk pantsergeschut wist men uiteindelijk de Duitse verdediging uit te schakelen.
De Nederlanders kregen nog geallieerde hulp toen om 15.10 uur de Duitse posities werden aangevallen door 12 RAF Bristol Blenheim bommenwerpers. Ook via de Hoornbrug wist men langzaam op te rukken en om 15.30 uur was vliegveld Ypenburg weer geheel in Nederlandse handen. Het duurde echter nog tot 19.30 uur voordat alle Duitse verzetshaarden waren uitgeschakeld. Hiervandaan kon men verder optrekken naar Delft om de Duitse verzethaarden die daar zich ophielden te kunnen uitschakelen. De restanten van de Duitse troepen vestigden zich nu in Overschie. De herovering van Ypenburg was geslaagd. Al in de avond van 10 mei waren de Nederlanders zich weer meester van de situatie. Door de verwarrende situatie is nooit volledig vastgesteld hoeveel Duitse soldaten op Ypenburg het leven lieten. Meer dan 100 Duitsers zijn uiteindelijk als krijgsgevangene afgevoerd. In de 17 op het vliegveld gelande transportvliegtuigen werden alleen maar lichamen gevonden. Het totale aantal doden aan Duitse zijde is uiteindelijk geschat op tussen de 500 en 800.

Het III-4. R.I. van majoor J. Mallinckrodt viel als eerste de Duitse bezetting van het vliegveld Valkenburg aan. Hij had eigenhandig zijn uiteengeslagen troepen weer verzameld en de tegenaanval ingezet vanuit Katwijk. Hij moest zijn aanval echter staken in de buurt van het vliegveld. Luitenant-kolonel H.G. Buurman, commandant van het 4 R.I., had ondertussen het Ie en IIe Bataljon op laten rukken. I-4 R.I. wist al snel haar uitgangsposities ten noorden van vliegveld Valkenburg te bereiken. II-4 R.I. liep echter bij Katwijk aan de Rijn vast op een groep Duitsers bij de brug over de Oude Rijn. Om 15.00 uur wist reserve-majoor J.J.N. Cramer zijn troepen echter langs de Duitsers te werken en kon ook hij oprukken naar het vliegveld.
Ondertussen was de 3e Afdeling 2e Regiment Artillerie gearriveerd en kon men een aanvang maken met de beschieting van de Duitse posities. De commandant, majoor H.J.J.W. DŁrst Britt, kreeg echter geen toestemming te vuren. Er zou een telefoontje binnen zijn gekomen waar een persoon die zich uitgaf als Nederlandse vaandrig in opdracht van de Duitsers had moeten zeggen dat er zich Nederlandse krijgsgevangenen in de gebouwen bevonden. Het bericht werd uiteindelijk als schending van het oorlogsrecht terzijde gelegd en om 08.30 uur opende de Nederlandse artillerie het vuur. De Duitsers trokken zich hierop terug naar het dorp Valkenburg, waar zij zich verschansten. Zo kon zonder al te veel strijd het vliegveld weer in Nederlandse handen komen. Het dorp Valkenburg zou echter de daaropvolgende dagen zware gevechten te verduren krijgen. Ook in de duinen bij de Wassenaarse Slag wisten op het strand gelande Duitse luchtlandingstroepen zich te verschansen. Zowel in Valkenburg als in de duinen wisten de Duitsers stand te houden tot aan de capitulatie op 14 mei.

Op vliegveld Ockenburg ontstond al snel na de Duitse inname een strijd waarbij vooral de commandanten ter plaatse het initiatief namen. Een mengeling van troepen van de staf van het Regiment Grenadiers uit Loosduinen, een compagnie mitrailleurs, een compagnie mortiers, een compagnie pantserafweergeschut en zelfs een batterij 6-Veld werden hierbij direct ingezet. Doordat de Duitse troepen niet zozeer vliegveld Ockenburg als doel hadden, maar wel enkele cruciale verkeersknooppunten bij Loosduinen ontstond bij deze plaats al snel een zwaar gevecht. Door versterkingen vanuit Den Haag kon men echter de Duitsers de baas blijven.
Op diverse andere kleinere posities in en rond Den Haag raakten Nederlandse eenheden en verspreide groepjes Duitse para's met elkaar in gevecht. Deze Duitse eenheden hadden allemaal opdracht om bepaalde kruispunten te bezetten tot de komst van de hoofdmacht. Langzaamaan wist men meer organisatie in de Nederlandse acties te brengen. Ockenburg zelf was echter nog steeds in Duitse handen.
Het 1e Bataljon Grenadiers zou nu vanuit Den Haag het vliegveld aanvallen. Tegelijk zou vanuit Monster een bataljon Jagers de aanval openen. Net als bij Valkenburg zou de artillerie (I-2 Regiment Artillerie) de aanval inluiden. De aanval werd echter ingezet door een luchtbombardement. Nog voor 08.00 uur hadden vier Nederlandse vliegtuigen (waaronder ťťn van de nog vliegwaardige Fokker T.V bommenwerpers) een luchtbombardement uitgevoerd.
Rond 08.00 uur opende de artillerie het vuur, geleid vanuit een watertoren in Monster. De Duitse commandant Von Sponeck trok zich hierop met 300 man terug in het bos bij Ockenburg. De overgebleven Duitsers werden overmeesterd en tegen 15.00 uur was Ockenburg weer Nederlands bezit. Het aantal doden aan Duitse zijde is ook hier niet geheel bekend. Totaal werden 160 Duitsers afgevoerd als krijgsgevangene. In de omgeving werden nog meer slachtoffers gemaakt. De Gernadiers zelf hadden "slechts" 12 doden bij het vliegveld en 22 doden bij de overige gevechten te betreuren.

Zo waren op de eerste oorlogsdag alle vliegvelden rond Den Haag weer onder Nederlandse controle. Diverse groepen Duitsers waren echter nog verspreid in het gebied aanwezig en zouden zo tot op 14 mei belangrijke Nederlandse troepen aan zich binden waardoor deze niet elders konden worden ingezet. Von Sponeck had al op de avond van 10 mei te horen gekregen van Kesselring als bevelhebber van Luftflotte 2, dat iedere verdere aanval op Den Haag moest worden gestaakt en dat de restanten van zijn troepen zich een weg moesten banen naar Overschie om zich daar bij de overige troepen te voegen. Een verzoek van Duitse zijde aan het Nederlandse opperbevel om een adempauze in te lassen ten einde de gewonden te kunnen verzorgen en evacueren, werd van Nederlandse zijde afgewezen. Nederland eiste allereerst een onvoorwaardelijke overgave van de Duitse troepen rond Den Haag. Hierop startte Von Sponeck de voorbereidingen voor een ontsnapping.

Op diverse plaatsen in het omliggende gebied moesten echter tal van zuiveringsacties worden ondernomen om verspreide groepjes Duitsers onschadelijk te maken. Over het algemeen waren al deze acties succesvol en werden nagenoeg alle verzetshaarden vernietigd. Het mag duidelijk zijn dat deze acties wel veel inzet van troepen met zich meebracht welke elders hard nodig waren.

Nederlandse tegenacties bij Dordrecht en de Moerdijkbruggen
Rondom het door de Duitse luchtlandingstroepen bezette gebied in IJsselmonde, het Eiland van Dordrecht en Moerdijk, lagen twee Nederlandse onderdelen. In de Hoekse Waard bevond zich de Groep Kil en ten noordoosten lag de Lichte Divisie. Daarnaast dienden twee in Brabant gelegen grensbataljons, het 3e en het 6e Grensbataljon zich bij een Duitse aanval terug te trekken richting Willemstad en Moerdijk.

Het 3e Grensbataljon onder leiding van majoor A.G.C. Reijers, kwam 's avonds op 10 mei aan in de Hoekse Waard en zou gelijk worden ingezet om vliegveld Waalhaven te heroveren. De 1e en 2e Compagnie zouden hiertoe bij Heijnenoord de Oude Maas oversteken en Waalhaven naderen. De 4e Compagnie zou bij Puttershoek de Oude Maas oversteken en de Duitse troepen aan de noordzijde van de brug bij Barendrecht aanvallen. Vanaf de andere oever zou dan de 3e Compagnie de brug bestormen. Op 11 mei vond tegen 06.00 uur het overzetten van de 1e en 2e Compagnie plaats. Hoewel de oversteek succesvol was, werden zij gelijk door de Duitsers onder vuur genomen. De Nederlandse soldaten raakten hier zo van onder de indruk dat terugtrekken naar de andere oever noodzakelijk werd. De brug bij Barendrecht bleef eveneens in Duitse handen Ook hier vond de oversteek zelf (4e Compagnie onder Reserve-kapitein G.J.A. Manders) zonder grote problemen plaats. De commandant liet zich in Heerjansdam echter aanpraten dat de Duitse bezetting van Barendrecht te sterk voor hem zou zijn en hij trok zich terug. De 3e Compagnie zette hierdoor om 12.30 uur op 11 mei de aanval in zonder steun van de andere zijde en moest al snel de aanval afbreken.

Majoor J.F.W. Hendriksz trok direct na het bekend worden van de Duitse inval met zijn 6e Grensbataljon terug in de richting van de Moerdijkbruggen. Echter niet eerder dan nadat hij zijn opdrachten tot het vernielen van wegen en bruggen naar het zuiden toe had uitgevoerd. Dit uitvoeren van een onzinnige opdracht zou de hulp van de Fransen nog danig in de war schoppen. Voor de oorlog was de opdracht gegeven dat bij een vijandelijke aanval Nederland de neutraliteit zou blijven trachten te voeren door alle toevoerwegen, dus ook richting BelgiŽ, te versperren of te vernietigen.
Aangekomen bij het Duitse bruggenhoofd verzuimde majoor Hendriksz om de Duitse troepen direct onder druk te zetten. Deze waren immers nog steeds bezig hun verdediging in gereedheid te brengen en een snelle, geconcentreerde tegenaanval had hier roet in het eten kunnen gooien. Toen om 17.15 uur op 10 mei een eskader van vier Fokker C.X toestellen een bomaanval op de Duitsers uitvoerden, werd wederom niets ondernomen om eventueel van de verwarring onder de Duitse troepen gebruik te maken.
Majoor Hendriksz kwam pas in actie toen vanuit het zuiden versterking opkwam dagen in de vorm van de Franse Colonel Dario met zijn 6iŤme Rťgiment Cuirassiers. Deze besloot een detachement onder leiding van Chef d'Escadron Michon naar de Moerdijkbruggen te zenden teneinde met de Nederlanders een aanval te ondernemen. De troepenbeweging werd echter door Duitse verkenningsvliegtuigen ontdekt en zwaar onder vuur genomen door een eskader Junkers Ju 87 Stuka's. De verliezen waren zo groot dat de aanval werd afgebroken, nog voordat deze goed en wel had aangevangen.

Al in de loop van de ochtend op 10 mei had kolonel Van Andel als bevelhebber van de Groep Kil besloten dat een tegenaanval bij Dordrecht noodzakelijk was om de bruggen vast in Nederlandse handen te brengen. Hij gaf II-28 R.I. de opdracht om bij 's Gravendeel de Dordtse Kil over te steken. Pas tegen 19.00 uur had de bevelhebber majoor D.P. Ravelli een groot deel van zijn bataljon over laten varen. De invallende nacht zag hij als een groot probleem voor verdere acties. Omdat vooral kolonel Van Andel bleef aandringen op een aanval, besloot hij rechtstreeks in de richting van de bruggen over de Oude Maas te trekken. De aanval stokte echter rond 02.30 uur door zwaar vuur van de Duitse troepen. Verscheidene slachtoffers vielen aan Nederlandse kant en vele van de overgeblevenen vluchtten weg, waarmee de verwarring alleen maar groter werd. Ondanks dat wist Ravelli tegen de ochtend weer enig verband in zijn eenheid te krijgen om opnieuw een aanval te openen. Ditmaal verliep de aanval zonder enig tegenvuur, maar stuitte men op een groep Nederlandse soldaten die hen verwelkomde. Dit was een gebeurtenis die Ravelli tot grote voorzichtigheid maande. Waar kwamen deze Nederlandse troepen ineens vandaan? Ravelli ging met een groep officieren zelf poolshoogte nemen en werd prompt in een hinderlaag gelokt. Rond de vermeende Nederlandse soldaten, lagen namelijk de Duitse troepen in een hinderlaag en Ravelli werd met nagenoeg zijn gehele staf gevangen genomen. Het restant van II-28 R.I. trok zich hierop terug.

Om 06.00 uur op 10 mei, had generaal Winkelman aan de bevelhebber van de Lichte Divisie, kolonel H.C. van der Bijl, de opdracht gegeven zich met zijn divisie naar de Vesting Holland te verplaatsen. Daar werden zij gelijk onder het bevel geplaatst van de commandant van de Vesting Holland, luitenant-generaal Van Andel.
Hierop ontstond een zeer verwarrende situatie. De opdracht was dat de Lichte Divisie "zo nodig" kon worden ingezet bij de Merwedeoever. Dit "zo nodig" werd door kolonel Van der Bijl niet ontvangen en hij liet het overgrote deel van zijn troepen stelling betrekken langs de Merwede. Vervolgens werd van hogerhand besloten om de Lichte Divisie in te zetten bij de herovering van vliegveld Waalhaven. Men verzuimde echter om kolonel Van der Bijl in te lichten over de ontstane situatie in het gebied tussen Dordrecht en Rotterdam. Daarnaast moest hij een bataljon wielrijders (III-2 R.W.) afstaan voor de verdediging van Dordrecht.
Van der Bijl had echter van een plaatselijke veldwachter vernomen dat de westelijke oever van de Noord al was bezet door Duitsers. In werkelijkheid was dit maar een hele kleine groep en was het door Student ter versteking gestuurde IIe Batallion 16.Infanterieregiment nog niet gearriveerd. Van der Bijl besloot echter geen aanval te wagen en liet het III-2 R.W. via een veerpont oversteken en via een omweg naar Dordrecht vertrekken.
Pas op 11 mei besloot hij de brug over de Noord aan te vallen.
Om 03.45 uur staken daartoe van de 1e en 3e Compagnie 2 R.W. een sectie in bootjes de Noord over en stelde luitenant-kolonel H. Mijsberg de rest op aan weerszijden van de oprit. De overtocht was ook hier weer een succes, echter was de situatie ter plekke zo slecht verkend dat de aanval al snel door de Duitsers werd doorzien. Tegen 08.00 uur werd vanuit de Alblasserwaard zelf geprobeerd om de brug stormenderhand te nemen. Ook deze poging liep al snel vast op de Duitse verdediging. Intussen waren ook de Duitse versterkingen gearriveerd en werd de Luftwaffe volop ingezet. Iedere poging van Nederlandse zijde om een aanval te lanceren werd vanaf land en uit de lucht onmogelijk gemaakt.
De Lichte Divisie kreeg hierop een nieuwe opdracht, namelijk het zuiveren van het Eiland van Dordrecht, dat via het veer over de Merwede wel bereikbaar was. Via de Hoekse Waard en Barendrecht zou dan alsnog naar Waalhaven moeten worden getrokken.

Kolonel Van de Bijl moest nu een geheel nieuw aanvalsplan ontwikkelen, waarbij hij niet geheel op de hoogte was van de situatie waarin zijn troepen terecht zouden komen. Hij verdeelde zijn strijdmacht in twee groepen. Een zogenaamde "Vasthoudende Groep", onder leiding van luitenant-kolonel Van Gennep, moest het front aan de Noord gaan beheersen en zo voorkomen dat Duitse troepen de Noord zouden oversteken. De tweede groep, de zogenaamde "Hoofdgroep", onder leiding van luitenant-kolonel J.J. van Diepenbrugge, diende het Eiland van Dordrecht op de Duitsers te heroveren en het vliegveld Waalhaven aan te vallen. Hiertoe kreeg hij de beschikking over het 2e Regiment Wielrijders, het IIe Bataljon van het 1.R.W. en de IIe Afdeling van het Korps Rijdende Artillerie.

Zoals aangegeven, was er weinig bekend over de ontstane situatie op het Eiland van Dordrecht. Er ging echter veel meer mis. De groep Kil, die zelf verantwoordelijk was voor het Eiland van Dordrecht, werd niet op de hoogte gebracht van de nieuwe plannen. Ook de bevelhebber van het garnizoen in Dordrecht, kantonnementscommandant overste Mussert, werd buiten alles gehouden. Hij werd zelfs niet onder het bevel geplaatst van de Lichte Divisie. Van Diepenbrugge besloot vervolgens zijn aanval uit te voeren over een breed front, zonder werkelijke speerpunten. Door de bijna onophoudelijke bombardementen door de Luftwaffe, liep de overtocht bij Papendrecht bijna geheel in het honderd. Deze bombardementen hadden een vernietigend effect op het moraal van de Nederlandse troepen.
Ondanks dit alles kon toch nog begonnen worden aan de zuivering van het Eiland van Dordrecht. Het Ie en het IIIe bataljon 2.R.W., maakten aan de oostelijke zijde snelle vorderingen, mede door de geringe tegenstand die men ondervond. Het ging zo vlot dat men rond 10.00 uur moest stoppen om de overige troepen in de gelegenheid te stellen om aan te sluiten. Aan de westelijke zijde stuitte majoor H.C. Kloppenburg met zijn IIe Bataljon 1.R.W. echter op zoveel tegenstand dat de situatie dreigde te escaleren.
Er was namelijk in het gebied iets gebeurd, waar de Nederlandse troepen geen weet van hadden. Generalleutnant Student had ondertussen een eenheid onder leiding van Oberstleutnant John de Boer, op pad gestuurd om de stad Dordrecht te omsingelen en daarna de troepen in de stad uit te schakelen. Deze operatie slaagde voor het grootste deel, waardoor de troepen van majoor Kloppenburg terechtkwamen in een gebied waar weinig Duitse troepen werden verwacht, maar waar ondertussen een stevige strijdmacht was samengetrokken. Zijn aanval liep hierdoor volledig vast.
De troepen in het oostelijke deel waren hier ondertussen niet van op de hoogte en bleven op hun plaats. Indien de communicatie beter was geweest, dan had Van Diepenbrugge deze troepen kunnen laten oprukken naar de Dordtsche Kil, waardoor de Duitsers bij de Moerdijkbruggen zouden worden afgesneden van hun kameraden in Dordrecht. Zo had men misschien een poging kunnen wagen om de Moerdijkbruggen van twee zijden te heroveren. In plaats hiervan bleven de troepen tot 17.00 uur ter plaatse. Toen eenmaal van hogerhand werd ingegrepen was het al te laat en hadden de Duitse troepen hun posities voldoende versterkt.

De volgende dag, 12 mei, rond 16.45 uur werd de situatie volledig anders toen de eerste Duitse tanks van de 9.Panzerdivision over de Moerdijkbruggen rolden. Al snel bleek de situatie onhoudbaar en zou het Eiland van Dordrecht geheel in vijandelijke handen zijn. Vervolgens trokken de Duitse tanks door naar Rotterdam, waar de Fallschirmjšger en Luftlandetruppen nog steeds in hevig gevecht waren.

Ontknoping rond Den Haag
Nadat de Nederlandse troepen de vliegvelden rond Den Haag hadden heroverd, ontstond een situatie waarbij men te maken kreeg met verscheidene verspreid vechtende Duitse Fallschirmjšger-eenheden.
In het dorp Valkenburg en in de duinen tussen Katwijk en Scheveningen hadden zich twee sterke groepen verschanst. Ondanks verwoede pogingen door diverse Nederlandse eenheden, lukte het niet om de beide groepen uit te schakelen. Keer op keer moesten Nederlandse troepen door onkunde, pech of overmacht zich terugtrekken.
Op 12 mei besloot overste Buurman, de Nederlandse commandant in het gebied, nogmaals een poging te wagen om de vijand uit Valkenburg te verdrijven.
Hij trommelde hier het 9e Regiment Infanterie voor op. Het 1e bataljon onder majoor Van der Schee liet hij vanuit het noorden aanvallen. Terwijl die aanval gaande was, kreeg hij ook het 2e Bataljon ter beschikking, welke hij de zuidflank liet aanvallen. De aanval leek te slagen. Langzaam maar zeker wist men verder het dorp binnen te dringen en de vijand in het nauw te drijven. Toen een overwinning nog maar een kwestie van tijd leek, klonk plotsklaps het bevel tot terugtrekking. Een bevel van de Nederlandse legerleiding waarin werd aangegeven dat verspreid liggende groepjes Duitsers alleen nog maar met kleine eenheden mochten worden aangevallen, had de bevelhebber van de 3e Divisie, de meerdere van overste Buurman, het bevel doen uitvaardigen de aanval te stoppen. Achteraf een onbegrijpelijke beslissing.
Tegen de Duitsers in de duinen, die ondertussen geconcentreerd waren bij Wassenaarse Slag, werd alleen maar verkennend opgetreden. Hiermee werd in ieder geval bereikt dat de vijand zich rustig hield.

De Duitse troepen die Ypenburg hadden verlaten hadden zich ingegraven langs de autosnelweg en de Schie in de buurt van Delft. Twee secties Grenadiers hadden 's nachts al geprobeerd de vijand te verdrijven, maar waren op een te grote weerstand gestuit. In de ochtend van 11 mei werd een nieuwe poging gewaagd door een compagnie van het 9e Regiment. Ook deze poging moest uiteindelijk worden gestaakt. Een derde poging in de middag liep wederom op een mislukking uit. Vanaf de zuidkant ondernam ook het 3e Regiment Huzaren nog enkele pogingen om de vijand te verdrijven. Aanvankelijk leek die poging te slagen toen de zuidflank van de Duitsers werd opgerold en men 30 krijgsgevangenen wist te maken en enkele Nederlandse gevangenen wist te bevrijden. Een stevige tegenaanval van de Duitsers vanuit het noorden dwong de Huzaren echter tot een terugtocht. Een definitieve aanval moest wachten tot 12 mei, wanneer men meer troepen had kunnen samentrekken om de Duitsers aan te vallen. Toen deze aanval klaarstond, bleek de vijand echter al vertrokken. Zonder dat de Nederlanders het wisten was namelijk besloten om de aanval op Den Haag af te breken en alle Duitse luchtlandingseenheden opdracht te geven te vertrekken naar Overschie, teneinde zich bij de troepen in Rotterdam te voegen.

De commandant van Luftflotte 2, General der Flieger Albert Kesselring had Von Sponeck al laat in de avond van 10 mei laten weten dat de aanvallen rond Den Haag werden afgeblazen en dat hij alle overgebleven troepen moest verzamelen in Overschie.
Rond 13.00 uur op 11 mei, vertrok Von Sponeck met zijn troepen vanuit de omgeving van Ockenburg, zonder ook maar enig geluid te maken. Deze terugtrekking was zo goed georganiseerd dat geen van de Nederlandse eenheden ook maar iets merkte. Pas in Wateringen werden ze opgemerkt. In Wateringen bevond zich de Groepsstaf van luitenant-kolonel Beets, versterkt met een aantal manschappen van het 13e Depotbataljon. Er ontstond in Wateringen een vuurgevecht, waarin de in de minderheid zijnde Nederlanders zich zeer goed wisten te verweren. Met behulp van de aanwezige zware mitrailleurs wist men de Duitse aanvallers van zich af te houden. Door heldhaftig optreden van de directeur van het postkantoor, was men in staat om, terwijl de vijand rond het postkantoor liep, via de telefoon om hulp te vragen. Vanuit Den Haag werden twee pantserauto's op weg gestuurd. Toen deze in Wateringen aankwamen waren de Duitse troepen juist hun vertrek aan het voorbereiden. De groep van Von Sponeck had een aantal bussen van de VIOS buitgemaakt en vertrok daar mee naar Overschie. De Nederlandse pantserwagens wisten de Duitse achterhoede nog zware verliezen toe te brengen, maar door de uitschakeling van ťťn van de wagens moest men de achtervolging staken.
Intussen had men, onwetend van dit alles, in Loosduinen de aanval ingezet om Von Sponeck uit Ockenburg te verdrijven. Vanaf 02.45 uur op 12 mei traden de Nederlandse Grenadiers naar voren. Zonder enige tegenstand kwamen ze aan in het gebied waar de dag ervoor nog zoveel Duitsers aanwezig waren. De enkeling die nog aangetroffen werd, gaf zich direct over. Von Sponeck bereikte ongehinderd Overschie in de nacht van 12 op 13 mei. Hier kon hij zich voegen bij de troepen die zich vanaf hun posities bij Delft hadden teruggetrokken. Von Sponeck zag er geen heil in om Rotterdam zelf trachten aan te vallen. Hiervoor achtte hij de Nederlandse verdediging te sterk. In plaats hiervan richtte hij zijn posities in Overschie ter verdediging in teneinde daar stand te kunnen houden.

Het Nederlandse opperbevel gaf de in het gebied liggende Nederlandse troepen op 13 mei nadrukkelijk de instructies om de Duitsers bij Overschie aan te vallen. In de vroege ochtend van 13 mei verschanste de vanuit Delft oprukkende Nederlandse eenheden zich op ongeveer 2 kilometer ten noorden van Overschie. Voordat er echter een aanval ondernomen kon worden, werd het bericht gezonden dat de eenheden zich terug moesten trekken op Den Haag om een pantserfront rond Den Haag te vormen.
De gebeurtenissen waren echter namelijk beÔnvloed door de ontwikkelingen bij de Moerdijkbruggen. Door de komst van de Duitse tanks moesten meer troepen naar de omgeving van Rotterdam worden gedirigeerd. Een beperktere strijdmacht onder leiding van KNIL-luitenant H.D. Rijhiner kreeg van kolonel P.W. Scharroo de opdracht de vijand bij Overschie aan te vallen. De aanval werd echter een grote mislukking. De te hulp gestuurde pantserwagen verwondde diverse van de eigen manschappen bij een terugtrekkende manoeuvre. Op 14 mei werd nogmaals een poging ondernomen, ditmaal door drie bataljons infanterie onder leiding van de bevelhebber van het Regiment Jagers, luitenant-kolonel H.D. Scherpenhuijzen. Deze keer maakten de Nederlanders langzaam vorderingen, maar moesten al snel de strijd staken door de gebeurtenissen in Rotterdam.

Rotterdam, naar het einde
Wat was er ondertussen bij de bruggen in Rotterdam gebeurd?
De situatie na de eerste aanval is al behandeld. Zoals aangegeven waren Nederlandse troepen erin geslaagd te voorkomen dat de Maasbruggen volledig in handen van de vijand vielen. De Duitse troepen bij de bruggen werden volledig vastgepind in hun posities.
Rotterdam-Zuid was in Duitse handen. Het Noorder Eiland wisten ze te behouden en een kleine Duitse eenheid wist zich te handhaven op de noordelijke Maasoever. De bruggen werden echter door de Nederlandse troepen onder vuur gehouden zodat verdere acties nagenoeg onmogelijk bleken. De Nederlandse legerleiding wenste zich echter niet bij deze situatie neer te leggen. Al op 10 mei werd de Hr.Ms. Z5, een Nederlandse torpedoboot, vanuit Hoek van Holland naar Rotterdam gedirigeerd. Samen met de torpedomotorboot Hr.Ms. TM 51 nam men de Duitse posities onder vuur. Ondanks sterk tegenvuur vanaf de wal en luchtaanvallen door de Luftwaffe bleven beide schepen aanvallen tot al hun munitie op was. Vervolgens stuurde de marineleiding de kanonneerboten Hr.Ms. Flores en Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau en de torpedobootjager Hr.Ms. Van Galen naar Rotterdam. Dit laatste schip voer als eerste de Nieuwe Waterweg op, maar werd al bij Vlaardingen door de Luftwaffe aangevallen. Het schip werd hierbij zo zwaar beschadigd dat het in de Merwedehaven moest worden gemeerd, waar het langzaam zonk. Voor de marineleiding was dit het teken om geen enkele poging meer te wagen om schepen in deze richting te sturen.
Steeds meer troepen werden in de richting van Rotterdam gezonden en op 12 mei vond generaal Winkelman de situatie dusdanig alarmerend dat hij zijn medewerker luitenant-kolonel J.J.C.P. Wilson naar kolonel Scharroo stuurde. Wilson vroeg direct om krachtiger troepen en kreeg het IIe Bataljon Regiment Jagers toegewezen. Ondertussen dreigde de situatie uit de hand te lopen door de gemelde nadering van de 9.Panzerdivision. Er diende nu drastische maatregelen te worden genomen en Scharroo kreeg van generaal-majoor H.F.M. Baron van Voorst tot Voorst de opdracht met een krachtige aanval de Duitsers te verdrijven van de Maasbruggen en deze vervolgens op te blazen. Voor de aanval werden twee compagnieŽn geformeerd. Hiervoor zette men onder andere de Afdeling Mariniers onder leiding van kapitein W. Schuiling in. Drie secties mariniers wisten zich te nestelen in het "Witte Huis" en ťťn sectie wist de oprit van de Willemsbrug te bereiken. Verder kon men echter door het Duitse tegenvuur niet komen. Hoewel het dus niet lukte om de Duitsers te verdrijven, was men er wel in geslaagd om de Nederlandse troepen zodanig te positioneren, dat iedere ongestoorde oversteek via de Maasbruggen onmogelijk was geworden. Men begon zich op te maken voor een grote strijd om de bruggen wanneer de Duitse grondtroepen daar zouden arriveren. Op 14 mei nam alles echter een dramatische wending. Het bombardement op Rotterdam, door de Luftwaffe en de daaropvolgende dreiging dat andere steden dit voorbeeld zouden volgen, noopten het Nederlandse opperbevel om te capituleren.

Epiloog
De luchtlandingen in de Vesting Holland waren voor de Duitse troepen slechts gedeeltelijk een succes. De toegangsbruggen naar de Vesting Holland werden nagenoeg allemaal in handen gehouden tot de Duitse grondtroepen arriveerden. Alleen bij de laatste bruggen, in Rotterdam, wist het Nederlandse leger stand te houden en had bij een iets andere situatie een brug te ver kunnen zijn voor de Duitse luchtlandingstroepen. In tegenstelling tot hun Britse "collega's" bij Arnhem, ruim vier jaar later, waren de Duitse grondtroepen echter wel op tijd om hun kameraden de helpende hand te bieden.
De operaties rond Den Haag liepen voor de Duitsers echter uit op een fiasco. De Luftwaffe verloor in Nederland 350 vliegtuigen, waaronder een groot aantal voor de luchtlandingen van groot belang zijnde Junkers Ju 52/3m transportvliegtuigen. Van de circa 7240 in de Vesting Holland gelande Duitse troepen, werd een aanzienlijk deel van rond de 1200 manschappen uitgeschakeld. Naast de gesneuvelde Fallschirmjšger en Luftlande-infanteristen, werden zeker 800, voornamelijk van de 22.Luftlandedivision afkomstige, manschappen via IJmuiden naar Engeland en vervolgens dus in krijgsgevangenschap afgevoerd. Aan Nederlandse zijde gingen zeker 500 levens bij de strijd om de Vesting Holland verloren. Het Nederlandse leger heeft hier echter zeker laten zien wat ze waard was en vooral individuele acties van plaatselijke commandanten hebben tot de verbeelding gesproken. De strijd om de Vesting Holland heeft echter ook veel troepen gebonden die men veel liever had willen inzetten in de strijd op andere plaatsen in het land.

Definitielijst

artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
capitulatie
Overeenkomst tussen strijdende partijen met betrekking tot de overgave van een land of leger.
Divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Fallschirmjšger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
Infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
KNIL
Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger (1830-1950) Benaming van het Nederlandse leger in IndonesiŽ.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
neutraliteit
Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van ťťn wapensoort.
torpedobootjager
(Engels=destroyer) Zeer lichtgebouwd, snel en wendbaar oorlogsschip, bestemd om door verrassingsaanvallen grote vijandelijke schepen met de torpedo tot zinken te brengen.

Bronnen

- Amersfoort H. en P.H. Kamphuis, Mei 1940 De strijd op Nederlands grondgebied, SDU uitgeverij, 's Gravenhage, 1990
- Brongers E.H., De slag om de Residentie 1940, Hollandia B.V., Baarn, 1977
- Gilbert A., Germany's Lightning War, MBI Publishing Company, Osceola USA, 2000
- Middelkoop T. van, Een soldaat doet zijn plicht, Europese bibliotheek, Zaltbommel, 2002
- Jong Dr. L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 3 Mei '40, Staatsuitgeverij, 's Gravenhage, 1970
- Steenbeek W., Rotterdam de Duitse inval in Nederland, Standaard uitgeverij, Antwerpen, 1994
- Fallschirmjšger 1936-1945
- World War II day by day

Pagina navigatie

Afbeeldingen


Fallschirmjager in actie


Nederlandse krijgsgevangenen


Verloren Junkers


Rotterdam na het bombardement (foto's deze pagina: Instituut voor Militaire Historie)

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
19-03-2004
Laatst gewijzigd:
20-09-2009
Opmerkingen? Spelfouten?
Geef ons uw feedback!

CategorieŽn


Deze website is een initiatief van STIWOT Alle rechten voorbehouden © 2002-2014
Hosted by Vevida. Privacyverklaring, cookies, disclaimer en copyright.