Kamp Vught

Inleiding

Gedurende de bezetting van Nederland richtten de Duitsers hier verschillende soorten concentratiekampen op. De drie belangrijkste kampen bevonden zich in Amersfoort, Westerbork en Vught. Het kamp in Vught nam een bijzondere positie in, want in feite was dit het enige officiële concentratiekamp in Nederland. De kampen in Westerbork en Amersfoort waren Durchgangslager (doorgangskampen), terwijl het kamp in Vught een Konzentrationslager was.

Wat was de functie van dit concentratiekamp, welke gevangenen hebben er gezeten en welke rol speelde het kamp binnen de Endlösung, de uitroeiing van het Europese Jodendom? Dit zijn enkele van de vragen die in dit artikel aan bod zullen komen.


Oprichting

Kamp Vught was zowel qua opbouw als organisatie opgezet naar Duits model. De officiële naam van het kamp was Konzentrationslager Herzogenbusch, maar in dit artikel zullen we de veel bekendere Nederlandse benaming gebruiken. Net als bijvoorbeeld de concentratiekampen in Dachau, Buchenwald en Mauthausen stond het kamp onder het bevel van het SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt (SS-WVHA), het economische hoofdbureau van de Schutzstaffel (SS) in Berlijn. De overige kampen in Nederland, waaronder die in Amersfoort en Westerbork, werden bestuurd door de Sicherheitsdienst (SD).

Kamp Vught werd opgericht omdat de Duitse bezetter behoefte had aan meer gevangenisruimte. De doorgangskampen in Amersfoort en Westerbork waren niet meer toereikend. Het kamp moest dienen als een Schutzhaftlager, een strafkamp voor diverse groepen ‘staatsgevaarlijke’ gevangenen. Dit waren onder andere politieke tegenstanders en verzetsstrijders, maar ook homoseksuelen. Tevens was een deel van het kamp bedoeld als opvangkamp en later doorgangskamp voor Joden. Hieronder een overzicht van de verschillende afdelingen die kamp Vught gedurende haar bestaan gekend heeft.

Vanaf 13 januari 1943 Schutzhaftlager
Vanaf 16 januari 1943 Judenauffanglager, later Judendurchgangslager
Vanaf februari 1943 Geisellager
Februari/maart 1943 Studentenlager
Vanaf 12 juni 1943 Frauenkonzentrationslager
Augustus 1943 Polizeiliches Durchgangslager
Vanaf juni 1944 SD-Lager

Het heideterrein waar de Duitsers het concentratiekamp vestigden, was in het bezit van de Nederlandse overheid en kon dus gemakkelijk in beslag genomen worden. Het kampterrein was goed van de buitenwereld af te schermen en lag vlakbij spoorwegen en autowegen. Ook was de locatie gunstig vanwege de korte afstand tot ’s-Hertogenbosch waar belangrijke instanties als de SD en justitie gevestigd waren.


Opbouw

Met de bouw van kamp Vught werd in de loop van 1942 begonnen. Omwonenden van het kamp dachten dat er een militaire kazerne werd gebouwd, maar dat vermoeden bleek onjuist toen op 13 januari 1943 de eerste gevangenen in Vught aankwamen. Het ging om een groep van 250 uitgehongerde en afgebeulde gevangenen die overgeplaatst waren vanuit kamp Amersfoort. De meerderheid van hen was niet-Joods. Toen zij arriveerden was de bouw van het kamp nog niet voltooid. Onder erbarmelijke omstandigheden moesten de gevangenen zelf het kamp afbouwen. Ondertussen arriveerden meer gevangenen in het kamp. De slechte omstandigheden kostten in de eerste maanden van het bestaan van het kamp al enige honderden mensen het leven.

Het kampterrein was ruim een kilometer lang en 350 meter breed. Het terrein werd omringd door een door gevangenen gegraven gracht die aan beide kanten afgezet was door prikkeldraad. Om de 100 meter stond een wachttoren, bemand door bewakers met mitrailleurs en schijnwerpers. De omgeving van het kamp was streng verboden terrein. Op borden was de volgende dreigende boodschap te lezen: “Het zich bevinden in de omgeving van het kamp en fotografeeren is streng verboden. Er wordt zonder waarschuwing met scherp geschoten.” Toch wisten omwonenden vrijwel direct dat het kamp gebruikt werd als gevangenkamp, omdat gevangenen vanaf station Vught, onder zware bewaking van de SS en de Nederlandse politie, te voet naar het kamp afgevoerd werden. Bij vrijlating of deportatie moesten ze deze route ook weer in omgekeerde richting te voet afleggen. Omdat de Vughtse bevolking zich steeds vijandiger opstelde, zette de SS later bussen in om gevangenen aan en af te voeren. Pas eind 1943 werd er een aftakking van het spoor naar het kamp aangelegd, die ook gebruikt werd voor goederenvervoer.

In het kamp waren 29 barakken als woonbarak in gebruik. De bouw van het barakkencomplex was gefinancierd met geroofd Joods kapitaal. De eerste barakken waren nog gebouwd van hout, maar later gebruikte men hiervoor steen. Een stenen barak bood plaats aan 240 gevangenen, maar gedurende drukke tijden werd deze capaciteit vaak ruim overschreden. Elke barak bestond uit twee vleugels die elkaars spiegelbeeld vormden. Elke vleugel bevatte een wasruimte met toiletten, een eetzaal en een slaapzaal. De gevangenen leefden in de barakken erg dicht op elkaar en er was geen privacy. Zelfs tussen de wc’s in de wasruimte was geen afzetting. In de slaapzaal sliepen gevangenen in stapelbedden van driehoog. Elke gevangene kreeg één deken die vaak niet schoongemaakt was, terwijl dekens meestal al door meerdere andere mensen gebruikt waren. Ook de stromatrassen waren onhygiënisch.

Aan het einde van 1943 werden in kamp Vught een crematorium en een gevangenis, de Bunker, in gebruik genomen. Het crematoriumgebouw bevond zich op een van het kamp afgesloten terrein dat verboden gebied was voor gevangenen die hier niet hoefden te werken. In het crematoriumgebouw waren onder andere een artsenkamer en een administratieruimte ondergebracht. De artsenkamer werd gebruikt door de Lagerarzt, de kamparts. De eerste kamparts in Vught was de 23-jarige SS-Untersturmführer Neier. Hij werd na enige maanden opgevolgd door de meer bekwame dokter Wolter. De artsen voerden in Vught geen medische experimenten uit, zoals dat in de concentratiekampen in Duitsland en Polen meestal wel gebeurde. De medische verzorging in de ziekenbarak werd uitgevoerd door de gevangenen zelf.

In de administratieruimte werden de persoonlijke gegevens van alle overledenen geadministreerd en vastgelegd in een Sterbebuch. Ook werden hier sectierapporten opgesteld en gearchiveerd. Volgens de officiële voorschriften moest namelijk op alle overleden gevangenen sectie worden verricht. Waneer er gedurende de sectie afwijkingen aan weefsel en organen werden geconstateerd, kon dit onderzocht worden in het laboratorium, dat ook ondergebracht was in het crematoriumgebouw.

In het crematoriumgebouw stond tevens een zogenaamde kistgalg. Voor zover bekend is deze nooit gebruikt. De galg die buiten het crematorium opgesteld stond is echter wel gebruikt. In september en oktober 1943 werden hier 27 ter dood veroordeelde Belgische verzetslieden opgehangen. Tegenwoordig zijn de galgen niet meer te vinden in het voormalige kamp, omdat de executiewerktuigen na de bevrijding verbrand werden.

Alhoewel het eerste slachtoffer in kamp Vught - een 80-jarige Joodse man die het marstempo vanaf station Vught naar het kamp niet kon bijhouden - nog begraven werd op de Joodse begraafplaats in Vught, werden alle volgende doden in het kamp begraven of gecremeerd in één van de drie ovens in het kamp. De eerste oven die in gebruik genomen werd, was verplaatsbaar en werd gebruikt totdat het crematoriumgebouw met twee vaste ovens gebouwd werd. Deze twee ovens waren gebouwd door de firma Topf & Söhne, net als in andere concentratie- en vernietigingskampen. Alle doden die al begraven waren voordat het crematorium in gebruik genomen werd, werden opgegraven en hun stoffelijk overschotten werden alsnog gecremeerd. De asresten werden aanvankelijk in kuilen op het crematoriumterrein verzameld, maar later werden hiervoor twee asputten achter het crematorium in gebruik genomen. Op deze locatie vindt tegenwoordig jaarlijks op 4 mei een herdenking plaats.


Leefomstandigheden

Alhoewel het dagelijkse leven in kamp Vught vergelijkbaar was met dat in de concentratiekampen in Polen en Duitsland, was er toch één groot verschil: kamp Vught was opgezet als modelkamp en in een aantal opzichten was er daardoor sprake van een minder hard regime dan in de andere concentratiekampen. Dit betekende niet dat het verblijf in kamp Vught een pretje was, maar de overlevingskansen waren er relatief gezien groot. Er waren in Vught geen gaskamers en van ‘Vernichtung durch Arbeit’ (vernietiging door arbeid) was geen sprake. Het sterftecijfer was daardoor nog geen 1%, terwijl dat in sommige concentratiekampen zelfs boven de 50% lag.

Men koos in kamp Vught voor een minder harde behandeling van gevangenen, omdat men het Nederlandse volk niet wilde aanmoedigen tot verzet. Op eigen grond waren de nazi’s daarvoor niet bang, omdat de meerderheid van de Duitsers het nationaalsocialisme ondersteunde. Men was bovendien al sinds 1933 gewend geraakt aan het bestaan van concentratiekampen. Ook in Polen was men niet bang dat de concentratiekampen verzet zouden oproepen bij de bevolking, omdat het Duitse bestuur in Polen hiertegen zeer hardhandig kon optreden. De Polen werden beschouwd als Untermenschen, terwijl men de Nederlanders zag als een bevriend volk dat raciaal gelijk was aan de Duitsers.

Ondanks dat kamp Vught behoorde tot de concentratiekampen met de meeste overlevingskans, leidden de gevangenen er een ellendig bestaan. Tenslotte moest er van het kamp een afschrikwekkende werking uitgaan. Net als in ieder ander concentratiekamp ontnam men de persoonlijke identiteit van gevangenen door hen een nummer te geven. Daarnaast droeg elke gevangene hetzelfde streepjespak. Met uitzondering van zondagmiddag moest er dwangarbeid verricht worden. De werkdagen duurden lang, maar het meeste werk was minder zwaar dan in andere concentratiekampen. Elke werkdag begon met een appèl op de appèlplaats. Ook in de kou of in de regen stonden de gevangenen in hun dunne streepjespak te wachten totdat iedereen geteld was en de Arbeitskommandos waren samengesteld. Sommige gevangenen werkten buiten het kamp en moesten op te kleine klompen grote afstanden afleggen naar hun werkplek.

Vooral gedurende de eerste winter waren de leefomstandigheden in het kamp zwaar. De bouw was toen nog niet afgerond: er zat nog geen glas in de ramen van de barakken, er was een slechte hygiëne en het drinkwater was vervuild. Vrijwel dagelijks vielen er doden. Ook de voedselsituatie was slecht, maar dit verbeterde vanaf 1943. Dit was mede te danken aan de hulppakketten die in het kamp bezorgd mochten worden. Deze voedselpakketten werden samengesteld door particulieren of door het Rode Kruis. Dit vormde een zeer welkome en vaak noodzakelijke aanvulling op het onveranderlijke menu van soep. Soms was dat erwten- of gortsoep, maar meestal aten de gevangenen waterige koolsoep. Algauw werd de straat langs de keuken daarom de Koolsingel genoemd. In de kantine konden gevangenen tevens aanvullingen op hun rantsoen kopen met speciaal kampgeld.

Net als in andere concentratiekampen was het ontbreken van privacy in kamp Vught een belangrijk middel om gevangenen te onderdrukken. Ex-politieman Wim Vlijm zat van 12 maart 1943 tot en met 8 augustus 1944 gevangen in kamp. Hij was gearresteerd omdat hij, samen met tien collega’s, geweigerd had om Joden te arresteren en naar Westerbork te brengen. Volgens hem was er helemaal geen privacy: “Je was nooit alleen, altijd in het gezelschap van anderen. Alles wat je deed, zelfs ademhalen bleef niet onopgemerkt. De barak waarin wij zaten had een soort kamer met lange tafels en banken. Er was een soort waslokaal waar je allemaal naast elkaar zat. Iedereen kon iedereen z’n billen zien. Dat vond je eerst gek, maar daar wen je aan.”

Niet alleen het gebrek aan privacy, maar ook de voortdurende aanwezigheid van bewakers maakte het verblijf in kamp Vught zwaar. Regelmatig stonden de gevangenen bloot aan vernedering en mishandeling door kampbewakers. Wim Vlijm vertelt dat “(...) als die SS’ers het goed op hun heupen hadden, dan kwamen ze binnen op het middernachtelijk uur of als je net lag te slapen en dan moesten we als hazen de bedden uit en eronder gaan liggen. Als je niet snel genoeg was, dan werd je eronder geschopt.” Toch bleef het meestal bij dergelijke pesterijen en vernederingen. Gruwelijke mishandelingen met de dood als gevolg, zoals dat in de meeste concentratiekampen in Duitsland en Polen wel frequent gebeurde, vonden in kamp Vught niet plaats. Eén incident vormt daarop een uitzondering: het zogenaamde Bunkerdrama.

Het Bunkerdrama vond plaats in de nacht van 15 op 16 januari 1944. De slachtoffers van dit incident waren vrouwen uit het vrouwenkamp dat sinds juni 1943 deel uitmaakte van kamp Vught. Nadat één van de vrouwen uit barak 23 B opgesloten was in de kampgevangenis, de Bunker, protesteerden meerdere andere vrouwen. Kampcommandant Grünewald besloot vervolgens als vergelding om zoveel mogelijk vrouwen in één cel bij elkaar op te sluiten. In cel 115 werden 74 vrouwen op elkaar geperst, in een ruimte met een oppervlak van slechts 9 vierkante meter. In de cel was nauwelijks ventilatie. Tineke Wibaut was één van de vrouwen die opgesloten zaten in cel 115. Zij vertelt dat de paniek in volle hevigheid uitbarstte toen het licht uitging: “Het was een vreemd aanzwellend geluid, dat af en toe wat afebde en dan weer opnieuw aanzwol. Het werd voortgebracht door biddende, gillende en schreeuwende vrouwen. Sommigen probeerden er doorheen te roepen om de vrouwen tot kalmte te manen en geen zuurstof te verspillen. Soms hielp dat, heel even, maar dan begon het weer. Het hield niet op, die hele nacht niet, het werd alleen minder luid. De hitte werd verstikkend.”

Toen de deuren van de cel de volgende dag geopend werden, bleken tien vrouwen gestikt te zijn. Het drama raakte al snel buiten het kamp bekend en werd uitgebreid beschreven door de illegale pers. Dit was natuurlijk een doorn in het oog van de nazi-leiding in Nederland, want zij wilden dergelijke misstanden in het modelkamp Vught juist voorkomen. Dergelijke incidenten konden het verzet in Nederland aanwakkeren. Om verdere negatieve publiciteit te voorkomen werd er ingegrepen: kampcommandant SS-Sturmbannführer Adam Grünewald en medeverantwoordelijken voor het Bunkerdrama werden voor de SS-krijgsraad gedaagd. Grünewald werd gedegradeerd tot gewoon soldaat en vervangen door SS-Sturmbannführer Hans Hüttig.


Gevangenen

In totaal verbleven in kamp Vught tussen januari 1943 en september 1944 ongeveer 31.000 gevangenen. Slechts negentig van hen wisten te ontsnappen. Het waren vooral Nederlanders, maar ook Belgen en Fransen werden er gevangen gezet. Ongeveer 12.000 kampgevangenen waren Joods. Veel van de gevangenen hadden een voorlopige vrijstelling van transport naar Duitsland of Polen. Zij moesten dwangarbeid verrichten in het kamp. Naast Joden zaten er onder andere politieke gevangenen, verzetsstrijders, Sinti en Roma (zigeuners), Jehova’s getuigen, homoseksuelen, zwervers en criminelen gevangen in het kamp. Ook mensen die Joden hadden helpen onderduiken, verspreiders van illegale geschriften en onttrekkers aan de Arbeitseinsatz zaten hier korte of lange tijd gevangen. De grootste groep niet-Joodse gevangenen zat in kamp Vught echter gevangen vanwege economische delicten. Onder hen waren bijvoorbeeld zwarthandelaren, maar ook mensen die illegaal vee geslacht hadden of goederen gestolen hadden van de Wehrmacht.

Vanaf februari 1943 was er in het kamp ook een afdeling ingericht als Geisellager, een gijzelaarskamp. Hier verbleven in totaal ongeveer zeshonderd gijzelaars, die bijvoorbeeld als vergelding voor acties van het verzet werden vastgehouden. Onder hen waren ook ‘familie-gijzelaars’, mensen die door de Sicherheitspolizei waren opgepakt omdat een familielid van hen voortvluchtig was. In mei 1943 werd er tevens een apart vrouwenkamp ingericht voor vrouwelijke arrestanten, Joodse vrouwen en echtgenoten en kinderen van gijzelaars.

Net als alle andere officiële concentratiekampen moesten gevangenen in kamp Vught dwangarbeid verrichten. In de meeste concentratiekampen verbleven daarom hoofdzakelijk volwassen arbeidsgeschikte gevangenen en geen kinderen. Kamp Vught vormde daarop een uitzondering, want hier werden ook honderden Joodse kinderen opgesloten. Een paar weken na de komst van de eerste kinderen werd een apart gedeelte van het kamp voor hen aangewezen. Kinderen werden gescheiden van hun ouders en ondergebracht in kinderbarakken waar ze verzorgd werden door enkele volwassen. Hun eigen ouders mochten ze af en toe zien. In elke kinderbarak konden 240 kinderen van vier tot zestien jaar gehuisvest worden. Moeders met baby’s en kinderen tot vier jaar werden ondergebracht in een speciale barak. Kinderen ouder dan zestien werden verspreid over de diverse volwassenenbarakken.

Koos Valk was negen jaar toen hij in kamp Vught gevangen gezet werd. Hij werd uiteindelijk gedeporteerd naar Theresienstadt, maar overleefde de oorlog. Hij beschreef zijn eerst nacht in Vught als volgt: “Tegelijk met alle negenjarigen werd ik in een rood stenen barak nummer 3 ondergebracht. Ik moest zelf maar een bed opzoeken dat nog niet bezet was. Ik huilde. Een jongen zag mij en zei: ‘kom bij mij liggen’. Onder hem was nog een benedenbed vrij. Ik had nog steeds niets gegeten en zachtjes huilend ging ik onder een deken liggen. Het matras van de jongen boven mij was kapot. Iedere keer als hij bewoog viel er troep naar beneden, dus kroop ik met mijn gezicht onder de deken. Van de kleren die ik gekregen had, moest ik een stapeltje maken en daar mijn hoofd op leggen. Het was een ellende. Dat was de eerste nacht in Vught.”

Om de kinderen bezig te houden werd er in maart 1943 voor hen een school opgestart. Het voortbestaan van de school stond voortdurend onder druk, want meerdere malen werd een leerkracht gedeporteerd. Toen op 7 april 1943 gevangenen ondergebracht werden in de schoolbarak probeerden de leerkrachten hun lessen voort te zetten in de woonbarakken.

De kinderen in kamp Vught werden door de kampleiding ongevoelig behandeld en zelfs het uitputtende appèl werd hen niet bespaard. Kampgevangene David Koker schreef op 6 maart 1943 dat een feestmiddag voor de kinderen onderbroken werd voor het appèl. Hij schreef: “Het is ongehoorder gevangen kinderen militair te drillen dan ze te mishandelen. Toen ik vanmiddag die kinderen zag staan, zo lang, zo lang, op hun bedorven feestmiddag, waarmee ze zich heel blij gemaakt hadden, toen zag ik voor het eerst wat andere mensen al zo lang beweren te zien, hoever wij gekomen zijn.” Normaal gesproken was er nooit appèl op zaterdagmiddag. Een dag later waren 32 van de ongeveer 150 kinderen ziek.

Op 30 april 1943 verbleven er 1.800 Joodse kinderen in het kamp. De hygiëne in de kinderbarakken was slecht en er was een tekort aan voedsel. Veel kinderen waren ziek en sommigen stierven, bijvoorbeeld aan de mazelen. De hoge kindersterfte raakte buiten het kamp bekend en ook nu weer probeerde de nazi-leiding een einde te maken aan deze negatieve publiciteit. De oplossing was zeer rigoureus en afschuwelijk: alle kinderen werden gedeporteerd naar de vernietigingskampen in het oosten. Hier vonden zij allen de dood.

In kamp Vught zelf vonden minstens 421 kinderen, vrouwen en mannen de dood door honger, ziekte en mishandeling. Vooral in de eerste maanden stierven veel gevangenen door de slechte leefomstandigheden. Hier kwam verandering in toen in de loop van 1943 grootscheepse hulpacties van buiten op gang kwamen. Joodse gevangenen waren echter volkomen afhankelijk van vrienden en familie, want het Rode Kruis mocht van de Duitse bezetter geen voedselpakketten versturen aan Joden. Door Joden werd massaal honger geleden, totdat de Joodsche Raad toestemming kreeg om voor voedselpakketten te zorgen. Later werd deze toestemming weer ingetrokken.

Vanaf de opening van het kamp was hier een Deutsche Standesbeamte (ambtenaar van de burgerlijke stand) werkzaam. Van iedere gevangene die omkwam in kamp Vught maakte hij een akte op waarin persoonlijke gegevens en de doodsoorzaak opgenomen werden. Deze aktes werden door hem opgenomen in het Sterbebuch. Ondanks dat niet alle aktes bewaard zijn gebleven, heeft men na de oorlog geprobeerd om de namen van alle slachtoffers te achterhalen. Tegenwoordig staan hun namen vermeld op de speciale gedenkwand in het herinneringcentrum op het terrein van het voormalige kamp Vught.

Naast de 421 gevangenen die omkwamen door honger, ziekte en mishandeling, werden op de fusilladeplaats even buiten kamp Vught 329 gevangenen geëxecuteerd. Het executiepeloton bestond voor een groot deel uit Nederlandse SS’ers, die belast waren met de buitenbewaking. De eerste executie vond plaats in juni 1944. Het slachtoffer was een gevangene die schuldig was bevonden aan sabotage bij het Philips-Kommando. In augustus en september 1944 vonden er aan de lopende band executies plaats. Eén van de gevangenen vertelde na de oorlog dat de salvo’s van de schietbaan gedurende die twee maanden steeds vaker weerklonken: “(...) ook al tijdens het ochtendappèl. Vanmorgen twee salvo’s. Na het eerste salvo tel ik negentien genadeschoten en ik ril over heel mijn lichaam. Mijn onderlip bijt ik stuk om de tranen van woede te bedwingen, bij deze afschuwelijke moordpartijen waaraan nooit een einde schijnt te komen.”

De massale executies in augustus en september 1944 waren het gevolg van de situatie aan het front. De geallieerden boekten steeds meer successen en rukten op richting Duitsland. Om te voorkomen dat burgers in bezet gebied onder invloed van de opmars van de geallieerden verzet zouden plegen, vaardigde Adolf Hitler op 30 juli 1944 het Niedermachungsbefehl uit. Op grond van dit bevel kwam alle rechtspraak tegen ‘saboteurs’ te vervallen. Iedereen die verdacht werd van sabotage of andere verzetsacties kon zonder enige vorm van rechtspraak ter dood gebracht worden. Er moest een afschrikwekkende werking van uitgaan. In Nederland werden vanuit verschillende gevangenissen maar vooral vanuit ‘het Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen, gevangenen overgebracht naar kamp Vught om daar geëxecuteerd te worden. Na de ontruiming van het kamp in september 1944 plaatsten omwonenden een houten kruis op de fusilladeplaats ter nagedachtenis aan de 329 geëxecuteerde gevangenen. Vlakbij dit herdenkingsteken werd op 20 december 1947 ook een monument onthuld door prinses Juliana.


Dwangarbeid

Op het moment dat kamp Vught in gebruik genomen werd, was er vooral in Duitsland een tekort aan arbeidskrachten omdat veel mannen aan het front verbleven. Daarom konden bedrijven kampgevangenen inzetten om de oorlogsproductie op peil te houden. Deze bedrijven moesten aan de SS een vergoeding betalen voor de gevangenen die als arbeiders aan hen toegewezen waren. Ook in kamp Vught moesten volwassen gevangenen dwangarbeid verrichten voor bedrijven, zoals Philips en Continental. Zij werden ingedeeld in zogenaamde Arbeitskommandos, werkploegen die zowel binnen als buiten het kamp arbeid verrichtten. Niet alle Arbeitskommandos werkten in dienst van bedrijven, want ook ten bate van de dagelijkse gang van zaken in het kamp moesten er bepaalde werkzaamheden verricht worden. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste werkplekken in het kamp en de directe omgeving:

Keuken en wasserij
Schreibstube Kampadministratie
Bauernhof Boerderij in het kamp waar 150 gevangenen tewerkgesteld waren.
Druckerkommando Kampdrukkerij. Opgepakte illegale drukkers werden hier onder andere gedwongen om illegale bladen en pamfletten na te maken. De teksten werden echter aangepast, zodat er sprake was van een defaitistische inhoud.
Philips-werkplaats / Philips-Kommando Werkplaats van Philips waar circa 1.200 Joodse en niet-Joodse gedetineerden onder andere radioapparatuur, radiobuizen, ‘knijpkatten’ (zaklantaarns met handdynamo) en scheerapparaten vervaardigden.
Firma Escotex Productie van confectie en bont
Firma Menist Sorteerderij van lompen
Zerlegbetieb / Luftwaffe-Kommando Neergestorte Duitse, Britse en Amerikaanse vliegtuigen werden hier door circa 500 gevangenen met de hand gedemonteerd. Dit was een bijzonder zwaar Kommando.
Continental rubberwerken Fabricage van gasmaskers. Dit werk werd uitgevoerd door vrouwelijke gevangen.

De geschiedenis van het Philips-Kommando is opmerkelijk, omdat het niet het streven van Philips was om te profiteren van goedkope gevangenen, maar om zoveel mogelijk gevangenen onderdak te verlenen om hen te vrijwaren van deportatie naar Duitsland of Polen. Van enig winststreven was nooit sprake. Een werkplek in het Philips-Kommando was vooral voor Joden van levensbelang, omdat ze op deze manier deportatie naar de vernietigingskampen konden uitstellen.

Gedurende het 18 maanden durende bestaan van de Philips Speciale Werkplaats B 677, van februari 1943 tot september 1944, hebben hier ruim 3.100 gevangenen, ongeveer 2.200 mannen en 900 vrouwen, voor korte of langere tijd gewerkt. Onder hen waren 469 Joodse gevangenen, merendeels vrouwen. Ongeveer 10% van alle gevangenen in Vught heeft gewerkt in de Philips-werkplaats.

De directie van Philips, geleid door de destijds 37-jarige Frits Philips, stemde pas na lang aarzelen in met de opening van een werkplaats in kamp Vught. De beslissing werd genomen nadat het verzet geraadpleegd was en Philips stelde bovendien een aantal voorwaarden. In een radio-interview in 1986 vertelde Frits Philips dat hij een eerste verzoek had afgeslagen. Hij vroeg zich vervolgens af of het niet zo zou kunnen zijn “dat ik zoveel voorwaarden daaraan verbind dat de mensen er zelf beter van worden, zonder de Duitse oorlogsinspanningen te verbeteren.” Zijn voorwaarden waren dat gevangenen “niet meer dan zoveel uur zouden mogen werken; dat ze daar zouden werken onder leiding van Philipspersoneel, dat vrij in en uit het kamp zou mogen; dat wij zouden bepalen hoeveel ze zouden maken, wat ze zouden doen, en wie waarvoor; dat wij zouden zeggen welke mensen daar wel mochten werken en welke niet; dat een warme maaltijd door Philips zou worden binnengebracht in het kamp en dat ze extra zouden worden betaald, en dat wij dat zouden bepalen.” Tot de grote verbazing van Frits Philips werden alle voorwaarden, met uitzondering van de laatste, ingewilligd.

Doordat de SS zich redelijk hield aan de afspraken die gemaakt waren met Philips, waren de arbeidsomstandigheden voor gevangenen die werkten in de Philips-werkplaats in vergelijking met de andere Arbeitskommandos niet zwaar. De Philips-gevangenen kregen beter voedsel, de zogenaamde ‘Phili-prak’, en de Philips-leiding bleef proberen om toestemming te krijgen voor bepaalde maatregelen die het leven van de gevangenen draaglijker konden maken. Dit resulteerde onder andere in extra pauzes, geen SS-bewakers op de werkvloer, muziek tijdens het werken en medische verzorging. De Philips-directie begaf zich op glad ijs door toestemming te vragen voor dergelijke maatregelen, maar doordat men aangaf dat dit de productie ten goede zou komen, accepteerde de SS deze verzoeken. Bovendien had de SS belang bij de goede samenwerking met Philips, want voor elke gevangene in dienst van Philips ontving zij dagelijks een vergoeding: 4,50 gulden voor een geschoolde werknemer en 3 gulden voor een ongeschoolde, waartoe ook alle vrouwen gerekend werden.

De supervisie over de Speciale Werkplaats B677 was in handen van Jhr. ir. R.E. Laman Trip. Hij was geen gevangene, maar één van de Philips-medewerkers, de zogenaamde Philips-Zivilisten, die vrijwel dagelijks naar Vught afreisden voor het besturen van de Philips-werkplaats. Hij werd bijgestaan door organisator C.H. Braakman, technicus G.H. Peuscher en een tiental andere werknemers. De dagelijkse leiding over de werkplaats was in handen van gevangenen die deel uitmaakten van de Häftlinge-staf (gevangenenstaf). De eerste drie stafleden waren ir. Bram de Wit als technisch leider, Dirk Wassink voor personeel en beheer en Arie Heijkoop voor de administratie. Zij werden na hun vrijlating opgevolgd door Piet Hamburg, ir. Aad van den Berg en Cor van Water.

Kampcommandant SS-Sturmbannführer Hans Hüttig maakte eind mei 1944 een einde aan de bijzondere positie van het Philips-Kommando. Het was hem opgevallen dat er in de Philips-werkplaats sabotage was gepleegd. Verschillende producten uit de werkplaats waren namelijk zo geproduceerd dat ze het na korte tijd al zouden begeven. Alle Joodse arbeiders werden gedeporteerd naar Auschwitz en ruim 250 niet-Joodse mannen werden naar Dachau overgeplaatst. Ook enkele Philips-Zivilisten werden opgepakt, enkele anderen doken onder. Het Kommando werd voortgezet met een Duitse leiding en 750 nieuwe gevangenen, maar met de ontruiming van kamp Vught in september 1944 kwam een einde aan het bestaan van het Philips-Kommando.

Van de 469 Joodse gevangenen die in het Philips-Kommando gewerkt hadden, overleefden er 382 de oorlog. Als dank voor de hulp die Frits Philips door de oprichting van het Philips-Kommando gegeven had aan deze Joden, ontving hij in 1996 de Yad Vashem-onderscheiding. Deze onderscheiding wordt door de staat Israël uitgereikt aan niet-Joden die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben ingezet voor het redden van Joden. Ontvangers van deze onderscheiding krijgen tevens de eretitel Rechtvaardigen onder de Volkeren.


Außenlager / Außenkommandos

Locatie: Amersfoort
Opening: 17 mei 1943 (eerste opening)
Sluiting: Juli 1943 (laatste vermelding)
Gevangenen: Mannen
Arbeid: Bouw van schietbanen voor de Luftwaffe.
Opmerkingen: Dit Außenlager was in het Polizeiliches Durchgangslager in Amersfoort ondergebracht.
Locatie: Arnhem
Opening: Juli 1943 (eerste vermelding)
Sluiting: Augustus 1943 (laatste vermelding)
Gevangenen: Mannen
Arbeid: Bouw van schietbanen voor de Luftwaffe.
Opmerkingen: De gevangenen waren in de Coehoornkazerne ondergebracht.
Locatie: Arnhem
Opening: 22 januari 1944 (eerste vermelding)
Sluiting: 5 september 1944 (laatste vermelding)
Gevangenen: Mannen
Inzet gevangenen door: Bauleitung van de Luftwaffe.
Arbeid: Bouwwerkzaamheden op het vliegveld Deelen.
Locatie: Eindhoven
Opening: 2 september 1943 (eerste vermelding)
Sluiting: 9 juni 1944 (laatste vermelding)
Gevangenen: Mannen
Inzet gevangenen door: Philips en Bauleitung van de Luftwaffe.
Arbeid: Bouwwerkzaamheden op het vliegveld.
Locatie: Gilze Rijen
Opening: 30 augustus 1943 (eerste vermelding)
Sluiting: 18 mei 1944 (laatste vermelding)
Gevangenen: Mannen
Inzet gevangenen door: Bauleitung van de Luftwaffe.
Arbeid: Bouwwerkzaamheden op het vliegveld.
Opmerkingen: De bewaking werd uitgevoerd door manschappen van de Luftwaffe.
Locatie: Haaren
Opening: Januari 1943 (eerste vermelding)
Sluiting: September 1944
Gevangenen: Mannen
Inzet gevangenen door: Befehlshaber der Sicherheitspolizei und der SD (BdS) Nederland.
Arbeid: Kamparbeid in politiegevangenis/gijzelaarskamp.
Opmerkingen: De gevangenen waren in een politiegevangenis/gijzelaarskamp ondergebracht.
Locatie: Leeuwarden
Opening: 27 februari 1944
Sluiting 8 maart 1944
Gevangenen: Mannen
Inzet gevangenen door: Bauleitung van de Luftwaffe.
Arbeid: Bomopsporing op het vliegveld.
Opmerkingen: De gevangenen waren in een gevangenis ondergebracht.
Locatie: Moerdijk
Opening: 26 maart 1943 (eerste vermelding)
Sluiting: 23 februari 1944 (laatste vermelding)
Gevangenen: Mannen
Arbeid: Uitgraven van tankgrachten bij de Moerdijkbrug.
Locatie: Roosendaal
Opening: 24 februari 1944 (eerste vermelding)
Sluiting: 18 april 1944 (laatste vermelding)
Gevangenen: Mannen
Arbeid: Werkzaamheden aan verdedigingswerken (bouw van versterkingswerken).
Opmerkingen: De gevangenen waren in een landbouwschool ondergebracht.
Locatie: ‘s-Gravenhage
Opening: September 1943 (eerste vermelding)
Sluiting: Juli 1944 (laatste vermelding)
Gevangenen: Mannen
Inzet gevangenen door: BdS Nederland.
Locatie: ‘s-Hertogenbosch
Opening: December 1943
Sluiting: September 1944
Gevangenen: Vrouwen
Inzet gevangenen door: Continental-Gummiwerke AG.
Arbeid: Vervaardiging van gasmaskers.
Opmerkingen: Het kamp was ondergebracht in het gebouw van Continental in ’s-Hertogenbosch.
Locatie: St. Michielsgestel
Opening: Januari 1943
Sluiting: September 1944
Gevangenen: Mannen
Inzet gevangenen door: BdS Nederland.
Arbeid: Kamparbeid in een Geisellager.
Opmerkingen: De gevangenen waren ondergebracht in een Geisellager.
Locatie: Venlo
Opening: September 1943 (eerste vermelding)
Sluiting: September 1944 (laatste vermelding)
Gevangenen: Mannen
Inzet gevangenen door: Bauleitung van de Luftwaffe.
Arbeid: Bouw van een vliegveld.


Kamppersoneel

Zoals in elk concentratiekamp waren de binnen- en buitenbewaking in kamp Vught twee aparte onderdelen. De buitenbewaking werd uitgevoerd door de vierde en vijfde compagnie van het SS-Wachbataillon Nordwest. Dit Wachbataillon viel onder het commando van de Waffen-SS en bestond uit Nederlandse en Oekraïense manschappen. Van 26 juli tot 6 september 1944 namen manschappen van deze eenheid deel aan honderden executies op de fusilladeplaats van kamp Vught.

De binnenbewaking was voornamelijk in handen van Duitse SS’ers. Zij stonden onder het commando van Amtsgruppe D (Konzentrationslager) van het SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt. De leiding over de binnenbewaking was in handen van de kampcommandant. Kamp Vught heeft drie kampcommandanten gekend, namelijk: SS-Hauptsturmführer Karl Walter Chmielewski, SS-Sturmbannführer Adam Grünewald en SS-Sturmbannführer Hans Hüttig.

SS-Hauptsturmführer Karl Walter Chmielewski was de eerste kampcommandant van kamp Vught. Toen hij in deze functie aangesteld werd, was hij 39 jaar oud. Voordat hij werd benoemd tot kampcommandant in Vught had hij al gewerkt in meerdere concentratiekampen. Van 1935 tot 1936 werkte hij in Columbia Haus, één van de eerste concentratiekampen (frühe Konzentrationslager), in de wijk Tempelhof in Berlijn. Vervolgens werkte hij van 1937 tot 1940 in Sachsenhausen en van 1940 tot 1943 in Mauthausen. Hij beging hier gedurende zijn carrière als kampbewaker meerdere misdaden. Chmielewski voerde het bevel over kamp Vught in de chaotische en voor veel gevangenen fatale beginmaanden van het kamp. Toch slaagde hij er binnen betrekkelijk korte tijd in om de erbarmelijke toestanden en de groeiende toestroom van gevangenen in gedisciplineerde banen te leiden. Chmielewski was betrokken bij de oprichting van het Philips-Kommando. Aan de positie van Chmielewski als kampcommandant kwam een einde toen hij in oktober 1943 wegens verduistering werd afgezet. Hij had vermoedelijk diamanten die in beslag genomen waren van gevangenen, ontvreemd en naar zijn eigen familie toegestuurd. Andere bronnen vermelden dat hij producten uit de Philips-werkplaats op de zwarte markt had verkocht. Na de oorlog werd hij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.

Chmielewski werd opgevolgd door de 40-jarige SS-Sturmbannführer Adam Grünewald. Hij was bakker van beroep, maar werkte al sinds 1934 in concentratiekampen. Zijn carrière begon in het frühe Konzentrationslager Lichtenburg waar hij werkte tot 1937. In 1938 werkte hij in Buchenwald en van 1938 tot 1939 was hij aangesteld als Schutzhaftlagerführer in Dachau. Voordat hij in 1943 werd aangesteld als kampcommandant in Vught werkte hij in 1942 in Sachsenhausen. Grünewald had een slechte reputatie en was door de SS zelfs al eens veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. In kamp Vught voerde hij een streng regime in, maar al na drie maanden werd hij ontslagen als kampcommandant en gedegradeerd tot gewoon soldaat vanwege zijn verantwoordelijkheid voor het Bunkerdrama van januari 1944. Gedurende het laatste oorlogsjaar deed Grünewald dienst in de 3. SS-Panzer-Division Totenkopf. Hij sneuvelde in 1945 tijdens de strijd in Hongarije.

De laatste kampcommandant van kamp Vught was de vijftigjarige Eerste Wereldoorlog-veteraan SS-Sturmbannführer Hans Hüttig. Net als zijn voorgangers Chmielewski en Grünewald had hij voor zijn aanstelling in Vught gewerkt in meerdere concentratiekampen. In 1936 werkte hij in het frühe Konzentrationslager Lichtenburg. Vervolgens werkte hij in 1937 in Sachsenhausen en in 1938 in Buchenwald. Van 1939 tot 1942 werkte hij in Flossenbürg en voor zijn aanstelling in Vught was hij in 1942 kampcommandant van Natzweiler. In kamp Vught stelde hij orde op zaken en voerde hij een aantal drastische maatregelen uit. Hij maakte een einde aan de zelfstandigheid van de Philips-werkplaats en maakte het kamp Judenrein (vrij van Joden). Hij was niet alleen verantwoordelijk voor de deportatie van Joden vanuit het kamp, maar ook voor de executie van zeker 329 personen op de fusilladeplaats bij het kamp in de zomer van 1944. Na de opheffing van kamp Vught deed Hüttig de laatste oorlogsmaanden dienst in de 34. SS-Freiwilligen-Grenadier-Division Landstorm Nederland. Na de oorlog werd hij veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. In 1956 kwam hij echter vervroegd vrij.

De kampbewaking werd bijgestaan door Kapos, gevangenen die ingezet werden om hun medegevangenen ‘orde en tucht’ bij te brengen. In kamp Vught werd begonnen met tachtig Kapos. Het waren soms Duitse politieke gevangenen, maar hoofdzakelijk Duitse misdadigers die vaak moorden op hun geweten hadden. Vooral de misdadigers die ingezet werden als Kapo traden hard op tegen gevangenen.


Deportaties

Binnen de organisatie van de Endlösung, het plan van de nazi’s om de Europese Joden te vernietigen, had kamp Vught een ondergeschikte rol ten opzichte van het Judendurchgangslager Westerbork, het Nederlandse tussenstation naar de vernietigingkampen. Vanuit kamp Vught vonden geen directe deportaties naar de vernietigingskampen plaats. Toch hebben ongeveer 12.000 Joden voor korte of lange tijd in Vught gevangen gezeten. Vrijwel allemaal werden ze vervolgens via kamp Westerbork gedeporteerd naar de vernietigingskampen in Polen.

De Joodse gevangenen in Vught konden in twee groepen ingedeeld worden: de Schutzhaft-Joden en de civiele Joden. Schutzhaft-Joden waren Joden die bestraft waren voor een bepaalde overtreding. Zij werden eerst ondergebracht bij andere Schutzhaft-gevangenen in het Schutzhaftlager. Later werden ze ondergebracht in een aparte barak, namelijk Block 15. De civiele Joden verbleven vanaf 16 januari 1943 in een apart deel van kamp dat ingericht was als Judenauffanglager, een Jodenopvangkamp. Er waren twee groepen civiele Joden. De eerste groep civiele Joden bestond voornamelijk uit werknemers uit de textiel- en diamantindustrie die op grond van hun vakgebied voor bepaalde tijd een vrijstelling van deportatie genoten. De tweede groep bestond uit de Joden uit de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Zeeland die zich in kamp Vught moesten melden omdat deze provincies per 10 april 1943 Judenrein moesten zijn. Alhoewel de Joodse gevangenen daarvan niet op de hoogte waren, werd de kampafdeling voor Joden in februari 1943 niet meer aangeduid als Judenauffanglager, maar als Judendurchgangslager (JDL).

In het Judendurchgangslager werd Joods zelfbestuur toegestaan. De Joodse gevangenen hadden een eigen ordedienst (OD) en SS-bewakers bemoeiden zich nauwelijks met het dagelijkse kampbestuur.

Het eerste Jodentransport naar Vught vond plaats op 15 januari 1943. De Duitsers hadden enkele honderden Joden bijeengebracht in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam. In de nacht van 15 op 16 januari werden 453 Joden per tram naar het Centraal Station van Amsterdam vervoerd. Daarvandaan werden de Joden vervoerd naar Vught waar ze in de ochtend van 16 januari arriveerden. In de daaropvolgende maanden volgden nog meerdere transporten.

Het eerste Jodentransport vanuit Vught naar Westerbork vond plaats op 28 januari 1943. In de daaropvolgende jaren volgden meerdere transporten, waaronder de beruchte kindertransporten op 6 en 7 juni 1943. In totaal werden 1269 Joodse kinderen, samen met 1745 ouders, vanuit Vught, via Westerbork, gedeporteerd naar het vernietigingskamp Sobibor. Na een reis van drie dagen werden ze in dit vernietigingskamp vrijwel direct na aankomst vermoord. Op 5 september 1999 werd een kindergedenkteken onthuld voor de weggevoerde kinderen. Omdat de transportlijsten van 6 en 7 juni 1943 bewaard waren gebleven, kon men alle namen en de leeftijd van de kinderen op dit gedenkteken vermelden.

Het laatste transport vanuit Vught vertrok op 2 juni 1944 naar Auschwitz. Het betrof de Joodse werknemers van de Philips-werkplaats. Van deze groep van ongeveer 500 mensen hebben er 382 de oorlog overleefd, terwijl van de overige gedeporteerde Joden slechts een klein deel is teruggekeerd. Ook niet-Joodse gevangenen werden vanuit kamp Vught gedeporteerd. Zij werden niet naar de vernietigingskampen gedeporteerd, maar naar andere kampen, gevangenissen of tuchthuizen. Om welke aantallen het gaat is onbekend.


Bevrijding en na de oorlog

Op Dolle Dinsdag op 5 september 1944 wilden de SS’ers in kamp Vught de nadering van de geallieerde troepen niet langer afwachten. Het kamp werd haastig door hen ontruimd. Na het laatste Jodentransport op 2 juni 1944 waren de overige mannelijke gevangenen vanaf 5 juni gedeporteerd naar Sachsenhausen. De nog overgebleven vrouwen werden op 5 september 1944 naar Ravensbrück overgeplaatst. Een Vughtse wijkverpleegster nam op 12 september 1944 namens het Rode Kruis het beheer over het kamp over.

Op 26 oktober 1944 werd kamp Vught bevrijd door de geallieerden, maar omdat de gevangenen allemaal op transport gesteld waren, troffen ze een leeg kamp aan. Het kampterrein werd in gebruik genomen door de Canadezen. Ook werden duizenden mensen tijdelijk in het kamp ondergebracht, waaronder uit het grensgebied geëvacueerde Duitsers.

Het voormalige concentratiekamp Vught diende na de oorlog enige tijd als interneringskamp voor van collaboratie verdachte Nederlanders en oorlogsmisdadigers. In totaal werden hier 7.000 collaborateurs ondergebracht, waaronder 300 Nederlandse SS’ers. De SS’ers droegen de gestreepte uniformen die voorheen door de kampgevangenen gedragen werden.

Na het vertrek van de laatste gevangenen stonden de barakken tijdelijk leeg. In 1951 werd leegstaande kampcomplex gebruikt om Zuid-Molukse militairen en hun gezinnen onderdak te verlenen. Gedurende de strijd tegen de uitgeroepen Republiek Indonesië hadden zij meegevochten met het Nederlandse leger. Na de definitieve terugtrekking van de Nederlanders was het voor hen niet langer veilig in Indonesië. Het was de bedoeling dat hun verblijf voor korte duur zou zijn, maar dat bleek een misrekening. Weliswaar is de Molukse gemeenschap kleiner geworden, maar nog altijd is zij aanwezig in het zogeheten woonoord Lunetten. Sinds 1992 zijn zij niet meer woonachtig in de verouderde barakken, maar in moderne nieuwe woningen. Alle oude barakken zijn gesloopt, met uitzondering van barak 1 die gedeeltelijk wordt gebruikt als kerk en op de Rijksmonumentenlijst staat. Enkele nieuwe huizen hebben de vorm van de oorspronkelijke barakken teruggekregen.

Naast het Molukse woonoord Lunetten bevinden zich tegenwoordig op het voormalige kampterrein ook een gevangenis, twee kazernes en het Nationaal Monument Kamp Vught. Op het terrein van de Van Brederodekazerne staat nog een aantal authentieke gebouwen, waarin tijdens de oorlog, onder andere, SS-bewakers gehuisvest waren. Ook deze gebouwen zijn Rijksmonumenten.

Dankzij de inspanningen van de in 1986 opgerichte Stichting Nationaal Monument Kamp Vught werd op een klein gedeelte van het voormalige kampterrein het Nationaal Monument gerealiseerd. Op 18 april 1990 werd het Nationaal Monument geopend voor het publiek door koningin Beatrix. In 2002 werd een nieuw herinneringscentrum gebouwd en werd het kampterrein zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Het Nationaal Monument Kamp Vught houdt “de herinnering levend aan de geschiedenis van het kamp en de slachtoffers. In woord en beeld worden ook actuele vormen van vooroordelen, discriminatie en racisme getoond. Zo wordt tastbaar hoe persoonlijke keuzes van individuele mensen ook nu nog kunnen leiden tot onderdrukking of uitsluiting van anderen in de samenleving.”


Na de oorlog


Bronnen

Boeken

- JOCHEMS, D.B., Licht in het donker - Het Philips-Kommando in Kamp Vught, Vught, Stichting Nationaal Monument Vught.
- TIJENK, C., Weggehaald - Joodse kinderen en het kamp Vught, Vught, Vriendenkring Nationaal Monument Vught, 2004.
- UIJLAND, M., TIJENK, C., Eindpunt of tussenstation - Gids Nationaal Monument Kamp Vught, Vught, Stichting Nationaal Monument Vught, 2002.

- www.keom.de
- www.nmkampvught.nl
- www.philips-kommando.nl
- www.waffen-ss.nl
Versie: 30-5-2015 Artikel door: Kevin Prenger

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/1390/Kamp-Vught.htm