Aktion Reinhard

Inleiding

Aktion Reinhard – ook bekend als: Aktion Reinhardt of Einsatz Reinhard(t) – is de codenaam voor de operatie van de nazi’s om de Joden uit het Generalgouvernement in Polen uit te roeien in de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka. Hier werden tevens Joden van buiten Polen omgebracht. In dit artikel wordt uitgebreid ingegaan op de genocide die van maart 1942 tot november 1943 plaatsvond in de drie vernietigingskampen, waarbij de nadruk ligt op de uitroeiing van de Joden uit het Generalgouvernement. Omdat gedurende Aktion Reinhard voor het eerst vernietigingskampen met vaste gaskamers in gebruik werden genomen, wordt tevens uitgebreid ingegaan op de ontstaanswijze van deze moordmethode en de ontwikkelingen in de aanpak van de Joodse kwestie die hierop van invloed waren.


Generalgouvernement

De plek waar Aktion Reinhard plaatsvond, was het Generalgouvernement in Polen. Toen de Duitsers in september 1939 Polen hadden bezet, was het land in drie delen verdeeld: het westen werd geannexeerd bij het Duitse Rijk, het midden werd het Generalgouvernement en het oosten werd bezet door de Sovjet-Unie. Het door Duitsland geannexeerde deel van Polen werd ingedeeld in drie Gaue: Danzig-Westpreußen (Danzig-West-Pruissen), Wartheland en Oberschlesien (Opper-Silezië). Het grootste deel van het door de Duitsers bezette Polen bestond uit het Generalgouvernement. Dit grondgebied bestond aanvankelijk uit vier districten: het Warschau-, Radom-, Kraków- en Lublin-district. Nadat de Duitsers in juni 1941 de Sovjet-Unie binnenvielen, werd Galizien (Oost-Galicië of het Lvov-district) toegevoegd als vijfde district van het Generalgouvernement. Alhoewel het Generalgouvernement officieel niet tot het Duitse Rijk behoorde, stond het wel onder Duits burgerlijk bestuur. Aan het hoofd van deze bezettingsmacht stond Generalgouverneur Hans Frank.

Met de gecombineerde bezetting en annexatie van Polen ontstonden er enerzijds grote voordelen voor het Duitse bestuur. De Polen werden beschouwd als minderwaardig en konden massaal worden ingezet als goedkope arbeidskrachten. Anderzijds waren er opeens veel meer monden te voeden, moest men veel extra manschappen inzetten om de Poolse bevolking te onderdrukken en vielen er opeens ook ongeveer 2 miljoen Joden meer onder Duits bestuur. In Duitsland was men vanaf 1933 bezig geweest om de Joden uit de samenleving te verwijderen. Hun rechten werden ontnomen; ze werden onder druk aangezet om te emigreren en ze werden slachtoffer van geweld met de Kristallnacht in november 1938 als een (voorlopig) hoogtepunt. Het doel was om alle Joden uit de Duitse samenleving te verdrijven. De Joodse kwestie kwam met het aanbreken van de oorlog steeds hoger op de agenda van de nazi-leiders, maar op dat moment werd fysieke uitroeiing nog niet serieus overwogen.

In het deel van Polen dat door Duitsland geannexeerd was, leefden ongeveer 600.000 Joden. Net als in Duitsland moesten zij uit de samenleving verwijderd worden. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat de Poolse Joden zouden worden gedeporteerd naar een aparte regio in Polen. Naast de Poolse Joden wilde men ook de niet-Joodse Polen verwijderen uit de geannexeerde gebieden en hervestigen in een aparte regio. De ruimte die door deze massale volksverhuizing zou ontstaan in het geannexeerde deel van Polen, zou vervolgens gebruikt worden voor de vestiging van Duitse kolonisten en Volksdeutscher, mensen van Duitse afkomst die voldeden aan de arische norm en buiten de vooroorlogse Duitse landgrenzen woonden. Dat betekende dus dat er drie migratiestromen op gang gebracht moesten worden: Duitse kolonisten en Volksdeutscher moesten zich vestigen in de nieuwe delen van het Duitse Rijk, terwijl Joden en Polen hiervandaan verwijderd moesten worden om zich te hervestigen in twee aparte gebieden. De totale operatie was in handen van SS-leider Heinrich Himmler, die tevens de functie van Reichskommissar für die Festigung Deutschen Volkstums (Rijkscommissaris voor de vestiging van het Duitse volk) vervulde.

Adolf Eichmann, één van Himmlers medewerkers, kwam in 1939 met het plan om de Joden uit het gehele Duitse Rijk te deporteren naar het meest onherbergzame deel van het Generalgouvernement: het Lublin-district. Mede doordat emigratie naar andere landen onmogelijk was geworden door het aanbreken van de oorlog werd dit plan goedgekeurd. Enkele duizenden Joden werden vervolgens gedeporteerd naar dit Joodse reservaat, maar het plan werd algauw stopgezet. Er waren namelijk grote problemen ontstaan bij het coördineren van de drie migratiestromen. Het grootste probleem voor Himmler was het zoeken naar huisvestiging voor de Volksdeutscher in het geannexeerde deel van Polen. Binnen anderhalf jaar arriveerden hier namelijk circa een half miljoen Duitsers om zich te vestigen. Honderdduizenden Joodse en niet-Joodse Polen werden van hun huizen en bezittingen beroofd om voor de nieuwe inwoners plaats te maken. Zij werden zelf gedumpt in het Generalgouvernement waar ze meestal aan hun lot over gelaten werden. Van de emigratie van Joden vanuit Duitsland voor 1939 hadden de nazi’s kunnen profiteren omdat deze Joodse emigranten over het algemeen welgesteld waren en men hun bezittingen had kunnen afnemen. Zowel het merendeel van de Joden als de niet-Joden in Polen waren daarentegen veel minder ruim bedeeld, of zelfs gewoon arm, zodat hier weinig te roven viel.

De door Himmler gecoördineerde migratiestromingen mondden uit in een chaos. Generalgouverneur Frank was er niet tevreden mee dat zijn district werd gebruikt als ‘raciaal vuilnisvat’. Frank beklaagde zich bij Hermann Göring, die als commissaris van het Vierjarenplan op dat moment nog Joodse aangelegenheden in zijn portefeuille had. Daarop besloot Göring per 24 maart 1940 alle ‘evacuaties’ naar het Generalgouvernement tot nader order te verbieden. In de Gau Wartheland was inmiddels in Lodz een Joods getto opgericht, zodat Gauleiter Arthur Greiser de Joden in zijn regio toch uit de samenleving kon verwijderen. Op 1 mei 1940 werd het getto van de buitenwereld afgesloten, zodat 163.177 mensen gevangen zaten. Gedurende de jaren 1941 en 1942 kwamen daar nog eens ongeveer 38.500 Joden bij. Ook in het Generalgouvernement werden in de periode tussen 1939 en mei 1941 getto’s opgericht voor Joden. Het getto in Warschau, het grootste in Europa, werd midden november 1940 hermetisch van de buitenwereld afgesloten. Op dat moment verbleven hier ongeveer 350.000 Joden. Andere getto’s werden enkele maanden later opgericht, zoals de getto’s van Kraków en Lublin die in het voorjaar van 1941 werden opgezet. In de getto’s leefden Joden onder erbarmelijke omstandigheden: overbevolking, voedseltekorten en slechte hygiënische omstandigheden maakten van het verblijf hier een hel. De sterftecijfers lagen hoog. De Joden die daartoe in staat geacht werden, moesten dwangarbeid verrichten voor de Duitsers. Weliswaar waren de nazi’s door de oprichting van getto’s in Polen in staat om Joden van de samenleving af te zonderen, kon men hen inzetten als goedkope werkkrachten en zorgden de hoge sterftecijfers ervoor dat er minder monden te voeden waren, maar het eindstadium van de oplossing van het Joodse vraagstuk was hiermee nog niet bereikt.


Migratie of uitroeiing?

Alhoewel de emigratie van Joden naar landen buiten de Duitse invloedsfeer, mede onder invloed van de oorlog, vrijwel tot stilstand was gekomen en ook het plan om Joden te laten emigreren naar een apart reservaat in het Generalgouvernement wegens logistieke problemen was gestaakt, had men in 1940 het plan om de Joden te laten emigreren nog niet opgegeven. In een memorandum schreef Himmler dat “[hij hoopte] te verwezenlijken dat door middel van een grootscheepse evacuatie van alle Joden naar Afrika of een andere kolonie het begrip ‘Joden’ volledig geëlimineerd zal zijn.” Merkwaardig genoeg had hij in hetzelfde memorandum “de bolsjewistische methode van fysieke uitroeiing” (van niet-Joodse Polen) als “on-Duits en onmogelijk” bestempeld. Zelfs in dit stadium werd de fysieke uitroeiing van Joden vermoedelijk dus nog niet serieus overwogen, alhoewel men zich nauwelijks bekommerde om de hoge sterftecijfers van de Joden in getto’s en concentratiekampen.

In 1940 verliep de oorlog voor Duitsland gunstig. In april 1940 viel de Wehrmacht Denemarken en Noorwegen binnen, een maand later Luxemburg, Nederland, België en Frankrijk. In mei en juni capituleerden deze landen en werden ze door de Duitsers bezet. Met betrekking tot de plannen om Joden naar een gebied in Afrika te laten emigreren, was de verovering van Frankrijk voor de nazi’s van belang. Frankrijk had namelijk de koloniale macht over Madagaskar, een land dat na de Eerste Wereldoorlog ook al door Britse, Nederlandse en Poolse antisemieten was genoemd als geschikte locatie voor een Joods reservaat. Het zogenaamde Madagascar-plan werd enige tijd serieus overwogen, maar de uitvoering vereiste de overheersing op zee en die was nog altijd in handen van de Britse marine. De Slag om Engeland werd niet gewonnen door de Duitsers en de oorlog duurde voort. Het Madagascar-plan werd definitief van tafel geschoven en moest er gezocht worden naar een andere oplossing voor het Joodse vraagstuk. Doordat Duitsland inmiddels het overgrote deel van het Europese continent overheerste, was dit vraagstuk alleen maar veeleisender geworden, omdat ook de Joden uit de nieuw veroverde gebieden, waaronder Nederland en België, verwijderd moesten worden.

Eén van de belangrijkste wendingen in de strategie van de aanpak van de Joodse kwestie vond plaatst gedurende de eerste maanden van operatie Barbarossa, de Duitse inval in de Sovjet-Unie. Onder aanvoering van Reinhard Heydrich, de leider van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), waren vier Einsatzgruppen gevormd die het oprukkende leger moesten volgen om vijanden van het Rijk, zoals Sovjetcommissarissen, Joden in partij- en staatsinstellingen, plunderaars en partizanen op te sporen en te doden. De beoogde doelwitten van de Einsatzgruppen waren dusdanig geformuleerd dat lokale commandanten zeer ruim konden interpreteren wie wel of wie niet gedood diende te worden. Volwassen mannelijke Joden vormden direct een belangrijk doelwit van de Einsatzgruppen, omdat zij werden beschouwd als staatsvijanden. Toen Himmler in juli 1941 het bevel gaf dat “allen die van steun aan de partizanen worden verdacht, geëxecuteerd [moeten] worden” en dat “Joden […] in het algemeen als plunderaars [moeten] worden beschouwd” werden de grenzen voor de Einsatzgruppen nog verder vervaagd. Alhoewel men in het begin enkel volwassen mannelijke Joden ombracht, ging men al snel ook over tot het vermoorden van volwassen Joodse vrouwen. Ofschoon er geen uitdrukkelijk bevel toe gegeven werd, werden vervolgens ook Joodse kinderen en bejaarden uitgeroeid door de Einsatzgruppen, hoogst waarschijnlijk omdat men niet wist wat men anders moest met deze leeftijdsgroepen die afhankelijk waren van de zorg van de volwassen mannen en vrouwen die omgebracht waren.

Terwijl de Einsatzgruppen aan het Oostfront hun moorddadige operatie uitvoerden, werd de situatie voor de Joden in de getto’s in Polen alsmaar slechter. Alhoewel de getto’s allemaal overvol waren, arriveerden nog steeds nieuwe treinladingen Joden. Omdat men het Duitse Rijk ‘Judenrein’ (vrij van Joden) wilde hebben, was men in oktober 1941 opnieuw begonnen met het deporteren van Joden vanuit Duitsland. De Joden werden ondergebracht in de getto’s in Polen en de veroverde gebieden van de Sovjet-Unie. Tussen oktober 1941 en februari 1942 werden hierheen in totaal 58.000 Joden gedeporteerd. Steeds vaker maakten lokale nazi-autoriteiten duidelijk dat de getto’s overvol raakten en dat men opgescheept zat met grote aantallen arbeidsongeschikte Joden. SS-Brigadeführer Friedrich Uebelhoer, Regierungspräsident in Lodz schreef bijvoorbeeld in een brief van 9 oktober 1941 aan Berlijn dat in zijn getto momenteel 100.000 arbeidsongeschikte Joden verbleven, tegenover 40.000 arbeidsgeschikte Joden die verbleven in een apart arbeidsgetto. Hij benadrukte dat de oppervlakte van het getto hiervoor veel te klein was. Desondanks zouden in de herfst van 1941 in totaal twintig transporten met Duitse Joden in Lodz arriveren.

Lokale nazi-autoriteiten moesten improviseren om de nieuw gearriveerde Joden in de overvolle getto’s onder te brengen. SS-Sturmbannführer Rolf-Heinz Höppner, leider van de SD-afdeling in Poznañ, was ook op de hoogte van de catastrofale omstandigheden in het getto van Lodz en stelde op 16 juli 1941 voor om “alle Jodinnen waarvan nog kinderen te verwachten zijn te steriliseren. Zo wordt met deze generatie het Jodenprobleem daadwerkelijk opgelost.” De oplossing voor de overbevolking van de getto’s, mede door de toestroom van Joden vanuit Duitsland, werd uiteindelijk echter nog veel rigoureuzer aangepakt. Onder invloed van de massaslachtingen door de Einsatzgruppen was het vermoorden van Joden inmiddels namelijk een geaccepteerde oplossing van problemen. Zo werden in november 1941 in Minsk door de Duitsers ongeveer 12.000 Joden vermoord om in het getto plaats te maken voor Joden uit Hamburg. Hetzelfde gebeurde toen Himmler op 12 november 1941 het bevel gaf om het getto van Riga uit te roeien om plaats te maken voor de Joden die vanuit Berlijn, Rijnland en Westfalen werden aangevoerd. In november en december werden hier ongeveer 20.000 Joden neergeschoten, waaronder op 30 november ook Duitse Joden. Dit waren overigens niet de eerste Duitse Joden die op dergelijke wijze uitgebracht, want al op 25 november 1941 werden in Kaunas ongeveer 5.000 Duitse Joden (uit Frankfurt-am-Main, München en Berlijn ) geëxecuteerd door Einsatzgruppe A.

We kunnen dus concluderen dat de nazi’s in de zomer en herfst van 1941 zowel aan het Oostfront als in de getto’s het vermoorden van Joden was gaan beschouwen als een geschikte oplossing voor plaatselijke problemen. Totale fysieke uitroeiing werd echter nog niet algemeen aanvaard als de definitieve oplossing van het Joodse vraagstuk, maar de basis daarvoor was voor een zeer belangrijk deel gelegd.


Endlösung

Tegenwoordig wordt door steeds meer historici aangenomen dat de definitieve beslissing om alle Europese Joden te vermoorden in de winter van 1941 werd genomen. Alhoewel men nooit een schriftelijk bevel hiertoe heeft gevonden en dit hoogst waarschijnlijk ook niet bestaat, komt men tot deze conclusie vanwege de gebeurtenissen die elkaar in die periode in rap tempo opvolgden en dankzij de bronnen die hieronder worden besproken. Een belangrijke factor in het besluit tot de uitroeiing van Joden was vermoedelijk de Japanse aanval op Pearl Harbor en de oorlogsverklaring van Duitsland aan de Verenigde Staten twee dagen daarna. Adolf Hitler beschouwde het aanbreken van de nieuwe wereldoorlog als de schuld van de Joden. Hij had al op 30 januari 1939 verklaard dat “indien het internationale financiële Jodendom binnen en buiten Europa erin zou slagen de naties nogmaals in een oorlog te storten” dit zou resulteren “in de vernietiging van het joodse ras in Europa!” Hij herhaalde deze profetie een dag na de oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten in een toespraak aan de verzamelde nazi-leiders.

Het besluit tot de fysieke uitroeiing van de Europese Joden lijkt in de daarop volgende dagen genomen te zijn, want op 13 december schreef Joseph Goebbels in zijn dagboek: “Voor zover het gaat om het Joodse vraagstuk, is de Führer vastbesloten grote schoonmaak te houden. Hij voorspelde de Joden dat als ze opnieuw een wereldoorlog zouden veroorzaken, zij hun eigen vernietiging zouden veroorzaken. Dit was geen holle frase. De wereldoorlog is uitgebroken, de uitroeiing van de Joden moet het noodzakelijke gevolg zijn. Dit vraagstuk moet zonder sentimentaliteit worden bekeken.” In een toespraak op 16 december sprak Hans Frank ongeveer dezelfde woorden: “Overal waar wij ze vinden, moeten we de Joden uitroeien.” Hij voegde daar nog aan toe dat hem in Berlijn was verteld dat hij en mensen zoals hij “de Joden zelf [moeten] liquideren.” Een volgende aanwijzing waaruit geconcludeerd kan worden dat de beslissing tot de totale uitroeiing van Joden in december 1941 genomen was, is te vinden in Himmlers bureauagenda. Na een gesprek met Hitler noteerde de Reichsleiter-SS op 18 december: “Joodse vraagstuk - ausrotten [uitroeien] als partizanen.” Hiermee verwees hij naar de acties van de Einsatzgruppen, waarbij Joden gelijkgeschaard werden aan partizanen en daarom omgebracht werden.

Nu het besluit om de Europese Joden uit te roeien was genomen, moest men overeenstemming bereiken over de wijze waarop deze massale operatie uitgevoerd moest worden. Inmiddels had Hermann Göring op 31 juli 1941 de verantwoordelijkheid over de uitvoering van de eindoplossing van de Joodse kwestie (Endlösung der Judenfrage) overgedragen aan Reinhard Heydrich. Onder aanvoering Heydrich vond op 20 januari 1942 de Wannseeconferentie plaats. Tijdens deze conferentie werden enkele overheids-, partij- en SS-functionarissen ingelicht over het genomen besluit en sprak men over de wijze waarop deze operatie uitgevoerd diende te worden. In de notulen van de Wannseeconferentie valt te lezen dat men van plan was om ruim 11.000.000 Joden om te brengen, waarvan volgens de nazi-statistieken 2.284.000 zich bevonden in het Generalgouvernement. Voor deze groep Joden werd Aktion Reinhard opgezet.


Moordtechnieken

Eén van de besproken onderwerpen tijdens de Wannseeconferentie was de wijze waarop men de Joden moest gaan uitroeien. Tot dusver waren er grofweg twee methoden: executie, zoals uitgevoerd door de Einsatzgruppen, en uithongering en -putting waardoor Joden ‘vanzelf’ stierven, zoals gebeurde in de getto’s en door dwangarbeid (Vernichtung durch Arbeit) in concentratiekampen als Buchenwald en Mauthausen. Beide methoden waren ongeschikt voor de enorme operatie waartoe opdracht was gegeven. Joden ‘vanzelf’ laten sterven had enkel overwogen kunnen worden wanneer ze in een apart reservaat, zonder mogelijkheid om voedsel te bemachtigen, ondergebracht waren, maar inmiddels was gebleken dat dit niet mogelijk was. In hoeverre deze methode praktisch uitvoerbaar was, is tevens discutabel.

De Einsatzgruppen hadden vanuit het oogpunt van de nazi’s tot dusver goed werk verricht, maar de door deze eenheden gebruikte moordmethode leverde bepaalde problemen op. Een belangrijk probleem ondervond Heinrich Himmler persoonlijk toen hij op 15 augustus 1941 in Minsk de executie van honderd Joden en zogenaamde partizanen bijwoonde. SS-Obergruppenführer Erich von dem Bach-Zelewski, Höhere SS und Polizeiführer in Midden-Rusland, was ook aanwezig tijdens Himmlers inspectie. Hij deelde het volgende aan Himmler mee: “Kijk naar de ogen van de mannen in dit Kommando, hoe geschokt zij zijn! Deze mannen zijn voor de rest van hun leven kapot. Wat voor soort mensen maken we van hen? Het worden neurotici of beesten!” Aangezien er meer klachten waren over de psychische schade die de manschappen van de Einsatzgruppen bij het neerschieten van mannen, vrouwen en kinderen ondervonden, gaf Himmler Arthur Nebe, chef van de Kriminalpolizei (Kripo) en commandant van Einsatzgruppe B, de opdracht om een moordmethode te vinden die minder invloed had op de psyche van zijn moordenaars.

Nebe riep de hulp in van SS-Untersturmführer dr. Albert Widmann van het technische instituut van de Kripo. Widmann had tijdens het T-4 euthanasieprogramma al ervaring opgedaan met het vermoorden van mensen. Dit programma was van start gegaan in oktober 1939 toen Adolf Hitler toestemming had gegeven om psychisch en zwaar lichamelijk gehandicapten te doden. Dit gebeurde eerst door middel van injecties met chemicaliën, maar later gaven de medewerkers van T-4 de voorkeur aan vergassing door koolmonoxide uit cilinders in gaskamers. Deze gaskamers bevonden zich in hoofdzakelijk in voormalige psychische ziekenhuizen die nu functioneerden als moordcentra. De gaskamers waren ingericht als doucheruimten, zodat de slachtoffers tot het laatste moment geen argwaan zouden krijgen. Van eind 1939 tot juni 1940 gebruikte men ook met mobiele gaskamers: de slachtoffers werden opgesloten in de laadruimte van een vrachtauto en vervolgens vergast met koolmonoxide uit cilinders.

Eén van de experimenten die Nebe en Widmann in september 1941 uitvoerden had geen betrekking op vergassing, maar was een veel meer bloedige moordmethode. Vijfentwintig psychiatrische patiënten werden opgesloten in een bunker waar ze vervolgens met explosieven gedood moesten worden. Na de eerste explosie was nog niet iedereen omgebracht en na de tweede zwaardere explosie waren er weliswaar geen overlevenden, maar “overal in de omgeving en in de bomen hingen en lagen stukjes mens verspreid,” aldus een ooggetuige. Deze moordmethode bleek niet succesvol, maar een ander experiment wel. Men greep toch weer terug op vergassing. De uitlaatpijp van een auto werd met een slang verbonden met een stenen kelder van een psychiatrisch ziekenhuis in Mogilev, ten oosten van Minsk. Op het moment dat de slachtoffers zich in de kelder bevonden werd de motor van de auto aangezet, zodat de uitlaatgassen in de kelder geblazen werden. Omdat de auto te weinig koolmonoxide produceerde om de patiënten te doden, werd een tweede slang aangesloten op een vrachtwagen. Dit bleek het nodige effect te hebben, want beide motoren produceerden voldoende uitlaatgassen om de slachtoffers binnen enkele minuten het bewustzijn te laten verliezen. Nadat de motoren vervolgens nog ongeveer tien minuten draaiden, waren alle mensen in de kelder omgekomen. In de herfst van 1941 was daarmee een moordmethode gevonden die de psychische impact van het moorden op de daders sterk verminderde. Een bijkomstig voordeel was dat men geen cilinders met koolmonoxide, zoals gebruikt tijdens het T-4 euthanasieprogramma, meer nodig had. Het enige noodzakelijke was een motor en brandstof, maar daarover had men op elke locatie in het oosten de beschikking. Cilinders met koolmonoxide hadden speciaal getransporteerd moeten worden met alle logistieke nadelen van dien.

Het duurde echter nog even voordat de uitvoerders van de Endlösung de hierboven geschreven moordmethode in praktijk brachten. In het eerste vernietigingskamp van de nazi’s in Chelmno maakte men namelijk eerst nog gebruik van de mobiele gaskamers, zoals ook gebruikt tijdens het T-4 euthanasieprogramma. Een paar weken nadat Chelmno operationeel was, maakte men geen gebruik meer van koolmonoxide uit cilinders, maar sloot men de uitlaten van de vrachtwagens aan op de laadruimte, zodat de inzittenden vergast werden door de uitlaatgassen. Ook de Einsatzgruppen kregen de beschikking over deze gasvrachtwagens. In een brief van 5 juni 1942 aan SS-Obersturmbahnführer Walter Rauff, hoofd van de technische afdeling van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), schreef Willy Just, werkzaam binnen de automobielorganisatie van de Sicherheitspolizei, dat tot 5 juni 1942 97.000 mensen in de gaswagens waren omgebracht. Chelmno bleef operationeel terwijl Aktion Reinhard uitgevoerd werd, maar maakte geen deel uit van deze operatie. De laatste grootschalige operaties van de Einsatzgruppen vonden in de zomer van 1942 plaats. Ondertussen had men in september 1941 in Auschwitz voor het eerst vergassingsexperimenten met Zyklon-B uitgevoerd. Dit gas zou echter nooit gebruikt worden in de vernietigingskampen Bezec, Sobibor en Treblinka.


Organisatie

De voorbereidingen voor Aktion Reinhard, vernoemd naar Reinhard Heydrich die op 4 juni 1942 overleed aan de verwondingen die hij had opgelopen tijdens een aanslag door Tsjechische verzetstrijders, begonnen in de herfst van 1941. Aan het hoofd van de operatie stond SS-Brigadeführer Odilo Globocnik. Hij was sinds november SS und Polizeiführer (SSPF) in het Lublin-district. Van december 1939 tot februari 1940 waren duizenden Joden afgevoerd naar dit district, maar hieraan kwam tijdelijk een einde na de protesten hiertegen van Generalgouverneur Hans Frank bij Hermann Göring. Desondanks bleef het district in de ogen van de SS-leiding uiterst geschikt voor de oplossing van de Joodse kwestie. In 1941 en begin 1942 werden nog eens vele duizenden Joden uit Duitsland, Oostenrijk en Slowakije hierheen gedeporteerd. Weliswaar ging dit in tegen de eerdere protesten van Frank, maar zijn macht was niet groot genoeg om nog enige invloed te hebben op Himmlers plannen. In maart 1942 raakte Frank bovendien alle macht kwijt over raciale en politiezaken in het Generalgouvernement. De machtstrijd tussen Frank en Himmler was gewonnen door Himmler. Vanaf dat moment had de SS vrij baan om het Lublin-district te gebruiken voor haar plannen.

Het hoofdkwartier van Aktion Reinhard bevond zich in het Lublin. Ook de vernietigingskampen Belzec en Sobibor bevonden zich in het Lublin-district. Er zijn meerdere redenen te noemen waarom gekozen werd voor dit district als centrum voor de uitvoering van Aktion Reinhard. Een belangrijke reden was dat Odilo Globocnik hier de scepter zwaaide als SSPF. Globocnik was een toegewijd medewerker van Heinrich Himmler en hij genoot het vertrouwen van de Reichsführer-SS. Tevens was Globocnik een overtuigd antisemiet die niet terugdeinsde voor een extreme aanpak van de Joodse kwestie. Een andere reden was dat het Lublin-district het meest oostelijke district was in het Generalgouvernement. In de notulen van de Wannseeconferentie stond geschreven: “In het kader van de praktische tenuitvoerlegging van de eindoplossing wordt Europa van het westen naar het oosten uitgekamd.” […] De geëvacueerde Joden worden eerst, trein voor trein in zogenaamde doorgangsgetto's samengebracht om van daaruit verder naar het oosten te worden getransporteerd.” In het oosten kon men de Joden gemakkelijk laten verdwijnen onder het voorwendsel dat ze hier tewerkgesteld werden als dwangarbeiders. De uitroeiing van de Joden moest voor het Duitse volk immers geheim blijven om de publieke opinie niet te beïnvloeden. Het euthanasieprogramma had men in augustus 1941 namelijk stop moeten zetten vanwege de toenemende publieke druk. De vernietiging van de Joden moest echter absoluut zonder tegenwerking doorgang vinden. Daarom ook werden de drie vernietigingskampen opgericht in dun bevolkte gebieden, zodat de massamoord die hier plaatsvond geheim gehouden kon worden.

Globocnik was als hoofdverantwoordelijke voor Aktion Reinhard alleen verantwoording schuldig aan Himmler. Enkel in zijn functie als SSPF was hij onderschikt aan SS-Obergruppenführer Friedrich-Wilhelm Krüger, de Hohere SS und Polizeiführer (HSSPF) van het Generalgouvernement. Een schriftelijk bevel voor Aktion Reinhard werd door Himmler nooit aan Globocnik gegeven, dus alle instructies en orders ontving hij mondeling. De belangrijkste taken die Globocnik en zijn medewerkers moesten uitvoeren, waren:

Getto’s speelden een belangrijke rol in de uitvoering van Aktion Reinhard. De getto’s waren een verzamelplaats en doorgangspunt voor Joden vanuit het Generalgouvernement en daarbuiten, alhoewel sommige transporten de vernietigingskampen bereikten zonder dat de Joden tijdelijk verbleven hadden in een (doorgangs)getto. Nadat de Joden hier geconcentreerd waren, vonden er in de getto’s meermaals ontruimingen plaats, waarbij eerst de minst productieve Joden werden afgevoerd richting de vernietigingskampen. Na verloop van tijd volgde de totale liquidatie van elke getto.

Ook in de vernietigingskampen werd een vaste procedure gevolgd. Na aankomst werden eerst alle bezittingen van de gearriveerde Joden afgenomen, waaronder de handbagage, de kleding, de horloges, het geld en andere kostbaarheden. Maar ook bijvoorbeeld brillen en prothesen werden in beslag genomen en zelfs het haar van de vrouwen werd afgeschoren, zodat het gebruikt kon worden voor industriële doeleinden. Geld en andere kostbaarheden werden overgedragen aan het SS-WVHA en ondergebracht in de Reichsbank. De diverse afgenomen goederen werden gesorteerd in werkkampen in het Lublin-district en vervolgens voor getransporteerd naar het Rijk. De goederen werden hier voor hergebruikt gedistribueerd door het SS-WVHA, het ministerie van Economie en het Hauptamt Volksdeutsche Mittelstelle (het hoofdbureau van de SS, verantwoordelijk voor de coördinatie van de hervestiging van Volksdeutscher).

Nadat de Joden al hun bezittingen hadden afgeleverd, uitgekleed waren en het haar van de vrouwen geknipt was, werden ze naar de ‘doucheruimte’ overgebracht. Wat zij echter niet mochten weten, was dat ze in deze ruimte niet gewassen, maar vergast werden. “De mensen liepen rustig,” zo vertelt Treblinka-overlevende Eliahu Rosenberg, “[…] Ze wisten niet waar waarheen ze gingen. […] De mensen die als laatste de gaskamers ingingen, werden met bajonetten in de rug gestoken. Want deze laatsten zagen al wat er daarbinnen aan de hand was en die wilden niet naar binnen.”Eliahu Rosenberg was lid van het Sonderkommando, de Joodse werkgroep onder andere verantwoordelijk voor het verwijderen van de lijken uit de gaskamers. Daarom kon hij na de oorlog als één van de weinigen getuigen over de vergassingen: “Vierhonderd mensen werden in de kleine gaskamer geperst, zodat de deur van buiten nauwelijks dicht kon. Nadat de deur gesloten was, bleven wij aan de andere kant achter. We hoorden alleen geschreeuw: ‘Shema Israel’- ‘Hoor Israel’, ‘Papa’, ‘Mama’. Na 35 minuten waren ze dood.”

Nadat alle mensen vergast waren, diende een speciaal Joods werkcommando de gouden tanden te verwijderen uit de gebitten van de slachtoffers, zodat ook dit goud overgebracht kon worden naar de Reichsbank. Door een ander Joods werkcommando werden de lichamen uit de gaskamer gehaald en in massagraven begraven. In een later stadium werden de lijken verbrand.

SS-Hauptsturmführer Hermann Höfle was in het hoofdkwartier van Aktion Reinhard in Lublin de hoogste medewerker onder Globocnik. Als chef van de Hauptabteilung had hij de leiding over de coördinatie van de deportaties en personeelszaken. Op 1 augustus 1942 werd Kriminalkommissar Christian Wirth, de eerste kampcommandant van vernietigingskamp Belzec, aangesteld als Inspekteur der SS-Sonderkommandos Aktion Reinhard. Terwijl Höfle zich bezighield met organisatorische en personeelszaken was Wirth verantwoordelijk voor de operationele gang van zaken in de drie vernietigingskampen.

De ontruiming van getto’s werd hoofdzakelijk uitgevoerd door manschappen van de Kommandeure der Sicherheitspolizei und des SD (KdS) en de SSPF van de vijf districten in het Generalgouvernement. Het RSHA was verantwoordelijk voor de planning van transporten. De transporten in Polen werden uitgevoerd door de Generaldirektion der Ostbahn.


Personeel

Globocniks personeel was afkomstig vanuit verschillende bronnen, namelijk de volgende:

SS en politiepersoneel die voor het starten van Aktion Reinhard in het Lublindistrict dienden onder Globocnik 153
SS en politiepersoneel vanuit andere districten 205
Medewerkers van de Kanzlei des Führers die eerder hadden meegewerkt aan het euthanasieprogramma 92
Totaal 450

De voormalige medewerkers van het euthanasieprogramma brachten de nodige kennis over het vergassen van mensen mee en vervulden daarom de belangrijkste functies in de drie vernietigingskampen. De eerste groep medewerkers van het euthanasieprogramma arriveerde tussen eind oktober en eind december 1941 in Lublin. Alhoewel de medewerkers van het euthanasieprogramma opgenomen werden binnen de rangen van de SS en operationeel ondergeschikt waren aan Globocnik, bleven ze wat personeelszaken betrof ondergeschikt aan de Kanzlei des Führers (de kanselarij van Hitler). Hun eigenlijke chef was SS-Obergruppenführer Philipp Bouhler, het hoofd van de Kanzlei des Führers en de aanvoerder van het T-4 euthanasieprogramma.

Om de geheimhouding van Aktion Reinhard te waarborgen, dienden alle medewerkers een eed af te leggen, waarin ze verklaarden “dat [ze] onder geen voorwaarde enigerlei informatie, mondeling of schriftelijk, [zullen] verstrekken over de voortgang, procedure of incidenten tijdens de evacuatie van de Joden aan enige persoon buiten de kring van de medewerkers van Einsatz Reinhard”.

In elk van de drie vernietigingskampen werkten tussen de twintig en vijfendertig SS’ers. Op enkele uitzonderingen na waren zij allemaal ex-medewerkers van het euthanasieprogramma. Dit waren te weinig manschappen om alle benodigde werkzaamheden uit te voeren. Daarom werden speciale bewakingseenheden geformeerd, hoofdzakelijk bestaande uit Oekraïners. Velen van hen hadden in het Rode Leger gevochten, waren door de Duitsers krijgsgevangen genomen en hadden vervolgens het aanbod aangenomen om dienst te doen als kampbewaker om zo te ontsnappen aan de afschuwelijke omstandigheden in de krijgsgevangenenkampen. Anderen hadden zich aangemeld vanuit financieel belang of in de hoop dat ze door hun medewerking beloond werden met de (gedeeltelijke) onafhankelijkheid van Oekraïne (de Duitsers hadden in Oekraïne, net als Nederland, een Duits burgerbestuur in de vorm van een Reichskommissariat aangesteld). Velen van deze Oekraïnse bewakers waren antisemieten en daarom ideale medewerkers aan Aktion Reinhard. Ook Volksdeutscher uit Oekraïne werden opgenomen in de bewakingseenheden. De opleiding van deze bewakers vond plaats in het SS-trainingskamp Trawniki in het Lublin-district. De drie vernietigingskampen kregen elk 90 tot 150 van deze ‘Trawniki-mannen’ toegewezen.

Een veel groter aandeel in de uitvoering van het vernietigingsproces in de drie vernietigingskampen hadden echter de Joden zelf. Zogenaamde Arbeitsjuden werden onder andere ingezet om de in beslag genomen kleding te sorteren, het haar van de aangekomen vrouwen te knippen en de lijken uit de gaskamers te verwijderen en te verbranden. Gedurende de eerste periode na de opening van de vernietigingskampen werd er gewerkt met Joodse werkkrachten die na korte tijdsduur vermoord werden en vervangen voor Joden uit nieuwe transporten. Algauw bleek dit een obstakel in de continuïteit van het vernietigingsproces, want de vervangende werkkrachten moesten iedere keer opnieuw ingewerkt worden. Het vermoorden van ervaren werkkrachten was niet praktisch en daarom besloot men gaandeweg de tijdelijke werkgroep om te zetten in een permanente groep van Joodse werkkrachten. Alleen zieke of verzwakte werkkrachten werden vanaf dat moment nog vermoord.


Vernietigingskampen

Toen Otto Globocnik en zijn medewerkers eind oktober 1941 begonnen met de voorbereidingen voor de vernietiging van de Joden uit het Generalgouvernement had men nog geen ervaring met vernietigingskampen waar op grote schaal Joden konden worden omgebracht in vaste gaskamers. De vernietigingskampen van Aktion Reinhard hadden geen precedent. Weliswaar wordt Chelmno beschouwd als het eerste vernietigingskamp van de nazi’s, maar omdat hier met gasvrachtwagens werd gewerkt, wijkt de opzet van dit kamp af van de later geopende vernietigingskampen. Bij het oprichten van de vernietigingskampen in Belzec, Sobibor en Treblinka kon men enkel gebruikmaken van de ervaringen die men in de afgelopen periode had opgedaan met het euthanasieprogramma, de experimenten van Arthur Nebe en dr. Albert Widmann en de gasvrachtwagens.

Het prototype van het vernietigingskamp werd ontwikkeld op ongeveer 500 meter afstand van het afgelegen dorpje Belzec in het zuidoosten van het Lublin-district. Op 1 november 1941 was men begonnen met de bouw van dit kamp op een locatie waar zich tot eind 1940 een werkkamp had bevonden. In dit werkkamp hadden Joodse dwangarbeiders gewerkt aan fortificaties en tankgrachten langs de rivier de Bug, die voor het aanbreken van operatie Barbarossa de grens met de Sovjet-Unie markeerde. Een belangrijke vestigingsfactor voor het vernietigingskamp was de ligging naast de spoorlijn Lublin-Lvov. De bouw en de inrichting van het kamp verschilden enorm met dat van concentratiekampen, zoals Auschwitz, Buchenwald en Dachau. Terwijl deze concentratiekampen enorme complexen waren vol barakken en werkplaatsen, besloeg het terrein van vernietigingskamp Belzec minder dan 300 bij 300 meter. Omdat het merendeel van de gevangenen vrijwel meteen na aankomst vergast zouden worden, waren grote hoeveelheden barakken en andere faciliteiten tenslotte niet nodig.

Het vernietigingskamp in Belzec werd oorspronkelijk opgericht voor een lokaal probleem, namelijk de uitroeiing van onproductieve Joden uit het Lublin-district. In december 1941 arriveerde Kriminalkommissar Christian Wirth in Belzec om de functie van kampcommandant te vervullen. Besloten werd om in Belzec slachtoffers te vermoorden met koolmonoxide. Gedurende de eerste experimentele vergassingen in februari 1942 moest nog gebruik worden gemaakt van cilinders, omdat het vergassingssysteem nog niet geïnstalleerd was. Dit gebeurde kort daarna door de installatie van een dieselmotor van een pantserwagen.

De gaskamers werden ingericht als doucheruimten. SS-Scharführer Erich Fuchs verklaarde na de oorlog dat hij “douchekoppen [installeerde] in de gaskamers. De leidingen werden niet aangesloten op waterleidingen; zij moesten dienen als camouflage van de gaskamer. Voor de Joden die vergast werden zou het lijken alsof ze werden gebracht naar de bad- of ontsmettingsruimte.” Overal in het kamp trachtte men om het ware doel van Belzec te verbergen, zodat de aangevoerde Joden geloofden dat ze waren aangekomen in een werk- of doorgangskamp, zoals hen voor vertrek wijsgemaakt was. Daarom ook bevonden de gaskamers zich in een afgescheiden onderdeel van het kamp, namelijk Kamp II. De slachtoffers arriveerden in Kamp I waar ze zich in een barak moesten ontkleden en waar hun bezittingen in beslag genomen werden. Vervolgens werden ze via een smalle corridor, door de Duitsers Der Schlauch genoemd, afgevoerd richting Kamp II waar ze werden vergast. De stoffelijke overschotten werden begraven in de tankgrachten die zich ook in Kamp II bevonden.

Belangrijk was dat de verwerking van een transport zeer snel verliep, zodat de aangekomen Joden nauwelijks tijd hadden om zich te oriënteren en om te begrijpen wat er gaande was. Deze snelheid vergrootte tevens de moordcapaciteit van het kamp. Op 17 maart 1942 arriveerde het eerste grote transport in Belzec. Wirth had in de voorgaande maanden een moordfabriek gebouwd waar enorme aantallen mensen volgens een vaste procedure omgebracht konden worden. Eén van de belangrijkste voordelen van dit systeem was dat er slechts enkele tientallen SS’ers nodig waren om dit vernietigingskamp te bemannen. Bovendien was het vernietigingsproces zo fabrieksmatig opgezet en werden zoveel taken overgelaten aan Oekraïense bewakers en Joodse werkkrachten dat de SS’ers relatief gezien weinig psychische problemen ondervonden bij de uitvoering van hun taak. Dit was precies zoals Heinrich Himmler gewild had.

In dezelfde maand dat Belzec operationeel werd, begon met de bouw van een tweede vernietigingskamp. Dit kamp bevond zich in Sobibor, een klein dorpje vlakbij de grens van het Generalgouvernement met Oekraïne. Het kamp bevond zich langs de spoorlijn Chelm-Włodawa in een moerassig, bebost en dun bevolkt gebied. Het ontwerp en functioneren van dit kamp werd gebaseerd op het model van Belzec. Het vernietigingskamp in Sobibor was echter met een oppervlak van 600 x 400 meter iets groter dan dat in Belzec. Vernietigingskamp Sobibor was ingedeeld in drie delen. Het eerste deel bestond uit het Vorlager, bestaande uit de ingang, het spoorwegperron en de gebouwen ten behoeve de SS en Oekraïense bewakers, en Kamp I, waar de Joodse werkkrachten ondergebracht waren. Het tweede deel was Kamp II. Hier moesten de Joden zich uitkleden en werden hun bezittingen afgenomen en opgeslagen. Net als in Belzec was Kamp I door een smalle corridor verbonden met Kamp III waar de gaskamers gesitueerd waren. Halverwege deze corridor bevond zich een barak waar het haar van de Joden afgeknipt werd. De verschillende terreinen van vernietigingskampen waren van elkaar afgescheiden door hekken met prikkeldraad. Dennentakken werden regelmatig aangebracht tussen de hekken, zodat nieuw aangekomen gevangenen en omwonenden niet zagen wat zich in het kamp afspeelde.

In april 1942 werd SS-Obersturmführer Franz Stangl benoemd tot kampcommandant in Sobibor. In het midden van die maand werden de eerste experimentele vergassingen uitgevoerd. Net als in Belzec waren de gaskamers aangesloten op een verbrandingsmotor, volgens SS-Scharführer Erich Fuchs een “zware Russische bezinemotor (vermoedelijk een tank- of tractormotor) van ten minste 200 pk”. Tegen het einde van april 1942 was vernietigingskamp Sobibor klaar voor gebruik. De eerste transporten arriveerden in mei 1942. Iets meer dan een half jaar later waren hier naar schatting al een kwart miljoen mensen vermoord.

Het laatste vernietigingskamp van Aktion Reinhard dat werd opgezet, bevond zich vlakbij Treblinka en Malkinia in het Warschau-district. Het kamp lag vlakbij de spoorlijn van Warschau naar Białystok. In Treblinka bevond zich sinds november 1941 al een werkkamp (Treblinka II) onder de verantwoordelijkheid van de SSPF van het Warschau-district. De constructie van het nieuwe kamp (Treblinka II) begon in mei 1942, toen de kampen in Belzec en Sobibor al operationeel waren. Bij de bouw van het kamp kon men putten uit de ervaringen die in de andere twee vernietigingskampen opgedaan waren. Daarom beschouwde men het kamp in Treblinka als het meest perfecte vernietigingskamp van Aktion Reinhard. Het kamp was even groot als dat in Sobibor en bestond ook uit drie onderdelen: het Wohnlager, het Auffanglager en het Toteslager. In het Wohnlager waren de SS’ers en Oekraïense bewakers ondergebracht. Tevens bevonden zich hier een kantoor, een ziekenboeg, magazijnen en werkplaatsen. In het Wohnlager waren in een met prikkeldraad afgescheiden deel ook de Joodse werkkrachten ondergebracht. Hier bevonden zich ook enkele werkplaatsen en een appèlplaats. Het Auffanglager had dezelfde functie als het ontvangstterrein in Belzec en Sobibor. Hier arriveerden de Joden, werden mannen en vrouwen en kleine kinderen van elkaar gescheiden en werden hun bezittingen afgenomen. Het Wohnlager en het Auffanglagervormden samen het Unteres Lager.

Het Oberes Lager bestond enkel uit het Toteslager, oftewel het onderdeel van het kamp waar de gaskamers en de massagraven zich bevonden. Net zoals in Belzec en Sobibor was dit onderdeel van het kamp gecamoufleerd en kon je vanaf de buitenkant niet zien wat hier gebeurde. Ook hier verbond een smalle corridor, door de SS’ers in Treblinka wel eens de ‘Himmelstrasse’ genoemd, het ontvangstterrein met het deel van het kamp waar de gaskamers zich bevonden. Bij de ingang van deze gang was een bord opgehangen waarom “Zur Badeanstalt” geschreven stond. De eerste gaskamers in Treblinka waren identiek aan de eerste in Sobibor. De belangrijkste faciliteiten waren in het midden van juli 1942 gebouwd en op 23 juli arriveerde het eerste transport. Het vernietigingsproces werd aangevoerd door SS-Untersturmführer Dr. Irmfried Eberl, de eerste kampcommandant van Treblinka.


Eerste fase

De eerste grote Joodse gemeenschap die werd geporteerd als onderdeel van Aktion Reinhard kwam uit het getto van Lublin. Tussen 17 maart en 14 april 1942 werden 30.000 mensen uit dit getto naar Belzec gedeporteerd en hier in de drie gaskamers vermoord. Ook propagandaminister Joseph Goebbels was hiervan op de hoogte, want op 27 maart 1942 schreef hij in zijn dagboek: "Bij Lublin beginnend worden momenteel de Joden uit het Generalgouvernement naar het Oosten weggewerkt. Hierbij wordt een tamelijk barbaarse en niet nader te omschrijven methode aangewend, en van de Joden zelf blijft niet veel meer over. In het algemeen kan worden vastgesteld dat 60 procent van hen geliquideerd moet worden, omdat slechts 40 procent tewerkgesteld kan worden. De voormalige Gauleiter van Wenen [Odilo Globocnik], die de operatie uitvoert, doet dat met de nodige voorzichtigheid en op zo’n manier dat weinig opzien wordt gebaard. Aan de Joden wordt een straf ten uitvoer gelegd die weliswaar barbaars is, maar die ze volkomen verdiend hebben."

Gedurende de eerste weken dat Belzec operationeel was, arriveerden ook enkele transporten vanuit andere locaties in het Lublin-district en het district Oost-Galicië. In de eerste weken van het bestaan werden in Belzec naar schatting 75.000 tot 80.000 mensen vermoord. In april stopten de deportaties en werd het kamp tijdelijk stilgelegd. In mei arriveerden echter alweer nieuwe transporten uit het Kraków-district. Inmiddels was gebleken dat de drie gaskamers waarover het kamp beschikte niet langer voldoende waren. In het midden van juni 1942 werd het kamp daarom tijdelijk weer gesloten, zodat er nieuwe gaskamers gebouwd konden worden. Op dat moment waren sinds de opening van het kamp in maart volgens een schatting van Yitzhak Arad, de schrijver van het standaardwerk "Belzec, Sobibor, Treblinka", 93.000 Joden omgebracht in Belzec. In juli 1942 had het kamp de beschikking over zes gaskamers waar 1.500 mensen tegelijk vergast konden worden. Vanaf dat moment kon het vernietigingskamp weer nieuwe transporten verwerken.

De eerste transporten die in Sobibor arriveerden, kwamen uit het Lublin-district, Het betrof Joden uit Polen, Tsjecho-Slowakije, Duitsland en Oostenrijk. Van mei tot eind juli 1942 werden hier, volgens Arad, ten minste 61.400 Joden vermoord. Daarna stopten de deportaties tijdelijk, vanwege reparatiewerkzaamheden aan het spoorwegtraject tussen Lublin en Chelm. In augustus arriveerden er enkele transporten met Joden uit de directe omgeving, maar verder stonden de vernietigingswerkzaamheden stil tot oktober 1942. Ondertussen was kampcommandant Franz Stangl in augustus 1942 overgeplaatst naar Treblinka en vervangen door SS-Hauptsturmführer Franz Reichleitner. Gedurende de tijdelijke stillegging van het kamp had men ook hier nieuwe gaskamers gebouwd. Toen het vernietigingsproces weer op gang kwam,had men de beschikking over zes gaskamers. De zes kamers hadden gezamenlijk een capaciteit van 1.300 of 1.600 personen.

In Treblinka werden, volgens Arad, gedurende de eerste weken na de opening, tussen 23 juli en 28 augustus 1942, ongeveer 312.500 Joden uit het Warschau-, Radom- en Lublin-district vermoord. Aanvankelijk functioneerde Treblinka volgens verwachting: dagelijks kwamen hier ongeveer 5.000 tot 7.000 mensen aan om te worden vermoord. In augustus werd dit aantal verdubbeld, waardoor het vernietigingsproces onder druk kwam te staan. Niettemin bleef kampcommandant dr. Irmfried Eberl het kamp openhouden. SS-Scharführer August Hingst, die op dat moment werkzaam was in Treblinka, verklaarde na de oorlog dat "De ambitie van dr. Eberl was om de hoogst mogelijke aantallen te halen en andere kampen voorbij te streven. Er arriveerden zoveel transporten dat het uitladen en vergassen niet langer in de hand gehouden kon worden."

Omdat de drie gaskamers niet voldoende capaciteit hadden, werden veel Joden in de zomer van het aankomstkamp neergeschoten in plaats van vergast. Er ontstond een enorme chaos, zoals Oskar Berger, wiens transport in augustus 1942 in Treblinka arriveerde, verklaart: "Toen we uitstapten waren we getuige van een afschuwelijk tafereel: er lagen honderden lijken. Stapels zakken, kleren, koffers, alles door elkaar. SS’ers en Oekraïners stonden op de daken van de barakken en schoten willekeurig in de menigte. Mannen, vrouwen en kinderen vielen bloedend op de grond. De lucht was vervuld van gegil en gehuil." De misleiding, die zo effectief was gebleken, werd volledig tenietgedaan, want de Joden die aankwamen wisten, meteen dat ze niet gearriveerd waren in een werk- of doorgangskamp.

Volgens SS-Unterscharführer Franz Suchomel, die sinds augustus in Treblinka werkzaam was, belde dr. Eberl uiteindelijk het hoofdkwartier in Lublin om alarm te slaan. "Hij zei: ‘Zo gaat het niet meer; ik kan het niet meer aan! Die transporten moeten stopgezet worden.’ En op een nacht kwam Wirth. Hij inspecteerde alles en vertrok meteen weer. Hij kwam terug met mensen uit Belzec. Dat waren dus specialisten in hun vak. En Wirth bereikte dat de transporten tijdelijk stopgezet werden en de lijken die overal lagen, werden opgeruimd. Dat was in de periode van de oude gaskamers. En omdat zoveel mensen bezweken en er zoveel doden waren die niet opgeruimd konden worden, bleven de lijken dagenlang liggen. Er lagen stapels lijken voor de gaskamers. Onder die lijken lag een laag vuil, wel tien centimeter dik: bloed, wormen en uitwerpselen."

Christian Wirth, de eerste kampcommandant van vernietigingskamp Belzec, was inmiddels benoemd tot inspecteur van de drie vernietigingskampen van Aktion Reinhard. Nadat Globocnik en hij naar Treblinka waren afgereisd om zich op de hoogte te stellen van de stand van zaken, werd dr. Eberl ontslagen als kampcommandant en in september 1942 vervangen voor Franz Stangl. De transporten werden gestaakt en het kamp werd opgeruimd. Stangl en Wirth beseften meteen dat het probleem in Treblinka de beperkte capaciteit van de gaskamers was. Daarom begon men in september met de bouw van een nieuwe vergassingsinstallatie. In plaats van drie gaskamers, kreeg het kamp nu de beschikking over waarschijnlijk tien gaskamers met een totale capaciteit van ruim 3.800 mensen, meer dan zes keer zoveel dan het vorige complex. De gaskamers werden in oktober 1942 weer in gebruik genomen. Stangl had ook nieuwe maatregelen genomen die de argwaan bij de aankomende Joden moest wegnemen. Bij het perron was een gebouwtje zo geschilderd dat het op een normaal spoorwegstation leek, compleet met bordjes die verwezen naar de wachtkamers. Er waren plantenbakken neergezet in het kamp en het ontvangstterrein werd schoon en ordelijk gehouden.

Dankzij de genomen maatregelen kon een chaos, zoals plaatsgevonden had, voortaan voorkomen worden. Weliswaar waren in Treblinka gemiddeld 10.000 mensen per dag omgebracht – een record dat pas verbroken zou worden in Auschwitz in 1944 –, maar de chaos bracht de continuïteit van het vernietigingsprogramma in gevaar. Tevens was het in de chaos niet mogelijk geweest om de bezittingen van de Joden op georganiseerde wijze af te nemen, te sorteren en te distribueren. De SS’ers en Oekraïners hadden bovendien waarschijnlijk misbruik gemaakt van de situatie door kostbaarheden achterover te drukken. Ook financieel gezien was het Derde Rijk dus niet gebaat bij de chaos die in Treblinka plaatsgevonden had.


Tweede fase

Midden juli 1942 bracht Heinrich Himmler een bezoek aan het hoofdkwartier van Aktion Reinhard in Lublin. Nog tijdens zijn verblijf hier stuurde hij een schriftelijk bevel aan SS-Obergruppenführer Friedrich Krüger: “Bij deze beveel ik dat de verhuizing van de gehele Joodse bevolking in het Generalgouvernement op 31 december 1942 uitgevoerd en voltooid moet zijn.” Na die datum mochten zich geen personen meer van Joodse komaf in het Generalgouvernement bevinden, behalve als ze zich bevonden in de getto’s van Warschau, Kraków, Czêstochowa, Radom en Lublin. Verhuizing was een eufemisme voor de deportatie naar de vernietigingskampen.

Himmlers bevel kreeg enige weerstand van de autoriteiten van de Wehrmacht die in hun fabrieken en werkplaatsen in het Generalgouvernement gebruik maakten van Joodse dwangarbeiders. Himmler besloot dat bepaalde Joodse werkkrachten, zoals schoen- en kledingmakers, overgebracht dienden te worden naar de concentratiekampen in Warschau en Lublin (Konzentrationslager Majdanek) waar ze voorlopig onder leiding van het SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt opdrachten voor de Wehrmacht konden blijven uitvoeren. De Joden die voor de Wehrmacht werkten in munitie- en wapenfabrieken zouden stapsgewijs afgevoerd worden, zodat ze vervangen konden worden door Poolse werkkrachten. Himmler benadrukte echter dat “overeenkomstig met de wens van de Führer, de Joden eens allemaal moesten verdwijnen.” Weliswaar zorgde het protest van de Wehrmacht tijdelijk voor enige vertraging in de volledige voltooiing van Aktion Reinhard, maar het veranderde niks aan het uiteindelijke lot van de meeste Joden in het Generalgouvernement.

Tijdens zijn inspectie was Himmler ook op de hoogte gebracht van de transportproblemen die de uitvoerders van Aktion Reinhard tot dusver hadden ervaren. Doordat het spoorwegnetwerk intensief gebruikt werd voor troepen- en materiaaltransporten naar het Oostfront, waren er niet voldoende treinen beschikbaar voor de deportaties. Himmler gaf de opdracht aan zijn stafchef SS-Obergruppenführer Karl Wolff om de klachten van Globocnik en Krüger door te geven aan de staatssecretaris van het Ministerie van Transport, Dr. Theodor Ganzenmüller. Op 27 juli 1942 bevestigde Ganzenmüller dat de transporten sinds 22 juli 1942 weer goed op gang waren gekomen: “een treinlading van 5.000 Joden is dagelijks vertrokken vanuit Warschau via Malkinia naar Treblinka, en daarnaast is twee keer in de week een treinlading van 5.000 Joden vertrokken vanuit Przemyœl naar Belzec.” Op 13 augustus stuurde Wolff, namens Himmler, een bedankbrief aan Ganzenmüller. Verdere maatregelen werden genomen tijdens een conferentie op het Ministerie van Transport in Berlijn op 26 en 28 september 1942 waarbij ook Adolf Eichmann aanwezig was. Er werd een vaste dienstregeling opgesteld en de transportaanvragen van de SS kregen hoge prioriteit.

De deportaties naar Belzec werden herstart in de tweede week van juli 1942 en duurden voort tot midden december 1942. “Van augustus tot het eind van november 1942 verbleef ik in het vernietigingskamp”, schreef kampgevangene Rudolf Reder. “Het was de periode van de massale vergassing van Joden. De weinige van mijn lotgenoten die erin geslaagd waren voor lange tijd te overleven, vertelden me dat in deze periode er het grootste aantal dodentransporten waren. Ze kwamen elke dag, zonder interruptie, driemaal daags. Elke trein bestond uit vijftig wagons, met honderd mensen in elk van hen. […] Soms waren de transporten groter en meer frequent.” De transporten die gedurende deze periode arriveerden, waren afkomstig uit het Kraków-, Lvov-, Radom- en Lublin-district. Duizenden Joden uit deze transporten kwamen oorspronkelijk uit Duitsland, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en andere landen buiten Polen. Zij waren vanuit getto’s in het Lublin-district terechtgekomen in het vernietigingskamp. Uit een nazi-document, opgesteld door Herman Höfle, dat in het jaar 2000 ontdekt werd, kan opgemaakt worden dat in Belzec tot 31 december 1942 in totaal 434.508 Joden vermoord werden. Schattingen die historici en onderzoekers voor het jaar 2000 maakten, liggen hoger. Een Pools onderzoekscomité dat nazi-misdaden in Polen onderzocht, kwam tot een aantal van 600.000. In “Belzec, Sobibor, Treblinka” schrijft Yitzhak Arad dat dit aantal hem de laagst mogelijke schatting lijkt.

Volgens een rapport van Richard Korherr, de chef van het statistische bureau van de SS, verbleven op 31 december 1942 nog 37.000 Joden in het Kraków-district, 29.400 in het Radom-district, 20.000 in het Lublin-district, 50.000 in het het Warschau-district en 161.514 in het Lvov-district. In totaal verbleven op 31 december 1942 volgens Korherr dus nog 297.914 Joden in het Generalgouvernement. Inmiddels waren er volgens de cijfers van Höfle in totaal 1.274.166 Joden uit het Generalgouvernement in Belzec, Sobibor, Treblinka en Majadanek (24.733 slachtoffers) omgebracht. Dit maakte echter nog geen eind aan Aktion Reinhard, want “overeenkomstig met de wens van de Führer, [moesten] de Joden eens allemaal […] verdwijnen.” Dat moment was nu aangebroken. De getto’s waarin nog Joden verbleven, moesten opgeheven worden en alle Joodse gettobewoners moesten vermoord worden. Ter uitvoering daarvan bleven de vernietigingskampen Sobibor en Treblinka langer open dan Belzec.

Vanaf 3 september 1942 vonden er weer deportaties richting Treblinka plaats. De deportaties waren onder andere afkomstig uit het Warschau-, Radom- en het noordelijke deel van het Lublin-district. Van het midden van november 1942 tot januari 1943 vonden er bijna geen transporten vanuit het Generalgouvernement plaats richting Treblinka. Gedurende die periode arriveerden er wel transporten uit Białystok. In januari volgden er nog enkele transporten vanuit het Generalgouvernement, omdat een aantal kleine getto’s opgeheven werden. Ook arriveerden er in de tweede helft van januari 1943 nog enkele transporten vanuit het getto van Warschau. Toen men dit getto in april 1943 volledig wilde liquideren, brak er een opstand. De opstand in het getto van Warschau duurde voort tot midden mei. Volgens de eerder genoemde berekening van Höfle waren per 31 december 1942 713.555 Joden omgekomen in Treblinka. Yitzhak Arad schat dat gedurende het bestaan van Treblinka in totaal 763.000 Joden uit het Generalgouvernement omgebracht werden. Het is niet vreemd dat deze schatting hoger ligt, want ook na 31 december 1942 - tot februari 1943 - arriveerden in Treblinka nog enkele transporten vanuit het Generalgouvernement.

De tweede fase in het vernietigingsproces ging in Sobibor begin oktober 1942 van start toen de reparatiewerkzaamheden aan het spoorwegtraject Lublin-Chelm voltooid waren. Van oktober 1942 tot mei 1943 arriveerden meerdere transporten vanuit het Lublin-district. In de winter van 1942-1943 en in het voorjaar en de zomer van 1943 kwamen ook transporten vanuit het Lvov-district aan. Daarbij waren transporten waar de gevangenen naakt of al gestorven aankwamen in het kamp, zoals onder andere blijkt uit het ooggetuigenverslag van Leon Feldhendler, een gevangene in Sobibor. Over een transport vanuit Lvov dat in juni 1943 arriveerde, schreef hij: “Er waren in totaal vijftig vrachtwagons: vijfentwintig met levende gevangenen en vijfentwintig met lijken. De levenden waren naakt. In de vrachtwagons met de doden lagen de lijken door elkaar heen, zonder wonden, alleen opgezwollen. De gevangenen werden gedwongen om de vrachtwagons uit te laden en de lijken op de trolley naar het crematorium te verplaatsen. De stank van de lijken maakte het onmogelijk om de vrachtwagons binnen te gaan. De Duitsers sloegen ons om ons te dwingen om deze binnen te gaan. Te zien aan de staat van ontbinding, waren deze mensen al ongeveer twee weken dood.”

Volgens de cijfers van Höfle waren per 31 december 1942 101.370 Joden in Sobibor vermoord. Tot juli 1943 arriveerden er echter nog transporten vanuit het Generalgouvernement in Sobibor. Yitzhak Arad schat het totale aantal Joodse slachtoffers uit het Generalgouvernement in Sobibor tussen de 145.000 en 155.000.

Treblinka en Sobibor bleven na de sluiting van Belzec in december 1942 niet alleen open voor de uitroeiing van de overgebleven Joden in het Generalgouvernement, maar ook voor het vermoorden van Joden uit andere landen. Van midden oktober 1942 tot midden februari 1943 vonden er vanuit het Bezirk Białystok deportaties richting Treblinka plaats. Yitzhak Arad schat dat 118.000 Joden uit Białystok vermoord werden in Treblinka. Vanuit Griekenland en Joegoslavië werden er vanaf 11 maart 1943 11.343 Joden gedeporteerd naar Treblinka. In Treblinka kwamen vanaf oktober 1942 ook enkele transporten aan vanuit Theresiënstadt.

Van 5 maart 1943 tot juli 1943 arriveerden in Sobibor 19 transporten vanuit doorgangskamp Westerbork in Nederland. In april arriveerden hier ook twee transporten vanuit het doorgangskamp Drancy in Frankrijk. Alhoewel het merendeel van de Joden in het Reichskommissariat Ostland, bestaande uit de Generalbezirke Estland, Letland, Litauen (Litouwen)en Weißruthenien (Wit-Rusland), al door de Einsatzgruppen vermoord was, verbleven hier nog Joden als werkkrachten in de getto’s van Lida, Minsk en Vilna (Vilnius). Zij werden in september 1943 gedeporteerd naar Sobibor. Volgens Yitzhak Arad werden in totaal 13.700 Joden uit het Reichskommissariat Ostland omgebracht in Sobibor.

Yitzhak Arad schat dat in totaal ongeveer 135.000 Joden van buiten Polen en de Sovjet-Unie werden vermoord in de vernietigingskampen van Aktion Reinhard. Niet alleen Joden werden omgebracht in de vernietigingskampen van Aktion Reinhard, want ook naar schatting meer dan 2.000 Zigeuners werden omgebracht in Treblinka. Het is niet bekend of en hoeveel zigeuners omgebracht werden in Belzec en Sobibor.


Slotfase

De volledige liquidatie van het getto van Warschau, waartoe Heinrich Himmler op 16 februari 1943 opdracht gaf, markeerde het einde van de deportaties vanuit het Generalgouvernement naar de vernietigingskampen Sobibor en Treblinka. Eind februari of begin maart 1943 bracht Himmler een bezoek aan beide vernietigingskampen. Himmler was onder de indruk van de prestatie van de uitvoerders van Aktion Reinhard. Hij besloot achtentwintig medewerkers, waaronder Christian Wirth en de drie kampcommandanten, te promoveren. Het voornaamste doel van zijn bezoek was echter om te beoordelen wat de toekomst van beide kampen en hun personeel was nu Aktion Reinhard grotendeels beëindigd was. Ook aan de transporten richting Sobibor en Treblinka vanuit andere landen dan Polen zou namelijk spoedig een einde komen, omdat de moordcapaciteit van Auschwitz-Birkenau inmiddels toereikend was voor de uitvoering van de Endlösung.

Tijdens zijn bezoek aan Treblinka was Himmler erachter gekomen dat, in tegenstelling tot in Belzec en Sobibor, men nog niet begonnen was met het opgraven en cremeren van de lijken. Hiertoe gaf hij alsnog opdracht. Alle sporen van de massavernietiging die hier plaatsgevonden had, moesten uitgewist worden.

In Sobibor was men al in de zomer van 1942 begonnen met het opgraven en cremeren van de lijken. Men was hiertoe overgegaan, omdat de lijken in de massagraven door de warmte waren opgezwollen en naar boven waren gekomen. “Bloed en stinkende gassen kwamen vanuit de grond naar het oppervlak: de vreselijke stanken verspreiden zich over het hele kamp en doordrongen alles”, zo verklaart kampgevangene Leon Feldhendler. “Het water in Sobibor werd ranzig. Dit dwong de Duitsers om een crematorium aan te leggen. Het was een grote kuil met een rooster daarboven. De lijken werden op het rooster geworpen. Het vuur werd vanonder aangestoken en er werd benzine op de lijken geworpen. De beenderen werden verpletterd tot as met hamers.” Voor het opgraven van de lijken werd een graafmachine gebruikt. Ook werd een speciale werkgroep Joden geformeerd voor het opgraven en verbranden van de lijken. Het rooster dat in bovenstaand ooggetuigenverslag genoemd wordt, was gemaakt van spoorrails. De Joden die vanaf de zomer van 1942 in Sobibor arriveerden, werden meteen na vergassing verbrand.

Op 5 juli 1943 gaf Himmler de opdracht aan Oswald Pohl, de leider van het SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt, en Odilo Globocnik om kamp Sobibor om te bouwen tot een concentratiekamp. Bij het concentratiekamp moest een munitieopslagplaats worden gebouwd voor de opslag van veroverde Sovjetmunitie. Als het kamp daadwerkelijk een concentratiekamp was geworden, had het ondergeschikt geweest aan Pohls SS-WVHA, maar Globocnik en Pohl overeen om Himmler te verzoeken het kamp onder Globocniks verantwoording te houden. Sobibor werd niet in gebruik genomen als concentratiekamp, maar wel werd een apart onderdeel van het kamp, Kamp IV, ingericht voor de opslag van munitie. Eind augustus werd dit deel van het kamp in gebruik genomen.

Het cremeren van de lijken uit de massagraven was in Belzec midden december 1942 begonnen, toen er geen transporten meer arriveerden. SS-Scharführer Heinrich Gley verklaart: “Vanaf het begin van augustus 1942 totdat het kamp werd gesloten in 1943 was ik in Belzec. […] Zoals ik me herinner, stopten de vergassingen eind 1942, toen de sneeuw al viel. Toen begon het opgraven en het cremeren van de lijken. Het duurde van november 1942 tot maart 1943. Het cremeren werd dag en nacht uitgevoerd, zonder interruptie. In het begin vonden de verbrandingen op één locatie plaats, maar later op twee. Eén van de crematielocaties had een capaciteit om 2.000 lijken in 24 uur te verbranden. […] Gedurende vijf maanden werden op de eerste verbrandingslocatie ongeveer 300.000 lijken gecremeerd en in vier maanden op de tweede verbrandingslocatie ongeveer 240.000 lijken. Natuurlijk zijn dit schattingen.” De verbranding van de lijken werd op dezelfde wijze uitgevoerd als in Sobibor. Tegen het eind van april 1943 waren alle lijken in Belzec gecremeerd.

In Treblinka begon men pas na het bezoek van Himmler in februari of maart 1943 met het opgraven en cremeren van de lijken. Men stond voor de taak om naar schatting 700.000 lichamen op te graven en te cremeren, terwijl er nog steeds nieuwe transporten arriveerden in het kamp. Het opgraven en cremeren van de lijken duurde in Treblinka vier maanden, van april tot het eind van juli 1943.

De laatste transporten in Treblinka arriveerden in de zomer van 1943. Hoofdzakelijk ter uitvoering van de opgraving en crematie van lijken verbleven er nog gevangenen in het kamp. Omdat hun werkzaamheden bijna voltooid waren, voelden zij hun eigen einde ook naderen. Op 2 augustus 1943 organiseerden ze daarom een opstand met als doel te ontsnappen. De SS sloeg de opstand met geweld neer, maar desondanks slaagden enkele honderden gevangen te ontsnappen. Velen van hen werden echter alsnog opgepakt en vermoord door de SS, zodat uiteindelijk voor slechts enkele tientallen gevangenen de ontsnapping succesvol was. Op 14 oktober 1943 kwamen ook de gevangenen in Sobibor in opstand. De opstandelingen slaagden erin elf SS’ers en Oekraïners te doden. Ongeveer 300 Joden konden ontsnappen, maar uiteindelijk lukte het slechts 50 van hen om uit handen van de Duitsers te blijven en de oorlog te overleven.

De opstanden in Treblinka en Sobibor vormden een schok voor de nazi-autoriteiten in het Generalgouvernement. Kort na beide opstanden werden de nog levende Joden in beide vernietigingskampen vermoord. Nog steeds verbleven er echter 42.000 tot 45.000 Joden in het Lublin-district. Zij waren hier ondergebracht in concentratie- en werkkampen, waaronder Trawniki, Poniatowa en Majdanek. Om te voorkomen dat ook zij in opstand zouden komen, gaf Himmler de opdracht om hen te liquideren. Men gaf deze massamoord de codenaam Aktion Erntefest (operatie oogstfeest). In totaal werden naar schatting 42.000 tot 43.000 Joden vermoord tijdens deze operatie. Vrijwel alle Joden in het Lublin-district waren nu vermoord. Er verbleven hier alleen nog ongeveer 2.000 Joden die werkten in kleine werkkampen van de Luftwaffe. Ook in de rest van het Generalgouvernement was het merendeel van de Joden omgebracht.


Einde

Nadat de lijken opgegraven en verbrand waren, trachtten de nazi’s alle sporen uit te wissen van de drie vernietigingskampen. Allereerst werd Belzec compleet ontmanteld. “Na het nivelleren en opruimen van het gebied van het vernietigingskamp, beplantten de Duitsers het gebied met kleine dennen en vertrokken ze,” zo verklaart de Poolse omwonende Edward Luczynski. “Op dat moment werd het hele gebied uitgepluisd door de naburige bevolking die op zoek waren naar goud en kostbaarheden.” Omdat de Poolse omwonenden diverse menselijke resten opgroeven, besloot de leiding van Aktion Reinhard het terrein permanent te laten bewaken. Er werd een boerderij gebouwd waar een Oekraïnse bewaker met zijn familie permanent kon verblijven. Deze maatregel werd ook genomen na de ontmanteling van Sobibor en Treblinka.

Ondertussen waren eind juli 1943 de laatste Joodse werkkrachten vanuit Belzec overgebracht naar Sobibor waar ze vermoord werden. De laatste kampcommandant van Belzec, SS-Hauptsturmführer Gottlieb Hering, was in juni 1942 benoemd tot kampcommandant van het werkkamp in Poniatowa. Het merendeel van het overige kamppersoneel werd overgeplaatst naar Treblinka, Sobibor en Poniatowa. Aan het beplanten van het terrein was eind oktober 1943 een eind gekomen. Nadat de boerderij gebouwd was, verlieten de laatste SS’ers en Oekraïners het kamp. Eén Oekraïner bleef met zijn familie achter in de boerderij.

De deportatie en uitroeiing van Joden uit Białystok was de laatste operatie die aangevoerd was door Globocnik en zijn staf. Globocnik werd daarna gepromoveerd tot Höhere SS und Polizeiführer in het gebied rond Triest in Italië. Omdat de geallieerden inmiddels geland waren in Zuid-Italië en de hoeveelheid partizanenacties sterk was toegenomen in Noord-Italië, was hier grote behoefte aan Duitse manschappen. Globocnik verliet Lublin in september 1943 en nam een groep SS’ers, waaronder Wirth, Stangl en Reichleitner, en Oekraïense bewakers mee naar Italië. SS-Untersturmführer Kurt Franz, de plaatsvervanger van Stangl, kreeg de opdracht om Treblinka te ontmantelen op dezelfde wijze als in Belzec gebeurd was. Eind november verlieten Franz en zijn manschappen het voormalige kamp. Kort daarvoor hadden ze de laatste werkgroep van dertig Joden doodgeschoten.

Sobibor was het laatste kamp dat ontmanteld werd. Het kamp was inmiddels deels in gebruik als opslagplaats voor munitie, maar dit was van korte duur. Na de opstand van 14 oktober 1943 waren alle gevangenen die niet ontsnapt waren vermoord, zodat de opruimwerkzaamheden verricht moesten worden door een werkgroep Joden vanuit Treblinka. De opruimwerkzaamheden stopten eind november 1943 en alle overgebleven Joodse werkkrachten werden vermoord. Vanuit Triest stuurde Globocnik op 3 november 1943 een brief aan Himmler waarin hij schreef: “Ik beëindigde Aktion Reinhard, die ik aangevoerd heb in het Generalgouvernement, op 19 oktober 1943 en heb alle kampen opgeheven. […] Ondertussen heb ik de werkkampen overgedragen aan SS-Obergruppenführer Pohl. Op 30 november 1943 stuurde Himmler een antwoord aan Globocnik, waarin hij schreef: “Ik druk aan u mijn dank en mijn erkenning uit voor de grote en unieke diensten die u voor het volledige Duitse volk uitgevoerd heeft met de verrichting van Aktion Reinhard.”

In de drie vernietigingskampen van Aktion Reinhard werden naar schatting 1,7 miljoen Joden omgebracht. Tevens werd hier een onbekend aantal Polen, zigeuners en Sovjetkrijgsgevangenen vermoord. Schattingen van het aantal Joodse en niet-Joodse slachtoffers per kamp lopen enigszins uiteen. Het United States Holocaust Memorial Museum gaat uit van de volgende aantallen: +/- 435.000 Joden in Belzec, +/- 167.000 Joden en niet-Joden in Sobibor en tussen de 870.000 en 925.000 Joden en niet-Joden in Treblinka. Slechts enkele tientallen Joodse gevangenen ontsnapten uit de vernietigingskampen en overleefden de oorlog. In totaal werden door de nazi’s naar schatting 2.900.000 tot 3.100.000 Poolse Joden vermoord. Ook financieel gezien was Aktion Reinhard vanuit het perspectief van de nazi’s geslaagd. Op 5 januari 1944 stuurde Globocnik een rapport aan Himmler waarin hij een opsomming gaf van het geld, het goud en de overige kostbaarheden die gedurende de uitvoering van de operatie van de Joden afgenomen waren. Omgerekend naar Reichsmark kwam Globocnik tot een totaalbedrag van 178.745.960, 59 RM (2,50 RM was op dat moment $1,00 waard).


Na de oorlog

Slechts enkele belangrijke uitvoerders van Aktion Reinhard overleefden de oorlog. Odilo Globocnik werd na de Duitse capitulatie gevangen genomen door de Britten. Hij pleegde op 31 mei 1945 zelfmoord. Zijn meest naaste medewerker Christian Wirth werd in mei 1944 vlakbij Triest door partizanen vermoord. Gottlieb Hering, de laatste kampcommandant van Belzec, overleed in mei 1945 in een legerhospitaal, waarschijnlijk aan een hartaanval. Franz Reichleinter, de laatste kampcommandant in Sobibor, werd, net als Wirth, vermoord door partizanen. Friedrich Krüger, de HSSPF in het Generalgouvernement pleegde in mei 1945 zelfmoord.

Een aantal andere belangrijke betrokkenen bij Aktion Reinhard werden na de oorlog berecht. Herman Höfle, de chef van de Hauptabteilung van Aktion Reinhard werd in 1961 in Oostenrijk gearresteerd. Hij pleegde een jaar later, op 21 augustus 1962, in zijn cel in de gevangenis van Wenen zelfmoord. Franz Stangl, kampcommandant in Sobibor en Treblinka, ontsnapte na de oorlog richting Brazilië. In 1967 werd hij hier ontdekt en uitgeleverd aan Duitsland. Hij werd in Düsseldorf veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, maar hij overleed enkele maanden daarna in zijn cel.

In de jaren na de oorlog werden ook enkele minder hooggeplaatste SS’ers vervolgd en berecht. Tussen 12 oktober 1964 en 24 augustus 1965 vond er in Düsseldurf een proces plaats tegen tien SS’ers die in Treblinka werkzaam waren geweest. Onder hen was ook Kurt Franz, de plaatsvervanger van Franz Stangl. Hij en drie andere aangeklaagden werden veroordeeld tot levenslang, vijf anderen kregen drie tot twaalf jaar gevangenisstraf en één werd vrijgesproken. Een proces tegen twaalf SS’ers die dienst hadden gedaan in Sobibor vond plaats van 6 september 1965 tot 20 december 1966 in het gerechtshof van Hagen. Eén van de aangeklaagden, Kurt Bolender, de voormalige commandant van Kamp III waar de gaskamers zich bevonden, pleegde gedurende het proces zelfmoord. Van de andere aangeklaagden kregen er zes gevangenisstraf, waarvan één levenslang en de rest drie tot acht jaar. In München vond er van 18 tot 21 januari 1965 een proces plaats tegen Josef Oberhauser die werkzaam was geweest in Belzec. Andere SS’ers die dienst deden in Belzec hadden ook in Sobibor gewerkt en waren daarom al tijdens het eerdere proces in Hagen aangeklaagd en bestraft. Oberhausen kreeg een gevangenisstraf van viereneenhalf jaar.

In de Sovjetunie werden na de oorlog enkele processen uitgevoerd tegen Oekraïners die deelgenomen hadden aan Aktion Reinhard. Eén van deze processen werd uitgevoerd in Kiev in 1962 en 1963. Tien van de aangeklaagden kregen de doodsstraf en een ander werd bestraft met vijftien jaar gevangenisstraf. Tijdens een tweede proces in Kiev werden in 1965 drie Oekraïnse bewakers die dienst hadden gedaan in Belzec en Sobibor bestraft met de doodstraf. Het merendeel van de deelnemers aan Aktion Reinhard werd echter nooit voor het gerecht gebracht.

De terreinen waarop de drie vernietigingskampen van Aktion Reinhard zich hadden bevonden, zijn tegenwoordig nationale monumenten. Gedenktekens herinneren nog aan de genocide die hier plaatsgevonden heeft.


Bronnen

Boeken

- United States Holocaust Memorial Museum
- Death-Camps.org
- Deutsches Historisches Museum
Versie: 4-4-2016 Artikel door: Kevin Prenger

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/1479/Aktion-Reinhard.htm