Lichte kruisers van de Tromp-klasse

Inleiding

In 1922 had een vlootwetcommissie bepaald uit welke schepen de vloot van de Koninklijke Marine de komende jaren minimaal zou moeten bestaan. In oktober 1923 werd dit vlootwetsontwerp verworpen door de Tweede Kamer. In 1930 werd door de toenmalige minister van Marine, dr. L.N. Deckers, het aanbouwbeleid voor de marine bepaald van 1930 tot 1940. Het zogenaamde Vlootplan Deckers omvatte slechts de helft van het aantal te bouwen eenheden in vergelijking met het in 1922 voorgestelde plan en werd daarom ook wel het ďhalve minimumĒ genoemd. Vooral de duurste oorlogsschepen, kruisers, waren steeds aanleiding tot discussies in de Nederlandse politiek. Er gingen vele stemmen op om ze weg te bezuinigen maar minister Deckers kon door zijn goedgekeurde vlootplan de bestaande kruisers van de Java-klasse, Hr. Ms. Java en Hr. Ms. Sumatra, behouden. Bovendien was er in het plan een derde lichte kruiser voorzien die in 1936 in dienst werd gesteld als Hr. Ms. De Ruyter.

De Koninklijke Marine had echter behoefte aan twee kleinere kruisers, ter vervanging van de verouderde pantserschepen Hr. Ms. Hertog Hendrik en Hr. Ms. Jacob van Heemskerck, die eventueel ook zouden kunnen fungeren als leider van een flottielje torpedobootjagers. Om de politiek beladen term kruiser te vermijden voorzag het Vlootplan Deckers dan ook in de aanbouw van twee flottieljeleiders. In de praktijk zouden deze schepen echter wel degelijk de taken van een lichte kruiser kunnen en gaan vervullen.

Het ontwerp van de beide flottieljeleiders was afgeleid van plannen die ingediend waren door de Britse scheepsbouwers van Thornycroft en Yarrow. Zij hadden begin jaren `30, op Nederlands verzoek, ontwerpen overlegd die veelal uitgingen van een vergroot type Britse torpedobootjagers van de A- tot en met de H-class. Uiteindelijk werden de tekeningen niet aangekocht, maar werd besloten om een Nederlands ontwerp te laten maken door de Nederlandse Vereeniging Scheepsbouw Bureaux, een consortium van vijf grote ondernemingen dat in 1935 speciaal tot stand was gekomen voor marineprojecten. Het resultaat was een eigen ontwerp gebaseerd op het Britse voorontwerp. De ingenieurs G. `t Hoofd en W.M. den Hollander ontwierpen de definitieve versie van de nieuwe schepen.

Het ontwerp was meer dan een flottieljeleider of een grote torpedobootjager. De schepen, die een standaard waterverplaatsing van 3.450 ton zouden krijgen, hadden een lichte bepantsering aan beide zijden van de romp, op de dekken en munitiekokers, volgens een schema dat ook voor Hr. Ms. De Ruyter was gebruikt. Hiervoor werd 900 ton gehard staal geÔmporteerd van de Duitse firma Krupp. Door het toepassen van twee Werkspoor Parsons turbines, die een machinevermogen van 56.000 pk opleverden, kon een maximale snelheid van ruim 32 knopen behaald worden. De toepassing van een zware primaire bewapening, die bestond uit zes 15cm kanonnen, leverde samen met de snelheid en de bepantsering het typische concept van een kruiser op: zwaarder bewapend en bepantserd dan de directe tegenstander en sneller dan grotere vijandelijke schepen die een direct gevaar vormden.

In 1935 werden de twee nieuwe oorlogsschepen besteld bij de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij (NSM) te Amsterdam en zouden Tromp en Jacob van Heemskerck gaan heten. Met de bouw van de eerste flottieljeleider zou echter pas in januari 1936 begonnen worden en het groene licht voor de bouw van de tweede werd pas in de tweede helft van 1938 gegeven, na de indienststelling van Hr. Ms. Tromp. Op 10 mei 1940, de dag dat de Duitsers Nederland binnenvielen, was de Jacob van Heemskerck nog in de afbouwfase. Het schip kon ontkomen naar Engeland en werd daar afgebouwd als luchtafweerkruiser.

De beide schepen van de Tromp-klasse zouden de gehele Tweede Wereldoorlog overleven en waren na de ondergang van Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java, tijdens de Slag in de Javazee in de nacht van 27 op 28 februari 1942, de belangrijkste Nederlandse oppervlakteschepen. Zij werden tijdens deze periode vooral ingezet als kruisers en maar zelden als flottieljeleiders. De geallieerde bondgenoten spraken alleen maar over lichte kruisers als het Hr. Ms. Tromp en Hr. Ms. Jacob van Heemskerck betrof. Daarom worden de beide schepen door historici nog altijd geklasseerd als lichte kruisers.


Klasse overzicht en technische gegevens na afbouw

Hr. Ms. TrompHr. Ms. Jacob van Heemskerck
Gebouwd bijNederlandse Scheepsbouw Maatschappij te Amsterdam
Bouwnummer240274
Op stapel gezet17 januari 193631 oktober 1938
Te water gelaten24 mei 193716 september 1939
In dienst gesteld18 augustus 193810 mei 1940
Grootste lengte131,95 meter
Grootste breedte12,43 meter
Diepgang4,32 meter
Waterverplaatsing standaard3.450 ton
Waterverplaatsing volbeladen4.225 ton
Machine installatie2 x Werkspoor Parsons stoomturbines, 4 x Yarrow ketels
Machine vermogen56.000 pk
Schroeven2 x 3-bladige schroeven met een diameter van 3,9 meter
Actie radius5.000 zeemijlen bij 10 knopen, 1.400 zeemijlen bij 32 knopen
Maximale snelheid32,5 knopen
Bunker capaciteit860 ton stookolie
Bemanning295 koppen
Primaire bewapening3 x 2 15cm Bofors nr. 11 kanonnen5 x 2 10,2cm Mk 16 kanonnen type HA/LA
Luchtafweer2 x 2 40mm Bofors en 2 x 2 12,7mm Vickers mitrailleurs1 x 4 40mm Vickers Mk 8 en 6 x 1 20mm Hispano Suiza mitrailleurs
Overige bewapening2 x 3 53,3cm torpedokanonnen, 12 V53 torpedo`s2 x 1 dieptebomwerpers
Boordvliegtuig1 x Fokker C 11W drijvervliegtuig-
Bepantseringgordel-, dek-, toren- en munitiekokerbepantsering 15 tot 25mm

De originele hoofdbewapening van Hr. Ms. Tromp werd bij Wilton-Fijenoord te Rotterdam gebouwd onder licentie van het Zweedse Bofors. De zes kanonnen van 15cm, in drie dubbelopstellingen, konden een elevatie van 60 graden maken en hadden een effectieve schootsafstand van 17.500 meter. De twee dubbelopstellingen 40mm Bofors mitrailleurs bevonden zich met de vuurleiding op een apart mitrailleurdek op het achterschip. Het geheel was op drie assen gestabiliseerd volgens het Bofors-Hazemeyer systeem.

Omdat de vuurleiding voor de primaire bewapening van Hr. Ms. Jacob van Heemskerck in Amsterdam was achtergebleven, werden in Engeland de 15cm kanonnen vervangen voor vijf tweelingtorens met 10,2cm kanonnen. Deze waren van het type High Angle/Low Angle zodat ze ook tegen luchtdoelen ingezet konden worden. De torpedokanonnen werden verwijderd zodat de fundaties gebruikt konden worden voor twee van de vijf tweelingtorens. Verder werden de originele acht 40mm Bofors mitrailleurs verwijderd omdat ook voor deze bewapening geen vuurleidingsysteem voorhanden was. In plaats daarvan kwam een 2-pondervierling van 40mm. De Britse 2-ponders bezaten hetzelfde kaliber als de Bofors maar hadden een lagere vuursnelheid en droegen minder ver dan hun Zweedse tegenhangers. Desondanks bleven de Britten trouw aan hun Vickers product dat beter bekend stond als pom-pom.

Omdat de lichte kruisers van de Tromp-klasse ontworpen waren voor dienst in tropische wateren was er veel aandacht besteed aan ventilatie. Er waren enkele afzuiginstallaties aangebracht en de schepen waren voorzien van veel patrijspoorten. Verder beschikten de kruisers over een aantal elektrische Hollima Norge koelkasten en drinkwaterkoelers in de volksverblijven.


Hr. Ms. Tromp (deel 1)

Op 18 augustus 1938 werd Hr. Ms. Tromp in dienst gesteld door commandant kapitein-ter-zee (KTZ) L.A.C.M. Doorman. De maanden daarna werden gebruikt om het schip en de bemanning in te werken. Tijdens een bezoek aan Lissabon, Portugal, op 15 januari 1939, werd de Tromp aangevaren door het Duitse passagierschip MS Orinoco (9.660 ton) van de Hapag Linie. Het schip ramde de lichte kruiser aan stuurboord in de midscheeps. De schade aan de scheepshuid werd in een droogdok onderzocht en bleek gelukkig mee te vallen. De reis werd afgebroken en Hr. Ms. Tromp keerde terug naar Den Helder om gerepareerd te worden. Op 3 juli 1939 nam kapitein-luitenant-ter-zee (KLTZ) J.W. Termijtelen het commando van de Tromp over van commandant Doorman.

In augustus 1939 ontstond er een reŽle oorlogsdreiging en werd Hr. Ms. Tromp met spoed naar Nederlands Oost-IndiŽ gestuurd. Op 19 augustus 1939 vertrok de nieuwe kruiser uit Den Helder en kwam reeds op 10 september aan in Sabang, Noord-Sumatra. Vanaf die dag stond Hr. Ms. Tromp onder bevel van de Commandant Zeemacht (CZM) in Nederlands Oost-IndiŽ, vice-admiraal H. Ferwerda. Vanaf 3 september 1939, de dag dat Groot-BrittanniŽ en Frankrijk de oorlog verklaarden aan Duitsland en de Tweede Wereldoorlog uitbrak, hield de Tromp, net als alle andere Nederlandse oorlogsschepen in de Oost, zich bezig met het handhaven van de Nederlandse neutraliteit. Toen Duitsland op 10 mei 1940 Nederland binnenviel en ons land meegezogen werd in het wereldwijde conflict, werd in de Nederlandse kolonie de algehele mobilisatie afgekondigd. De Nederlandse oorlogsschepen in Nederlands Oost-IndiŽ werden vanaf dat moment vooral ingezet om Nederlandse en geallieerde koopvaardijschepen te beschermen. In deze periode werd op 19 juli 1941 KLTZ J.B. de Meester de nieuwe commandant van Hr. Ms. Tromp.

Op 25 november 1941 werd Hr. Ms. Tromp met spoed naar Tandjong Priok, Batavia, Java, gestuurd om olie te laden waarna de lichte kruiser de opdracht kreeg ten zuiden van Java te zoeken naar de verdwenen Australische lichte kruiser HMAS Sydney. De Sydney was op 19 november in gevecht gekomen met de Duitse hulpkruiser Kormoran en brandend in de nacht verdwenen. Zonder nog een radiobericht naar de Australian Admiralty te kunnen sturen was de Australische kruiser gezonken. Bij de ondergang van HMAS Sydney waren alle 645 opvarenden om het leven gekomen. Hr. Ms. Tromp keerde dan ook op 1 december onverrichter zake terug in Soerabaja, Java. Op 7 december 1941 vielen de Japanners de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor aan op Ohau, HawaÔ. De volgende dag verklaarden de Verenigde Staten, Groot-BrittanniŽ en Nederland de oorlog aan Japan.

Om als geallieerde strijdkrachten gezamenlijk tegen de Japanse invasies en veroveringen in het Verre Oosten te kunnen ageren, werd het ABDA-command (American, British, Dutch and Australian Command) op 28 december 1941 opgericht, dat onder commando stond van de Britse General Archibald Wavell. ABDACOM besloot op 2 februari 1942 over te gaan tot het samenstellen van een Allied Striking Force. Deze striking force bestond uit geallieerde oorlogsschepen die de taak kregen de Japanse invasievloten te stoppen. De commandant van dit aanvalseskader werd de Nederlandse schout-bij-nacht Karel Doorman en Hr. Ms. De Ruyter werd vlaggenschip van het geallieerde smaldeel.

De eerste actie van het geallieerde aanvalseskader was die in de Gaspar Straten, de naast elkaar liggende zeestraten tussen de eilanden Banka en Billiton ten oosten van Sumatra. Hierbij probeerde Doormans striking force een Japanse invasievloot te onderscheppen die vanuit de Zuid-Chinese Zee onderweg was om het zuiden van Sumatra, met de rijke olievelden rond de hoofdstad Palembang, te bezetten. De Allied Striking Force bestond uit de Nederlandse lichte kruisers Hr. Ms. De Ruyter, Hr. Ms. Tromp en Hr. Ms. Java, de Britse zware kruiser HMS Exeter en de lichte Australische kruiser HMAS Hobart. De kruisers werden beschermd door vier Nederlandse en vier Amerikaanse torpedobootjagers. Tijdens een nachtelijke passage van de Stolzestraat liep de Nederlandse torpedobootjager Hr. Ms. Van Ghent op een rif en moest verlaten en vernietigd worden. Tegen de middag van 15 februari 1942 werd het geallieerde eskader aangevallen door Japanse vliegtuigen en zonder bescherming van eigen jachtvliegtuigen was de Allied Striking Force kansloos. Onder zware bommenregens werden de geallieerde oorlogsschepen teruggedreven naar Java. Zuid-Sumatra en Palembang werden al op 16 februari 1942 door de Japanners bezet.

Drie dagen na de aftocht uit de Gaspar Straten werd door een Nederlandse vliegboot een kleine Japanse invasievloot verkend die op weg was naar Bali. Dit ten oosten van Java gelegen eiland was belangrijk voor de geallieerden omdat zich hier een vliegveld bevond. Als dit in Japanse handen zou vallen, zou Soerabaja, de belangrijkste marinehaven, binnen het vliegbereik van Japanse bommenwerpers komen. Doormans aanvalseskader was echter verspreid over verschillende havens op Java. Daarom werd besloten de Japanners aan te vallen in verschillende aanvalsgolven. Terwijl de Japanse invasie op Bali bijna voltooid was, op de zuidoostkust van het eiland, viel schout-bij-nacht Doorman als eerste de begeleidende Japanse torpedobootjagers Asashio en Oshio aan met de kruisers De Ruyter en Java. De 15cm kanonnen van de kruisers namen de vijandelijke schepen onder vuur in de eerste fase van de Slag in Straat Badoeng maar richtten nauwelijks schade aan. De beide kruisers gingen verder in noordelijke richting zodat de torpedojagers Hr. Ms. Piet Hein, USS Pope en USS John D. Ford een aanval met torpedo`s konden doen. In het gevecht dat volgde werd de Piet Hein tot zinken gebracht en werden de beide Amerikaanse schepen verdreven. Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java hadden hun noordelijke koers aangehouden op zoek naar andere vijandelijke schepen. Zij keerden de volgende morgen terug in Soerabaja zonder nog in actie te zijn geweest.

De tweede fase van de Slag in Straat Badoeng vond plaats in de nacht van 19 op 20 februari 1942. Hr. Ms. Tromp en de vier torpedobootjagers van de American 58th Destroyer Division, USS Stewart, USS Parrot, USS John D. Edwards en USS Pillsbury raakten in gevecht met de Asashio en Oshio. De Amerikaanse destroyers vuurden 15 torpedo`s af op de Japanse torpedobootjagers die echter allemaal misten. Daarna ontstond een artillerieduel waarbij over en weer weinig schade werd toegebracht. Hr. Ms. Tromp bleef al die tijd op de achtergrond om de Japanners plotseling aan te kunnen vallen als de Amerikanen het gevecht zouden afbreken. Op het moment dat het weer stil en donker werd, ging men er op de Tromp van uit dat het nachtelijke gevecht tussen de jagers was beŽindigd. Met een vaart van 31 knopen zette de Nederlandse kruiser de aanval in. Om 02:07 uur meldde een uitkijk dat hij iets waarnam over stuurboord. Even later werd Hr. Ms. Tromp gevangen door een zoeklicht. Op dat moment sloeg een Japanse granaat, met een enorme klap, in de romp. Aan boord van de Tromp was men volledig verrast, maar men reageerde snel door vlug de kanonnen over stuurboord te baksen en met het stuurboordzoeklicht tegen te schijnen. Ondanks dat Hr. Ms. Tromp nu met de 15cm kanonnen en de 40mm mitrailleurs het Japanse vuur beantwoordde kreeg het schip nog meer treffers te verwerken, onder andere op de navigatiebrug en de commandotoren. Commandant De Meester verbrak voor een moment de radiostilte en seinde: ďBadly damaged, badly damagedĒ. Daarna werd het weer stil in de ether. De Tromp wist inmiddels een voltreffer te plaatsen op de brug van de Oshio. Het vuurgevecht, dat plaatsvond op een afstand van 4 ŗ 5.000 meter, werd na ongeveer 6 minuten afgebroken.

Om 02.19 uur waren de Japanse torpedobootjagers Arashio en Michishio, die ter versterking Straat Badoeng binnengevaren waren, binnen schootsafstand. Wederom ontstond een kort artillerieduel waarbij Hr. Ms. Tromp en de Amerikaanse destroyers de Michishio zo zwaar toetakelden dat deze later van het strijdtoneel moest worden weggesleept. Hr. Ms. Tromp had tijdens de tweede fase van de Slag in Straat Badoeng in totaal 11 granaattreffers gekregen waardoor grote schade was ontstaan. Het brugcomplex en de commandotoren hadden het het zwaarst te verduren gekregen. Hierdoor kon de vuurleiding niet meer bediend worden. De zoeklichten en de gyrokompassen waren onklaar geraakt en er bevond zich een gat in de scheepshuid onder de stuurboordwaterlijn, dat door stutten en schoren tijdelijk gedicht werd. Er waren 10 doden en 30 gewonden te betreuren. De Nederlandse kruiser had echter fel van zich afgebeten en 72 15cm granaten en 240 40mm kogels afgevuurd. Op eigen kracht kon de Tromp het strijdperk verlaten en keerde in noordelijke richting, via Straat Badoeng, terug naar Soerabaja.

Op 22 februari 1942, om 13:00 uur, liep de zwaar gehavende kruiser de haven van Soerabaja binnen. Nadat het schip was afgemeerd werden de doden en gewonden aan wal gebracht. Oud-opvarende P. van Hest schreef hier later over: ďWeer terug in de haven keken we naar de doden en gewonden die werden weggebracht. Zo waren je vrienden weg en toen kwam het, ik stond aan boord en moest even gaan zitten, ik begon te huilen. Ik weet niet precies hoelang, in die tijd moesten we het nemen zo goed als we kondenĒ. De schade werd provisorisch hersteld in Soerabaja, maar inmiddels hadden duizenden mensen Soerabaja verlaten, op de vlucht voor de oprukkende Japanners. Hierdoor was de marinewerf onderbemand en werd door de Commandant Zeemacht, vice-admiraal Helfrich, besloten dat de definitieve reparaties aan de Tromp in AustraliŽ plaats moesten vinden. De volgende dag werd olie geladen en keerden de gewonden die aan boord verpleegd konden worden terug. Om 17:00 uur verliet Hr. Ms. Tromp Soerabaja en kwam op 27 februari 1942 behouden aan in Fremantle, West-AustraliŽ.

De 11 Japanse treffers die Hr. Ms. Tromp op 20 februari 1942 had moeten incasseren bleken de redding van het schip te betekenen. De Allied Striking Force, waartoe de Tromp had behoord, werd in de nacht van 27 op 28 februari 1942 tijdens de Slag in de Javazee verpletterend verslagen. Door de gedwongen uitwijking naar AustraliŽ kon de Tromp ontkomen aan de geallieerde nederlaag in Nederlands Oost-IndiŽ.


Hr. Ms. Tromp (deel 2)

Vroeg in de avond van 27 februari 1942 vertrok Hr. Ms. Tromp uit Fremantle en zette koers naar Sydney aan de oostkust van AustraliŽ. Hier waren de juiste faciliteiten aanwezig om de lichte kruiser te repareren. Op 3 maart kwam het schip aan in Sydney Harbour en ging meteen door naar de marinewerf op Cockatoo Island. De Tromp werd hier niet alleen hersteld maar ook gemoderniseerd. De Nederlandse kruiser werd uitgerust met een Asdic-installatie en een Britse Range Director Finder (RDF) van het type 286P, een soort primitieve radar. Om de apparatuur voor de Asdic, een ultrakortegolf afstand- en peilinginstallatie ter opsporing van onderzeeboten, te kunnen huisvesten werd aan het nieuwe brugcomplex een soort erker gebouwd. Voor de bestrijding van onderzeeboten kreeg de Tromp de beschikking over vier dieptebomwerpers. Verder werd de torpedolanceerinrichting vervangen voor een Britse zodat Hr. Ms. Tromp torpedo`s kon lanceren die in gebruik waren bij de Royal Navy. Bovendien werd de secundaire bewapening uitgebreid met twee 7,6cm kanonnen en zes 20mm Oerlikon mitrailleurs. Om al deze nieuwe apparatuur en wapens te kunnen bedienen werd de bemanning bijgeschoold en uitgebreid met marinepersoneel dat op een of andere manier kans had gezien tijdig te vluchten uit Nederlands Oost-IndiŽ. Eind april 1942 waren de werkzaamheden voltooid. Omdat Nederland nu geen zelfstandig opererende marine meer had werd Hr. Ms. Tromp voorlopig ingedeeld bij Task Force 71 van de US 7th Fleet onder bevel van Rear Admiral Chistie.

Onder Amerikaans operationeel bevel voerde Hr. Ms. Tromp tot eind 1943 konvooidiensten uit in Australische wateren. Vanaf eind 1942 gebeurde dit steeds vaker in samenwerking met zusterschip Hr. Ms. Jacob van Heemskerck en de Nederlandse torpedobootjagers Hr. Ms. Van Galen (2) en Hr. Ms. Tjerk Hiddes. De laatstgenoemde waren N-class destroyers die de Koninklijke Marine had overgenomen van de Royal Navy. Op 8 oktober 1943 nam KLTZ F. Stam het commando van Hr. Ms. Tromp over van commandant De Meester die sinds 16 augustus 1942 bevorderd was tot kapitein-ter-zee. Vanaf eind oktober lag de Tromp in onderhoud in Sydney. Tijdens deze onderhoudsperiode werden nogmaals twee 7,6cm kanonnen geÔnstalleerd en werden de vier 12,7 machinegeweren vervangen voor vier .50 Browning mitrailleurs. Tevens werd de verouderde RDF installatie vervangen voor het nieuwe type Britse radar 272. Deze werd in de mast geplaatst en aangesloten op de vuurleiding. Het totale aantal bemanningsleden werd opgevoerd tot 380 koppen. Een maand later waren de werkzaamheden klaar en werden de nieuwe wapens ingeschoten en de nieuwe apparatuur getest in de Port Philip Bay bij Melbourne. Op 2 december 1943 vertrok Hr. Ms. Tromp uit Melbourne en ontving kort na het vertrek het bericht dat zij samen met Hr. Ms. Van Galen (2) deel uit zou gaan maken van de British Eastern Fleet, die onder commando stond van Admiral Sir James Somerville en gestationeerd was te Trincomalee, Ceylon.

Vanaf 17 januari 1944 maakte Hr. Ms. Tromp deel uit van de British Eastern Fleet die behalve Britse oorlogsschepen bestond uit Australische, Nieuw-Zeelandse en Amerikaanse schepen en het slagschip Richelieu van de Vrije Fransen. De eerste maanden van 1944 werden gebruikt om te oefenen. Vanaf half maart werd de British Eastern Fleet steeds vaker ingezet bij offensieve acties tegen de Japanners. Deze acties waren gericht op het verdrijven van Japanse oorlogsschepen uit de Indische Oceaan en het voorbereiden van heroveringen van Brits, Frans en Nederlands koloniaal grondgebied. Op 19 april 1944 werd Operatie Cockpit uitgevoerd waarbij Britse en Amerikaanse duikbommenwerpers, afkomstig van de carriers HMS Illustrious en USS Saratoga, Sabang, Noord-Sumatra bombardeerden. Hierbij werd grote schade aangericht aan Japanse haveninstallaties en schepen. Een maand later volgde een vergelijkbaar scenario toen, in het kader van Operatie Transom een succesvolle luchtaanval werd uitgevoerd op Soerabaja, Java.

Eind juli volgde de tweede aanval op Sabang. Deze operatie, die de codenaam Crimson kreeg, had als doel de Noord-Sumatraanse haven onbruikbaar te maken voor de Japanners. Het aanvalseskader van schepen van de British Eastern Fleet bestond uit de slagschepen HMS Queen Elizabeth, HMS Valiant, de slagkruiser HMS Renown en de carriers HMS Victorious en HMS Illustrious, begeleid door een groot aantal torpedobootjagers. Hr. Ms. Tromp kreeg samen met de drie Q-class destroyers HMS Quilliam (dit schip zou op 11 november 1945 in Nederlandse dienst komen als Hr. Ms. Banckert (2)), HMS Quickmatch en HMS Quality de opdracht om de baai van Sabang binnen te stomen en Japanse schepen, olievoorraden en werkplaatsen te vernietigen. Dit zou een van de weinige malen zijn dat Hr. Ms. Tromp ingezet werd als flottieljeleider. In de vroege ochtend van 25 juli 1944 stoomden de vier schepen in kiellinie, HMS Quilliam voorop om het navigeren voor de overige schepen te vergemakkelijken, de baai van Sabang binnen. Om 06:57 uur opende Hr. Ms. Tromp het vuur met haar 15cm geschut. De Japanse kustbatterijen werden als dekking onder vuur genomen door de Britse slagschepen. Voor een scheepswerf werd een Japans munitieschip getroffen dat letterlijk de lucht in vloog. Op het moment dat de afstand tot de wal kleiner werd, naarmate de vier geallieerde gevechtsschepen verder de baai binnenvoeren, werd ook vuur afgegeven door de 7,6cm kanonnen en de 40mm mitrailleurs. De drie Britse torpedobootjagers die zich ook in de strijd gemengd hadden kregen een aantal treffers te verwerken van Japans geschut. Om 07:13 uur kreeg ook Hr. Ms. Tromp de eerste treffers. Een antenne werd stukgeschoten en een granaat sloeg in op de voorafstandmeter.

Om 07:20 stoomden de vier geallieerde schepen de haven weer uit en lieten een haven achter die volledig in puin lag. Hr. Ms. Tromp had 205 15cm, 51 7,6cm en 770 40mm granaten afgevuurd in amper 25 minuten tijd. Pas op dit moment realiseerde de bemanning van de Nederlandse lichte kruiser zich, dat de Tromp meerdere malen getroffen was. Er waren gelukkig geen slachtoffers gevallen omdat de Japanse granaten niet tot ontploffing waren gekomen. Een Japanse 13cm granaat werd teruggevonden in een vergiet in de kombuis en door kwartiermeester Hendriks buiten boord gegooid. Een vijandelijke 12 cm granaat was op het pantserrooster, boven de ketels, terecht gekomen en door de hitte leverde het projectiel een groot gevaar voor ontploffing op. Majoor-machinist P. Steenaard wikkelde zich in natte, jute zakken en begaf zich ondanks de enorme hitte in de schoorsteenomloop. Daar wikkelde hij de 30 kilo zware granaat in een zak en zette deze koelbloedig overboord. Hij zou er later voor onderscheiden worden met de Bronzen Leeuw. Direct na aankomst in Trincomalee meerde de Tromp af langszij het reparatieschip HMS Artifex om de opgelopen schade voorlopig te repareren. Commandant Stam schreef later over de geslaagde aanval op Sabang: ďHet kan niet ontkend worden, dat wij geluk hebben gehad, omdat de Japanse granaten niet gesprongen waren; niemand aan boord had enig letsel opgelopen. Onaangenamer was de treffer in het kombuis, die een groot deel van de kachels had vernield. De haat tegen de Japanners, waarin behalve hoofd en hart nu ook nog de maag betrokken werd, nam er zo mogelijk nog door toe.Ē

Op 25 september 1944 vertrok Hr. Ms. Tromp weer naar AustraliŽ voor definitieve reparaties, onderhoud en modernisering. Gedurende de maanden oktober, november en december lag de Tromp op de Naval Dockyard op Garden Island in Sydney Harbour. De Britse radar werd vervangen voor twee Amerikaanse types. Een Type SC-4 voor luchtdoelen en een Type SG-1 om oppervlaktedoelen op te sporen. Bovendien kreeg het Nederlandse schip de beschikking over een Britse Type 282 artillerieradar voor de 40mm opstellingen. Pas tegen het einde van februari was alle nieuwe apparatuur geÔnstalleerd en getest. Intussen was de British Eastern Fleet aangevuld met Britse oorlogsschepen en opgedeeld in een British East Indies Fleet en een British Pacific Fleet. Hr. Ms. Tromp werd ingedeeld bij de eerstgenoemde vloot die haar basis bleef houden te Trincomalee. Op 27 april 1945 ging operatie Dracula van start: de Britse landingen bij Rangoon, Birma. De Tromp werd ingezet bij operatie Bishop die ten doel had deze landingen dekking te geven vanuit de lucht en vanaf zee. Bovendien moest de taskforce van operatie Bishop verhinderen dat de Japanners uitvallen konden doen naar de eilandengroepen Amadanen en Nicobaren ten noorden van Sumatra en ten zuiden van Birma. Tijdens een kustbombardement van Cap Nicobar, op 30 april, explodeerde een 15cm granaat van Hr. Ms. Tromp op het moment dat deze de loop verliet. Hierdoor vielen twee doden en veertien gewonden. Ondanks deze tegenslag nam Hr. Ms. Tromp op 6 mei weer actief deel aan het derde bombardement op de Nicobaren waarbij de Nederlandse kruiser twee vijandelijke kustbatterijen uitschakelde op Ross Island.

De Amerikanen waren intussen aan hun grote opmars naar Japan begonnen waarbij verschillende aanvallen op Nederlands Oost-Indisch grondgebied op het programma stonden. De Nederlandse regering vond het wenselijk dat ook de Nederlandse vlag vertegenwoordigd zou zijn tijdens deze geallieerde aanvallen. Daarom werd Hr. Ms. Tromp overgeplaatst naar de American 7th Fleet. Tijdens de periode bij de 7e Amerikaanse Vloot nam Hr. Ms. Tromp deel aan de landingen op Borneo bij Balikpapan in juni 1945. De deelname bestond vooral uit het beschermen van mijnenvegers die de stroken zee mijnenvrij maakten voor de Amerikaanse en Australische amfibische landingen. Na 1 juli, de dag waarop de eigenlijke landingen plaats vonden, verleende Hr. Ms. Tromp en een aantal Amerikaanse kruisers artilleriesteun aan de geallieerde aanvallen.

Na de Japanse capitulatie, op 15 augustus 1945, verbleef Hr. Ms. Tromp nog maandenlang in bevrijd Nederlands Oost-IndiŽ om te assisteren bij de opvang van ex-krijgsgevangenen en om Nederlandse schepen te beschermen tegen Indonesische nationalisten. De Tromp werd hierbij geholpen door enkele andere Nederlandse oorlogsschepen zoals de juist gearriveerde onderzeeboot Hr. Ms. Tijgerhaai. Op 3 mei 1946 arriveerde Hr. Ms. Tromp, na een afwezigheid van bijna 7 jaar, in Amsterdam. Voor alle aanwezigen onder de duizenden toeschouwers, die de Tromp nog kenden van voor de oorlog was het schip bijna onherkenbaar. Door de verschillende moderniseringen in AustraliŽ had de lichte kruiser een ware metamorfose ondergaan. Vanaf half mei werd het schip in groot onderhoud genomen op de werf van de Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM). Deze onderhouds- en moderniseringsperiode duurde tot 1 juli 1948.

Tot 14 juli 1953 oefende Hr. Ms. Tromp veel met smaldeel 5 waarvan de lichte kruiser zelfs een periode vlaggenschip was. Verder werd het schip gebruikt voor vlagvertoon en opleidingen voor adelborsten. Vanaf die 14e juli werd de lichte kruiser opgelegd in Den Helder. Op 1 december 1955 werd de Tromp geclassificeerd als immobiel schip en ingericht als logementschip te Den Helder. Begin 1958 verschenen de eerste rapporten over de slechte conditie van de verwarming en het sanitair aan boord. Eind 1959 bleek uit een nieuw rapport dat de algemene staat van de oude kruiser nog verder verslechterd was. Het bovendek begon door te roesten en het sanitair werd afgekeurd. Bovendien liet de warmwaterketel het regelmatig afweten. Op de Rijkswerf werd de Tromp gerepareerd en verbouwd waarna het schip op 15 mei 1962 naar Rotterdam werd versleept. Op de werf van de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) deed het schip dienst als logementschip tijdens de verbouwing van de Nederlandse kruiser Hr. Ms. Zeven ProvinciŽn. Op 22 juni 1964 keerde de Tromp terug in Den Helder en deed dienst als dependance van het, als drijvend magazijn in gebruik zijnde, bevoorradingsschip Zuiderkruis. Op 20 december 1968 werd de Tromp definitief van de sterkte afgevoerd en voor sloop verkocht aan Simons Handelsmaatschappij in Rotterdam. Deze firma verkocht de afgedankte kruiser door aan een Spaanse sloperij te Castellon. Op 6 juni 1969 begon de laatste reis van de voormalige lichte kruiser toen de zeesleepboot Hector van Bureau Wijsmuller haar de haven van Den Helder uitsleepte op weg naar de Spaanse sloper.


Hr. Ms. Jacob van Heemskerck (deel 1)

Begin mei 1940 lag de Jacob van Heemskerck nog op de werf van de NSM te Amsterdam. Er werd in die dagen rekening gehouden met een eventuele Duitse inval. Daarom was de afbouw van de Jacob van Heemskerck versneld. Een groot aantal inspecties werd niet uitgevoerd om tijd te winnen en de machines hadden een week lang proefgedraaid terwijl het schip aan de afbouwkade lag. Op 10 mei, `s avonds om half zeven, werd de lichte kruiser haastig in dienst gesteld door eerste officier LTZ 1 Jhr. A. van Foreest die tevens als waarnemend commandant fungeerde. Van de bijna honderd manschappen machinekamerpersoneel waren er nog maar 23 aan boord. Ook van het overige personeel was slechts een klein gedeelte aanwezig. Omdat de vuurleiding nog ontbrak konden de kanonnen niet afgevuurd worden. Bovendien was er nog geen gyrokompas aan boord, enkel een klein kompas uit ťťn van de motorsloepen. Desondanks werd besloten met het schip naar Engeland te varen om het uit handen van de Duitsers te houden.

Om half negen `s avonds werd Hr. Ms. Jacob van Heemskerck door sleepboten richting IJmuiden getrokken terwijl de machines langzaam meedraaiden. Tegen middernacht was de onderbemande kruiser door de grote sluizen bij IJmuiden gesleept en hier besloot de waarnemende commandant de oversteek te wagen zonder sleepboten omdat dit toch een stuk sneller zou gaan. Omdat er maar ťťn ketelruim bezet was kon het nieuwe schip niet sneller varen dan 15 mijl per uur, maar op zaterdagmorgen 11 mei bereikte het de Downs, de wateren tussen Dover en de Goodwin Sands, de zandbank in het nauw van Calais.

De volgende dag ging de onafgebouwde lichte kruiser door naar Portsmouth waar nog andere Nederlandse oorlogsschepen zich hadden verzameld. Op 14 mei kwam commandant KLTZ Jhr. van Holthe aan boord die opgehouden was door zijn andere taken als adjudant van koningin Wilhelmina. Zijn eerste zorg werd nu om de bemanning op volle oorlogssterkte te krijgen. De meeste bemanningsleden die aan boord van de Van Heemskerck kwamen, waren afkomstig van andere Nederlandse oorlogsschepen. De bemanningen van de andere schepen werden langzamerhand aangevuld met marinepersoneel dat, op allerlei wijzen, kans had gezien Engeland te bereiken. De prioriteit werd echter gelegd bij de nieuwe kruiser omdat voor dit schip een speciale opdracht voorzien was.

Door de snelle Duitse successen en het onzekere lot van Groot-BrittanniŽ had koningin Wilhelmina besloten dat prinses Juliana en haar twee dochtertjes, Beatrix en Irene, naar Canada moesten uitwijken. Hr. Ms. Sumatra en Hr. Ms. Jacob van Heemskerck werden voor deze taak aangewezen. Alleen deze beide lichte kruisers waren snel genoeg om de oversteek in een aanvaardbare tijd te maken. De Van Heemskerck vertrok op 25 mei naar Falmouth om voorbereid te worden op de reis. Er werd haastig een degaussingskabel aangebracht (om magnetische mijnen te misleiden) en er werden voorraden aan boord gebracht. Op 2 juni vertrok het schip, nog steeds zonder werkend gyrokompas en werkende kanonnen, naar Milford Haven, Wales, waar de Sumatra reeds aanwezig was. Prinses Juliana en haar dochtertjes scheepten in op de Java-klasse kruiser en nog diezelfde avond verliet het kleine eskader de haven. Op 11 juni kwamen de beide Nederlandse kruisers aan in Halifax, Nova Scotia, en de volgende dag vertrok het koninklijke gezelschap naar Ottawa. Hr. Ms. Sumatra ging verder richting Nederlands West-IndiŽ en Hr. Ms. Jacob van Heemskerck keerde terug naar Falmouth waar zij werd afgebouwd en verwapend.

Pas eind januari 1941 waren de werkzaamheden aan boord van Hr. Ms. Jacob van Heemskerck ver genoeg gevorderd zodat de opwerkperiode van schip en bemanning kon beginnen. Er volgden een aantal weken van proefvaarten en oefeningen om oorlogsgereed te worden. Tijdens ťťn van de hoge snelheidsproeven werd een vaart van ruim 33 mijl behaald. Uiteraard werd veel aandacht besteed aan schietoefeningen om de nieuwe artillerie bekend te maken bij de artilleristen aan boord. Na de opwerkperiode volgde een langere tijd waarin het nieuwe Nederlandse oorlogsschip dienst deed als konvooibegeleider in Britse wateren. De konvooidiensten werden alleen onderbroken door een korte onderhoudsperiode in Belfast, Noord Ierland, bij Harland and Wolf, in september 1941. Op 28 december, liggend in Milford Haven, kwam het bericht binnen dat Hr. Ms. Jacob van Heemskerck zich zo snel mogelijk naar Nederlands Oost-IndiŽ moest begeven om de Nederlandse vloot aldaar te versterken.

De reis ging eerst naar de Liberiaanse hoofdstad Freetown, aan de West-Afrikaanse kust, als ťťn van de escortes van een belangrijk konvooi. Daarna ging het Nederlandse schip alleen verder richting Kaapstad waar enkele reparaties werden uitgevoerd. Via de Seychellen ging de reis naar Trincomalee, de geallieerde marinehaven op Ceylon. Hier trof men, op 21 februari 1942, Hr. Ms. Sumatra aan die kort daarvoor uit Nederlands Oost-IndiŽ was gekomen. Van de bemanning van de Sumatra werd vernomen dat de situatie in de Oost verre van rooskleurig was en dat de geallieerden op vele fronten verslagen werden door de Japanners.

De volgende dag ging de Jacob van Heemskerck op weg naar Tandjong Priok, Batavia, Java. Op 28 februari werden verschillende telegrammen ontvangen die meldden dat er een beslissende zeeslag in de Javazee werd uitgevochten tussen het geallieerde eskader van schout-bij-nacht Karel Doorman en de begeleidende oorlogsschepen van de Japanse invasievloot. Op 1 maart kreeg de bemanning van de Van Heemskerck de bevestiging van de ondergang van Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java. De nieuwe luchtverdedigingkruiser was te laat om mee te vechten tegen de Japanners. Reeds de volgende dag was het oorlogsschip op de terugweg naar Trincomalee.

In de loop van de ochtend van 3 maart 1942 werd een Japans verkenningsvliegtuig waargenomen. Het vijandelijke vliegtuig werd meteen onder vuur genomen maar bleef op een veilige afstand. Tegen de middag doken negen Japanse bommenwerpers op die het op de Nederlandse luchtafweerkruiser voorzien hadden. Commandant Holthe liet aanzetten naar 26 mijl terwijl er met tien minuten tussenpauze twee zware bomaanvallen uitgevoerd werden op het Nederlandse oorlogsschip. Door briljant uitgevoerde uitwijkmanoeuvres en door niet aflatend vuren op de vliegtuigen wist de kruiser te ontkomen aan een directe treffer. Alle bommen gingen naast maar sommige waren angstig dichtbij. Eťn bom kwam op minder dan tien meter van het achterschip tot ontploffing waardoor dit gedeelte van het schip een stuk uit het water werd gelicht.

Drie dagen later, op 6 maart 1942, arriveerde Hr. Ms. Jacob van Heemskerck in Trincomalee waar de lichte kruiser meteen ingedeeld werd bij de Britse Eastern Fleet onder commando van Admiral Sir James Somerville. Tijdens oefeningen in de volgende maanden bleek dat er een ernstig defect aan de stuurinrichting was, dat al eerder geconstateerd was maar nu steeds hinderlijker merkbaar werd. Admiral Somerville stuurde de Nederlandse kruiser naar de dichtstbijzijnde geallieerde oorlogshaven waar de Van Heemskerck in dok kon gaan. Dit was Simonstown, Kaapstad, Zuid-Afrika. Hier werd de schade, die waarschijnlijk opgelopen was tijdens het Japanse bombardement op 3 maart, hersteld. Pas op 27 juni 1942 vertrok de Nederlandse kruiser uit Zuid-Afrika en zette koers naar Trincomalee.


Hr. Ms. Jacob van Heemskerck (deel 2)

In september1942 was de British Eastern Fleet betrokken bij de bezetting van Madagascar. De Britten waren bang dat dit door Vichy Fransen, die pro nazi-Duitsland en Japan waren, verdedigde eiland in Japanse handen zou vallen. Behalve de Nederlandse kruiser Hr. Ms. Jacob van Heemskerck waren ook de Nederlandse torpedobootjagers Hr. Ms. Van Galen (2), Hr. Ms. Tjerk Hiddes en enkele Britse schepen, waaronder het vliegdekschip HMS Illustrious en het slagschip HMS Warspite, voor de verdediging van de Britse amfibische landingen aangewezen. Bij de landingen werd weinig tegenstand ondervonden zodat de geallieerde oorlogsschepen nauwelijks in actie behoefden te komen.

Intussen had de Amerikaanse marineleiding verzocht Hr. Ms. Jacob van Heemskerck, Hr. Ms. Van Galen (2) en Hr. Ms. Tjerk Hiddes te stationeren in Fremantle, West-AustraliŽ. De Amerikaanse en Australische marines hadden ter plaatse te weinig schepen beschikbaar om in- en uitgaande troepentransporten te begeleiden. De Nederlandse marineleiding, die zich in Londen bevond, stemde toe. In AustraliŽ werden de drie Nederlandse oorlogsschepen, eind oktober 1942, samen met de Australische kruiser HMAS Adelaide, als Taskforce (TF) 71.4 ingedeeld onder de Commander Allied Naval Forces Western Australia, de Amerikaanse Rear Admiral C. A. Lockwood. Eind december 1942 werd de formatie versterkt door Hr. Ms. Tromp.

Vanaf 27 februari 1943 onderging Hr. Ms. Jacob van Heemskerck een modernisering in Sydney. Tijdens deze periode, die tot half april zou duren, werden de 6 originele Hispano Suiza 20mm mitrailleurs vervangen voor 20mm Oerlikons. Verder werd een Asdic-installatie ingebouwd. De luchtafweerkruiser werd bovendien uitgerust met twee extra dubbele 40mm Bofors mitrailleurs waarvan de vuurleiding aangesloten werd op een Brits type 282 radar. De installatie van een nieuw type 285 radar om luchtdoelen op te sporen en een type 272 radar voor oppervlaktedoelen maakten de modernisering compleet.

Op 30 april 1943 nam KTZ W. Harmsen, de voormalige commandant van Hr. Ms. Campbeltown en Hr. Ms. Isaac Sweers, het commando van Hr. Ms. Jacob van Heemskerck op zich. Tot half december van dat jaar bleef de Nederlandse lichte kruiser opereren met TF 71.4 waarna het schip op weg ging naar Groot-BrittanniŽ voor groot onderhoud. Op 14 januari kwam Hr. Ms. Jacob van Heemskerck aan in Gibraltar na een reis via Port Said, Malta en Algiers. Voorlopig zou er echter niets van groot onderhoud komen omdat de commandant van de Britse Middellandse Zeevloot, Admiral Cunningham, dringend behoefte had aan escorteschepen ter bescherming van geallieerde konvooien. Een luchtafweerkruiser was daarbij zeer welkom. Vijf maanden lang deed Hr. Ms. Jacob van Heemskerck dienst als konvooibegeleider in de Middellandse Zee met als basis Gibraltar. Op 27 mei 1944 werd KTZ W. van den Donker de nieuwe commandant van de Nederlandse luchtafweerkruiser. Enkele weken later, op 9 juni, vertrok Hr. Ms. Jacob van Heemskerck dan toch naar Liverpool voor het inmiddels hoognodige onderhoud. Vijf dagen later arriveerde het schip in de Engelse havenstad en ging meteen door naar de werf van Camell Laird & Co. Ltd. Door het oponthoud van bijna een half jaar was er veel achterstallig onderhoud zodat de werfperiode een jaar duurde. Tijdens de onderhoudsperiode nam KLTZ G.A. Berg, op 15 september 1944, de bevelvoering over de Nederlandse kruiser op zich. Pas op 16 juli 1945 was de Van Heemskerck klaar voor proefvaarten die op de Mersey gehouden werden. Tien dagen later arriveerde de luchtafweerkruiser in Amsterdam en was daarmee het eerste Nederlandse oorlogsschip dat een Nederlandse haven bezocht na de bevrijding.

Halverwege september 1945 vertrok Hr. Ms. Jacob van Heemskerck, samen met Hr. Ms. Van Galen (2), naar Nederlands Oost-IndiŽ waar de schepen dezelfde taken kregen als Hr. Ms. Tromp. Na de terugkeer van de lichte kruiser in Nederland, in augustus 1946, en een korte onderhoudsperiode werd het schip gebruikt als escorteschip van het vliegkampschip Hr. Ms. Karel Doorman en als artillerie-instructieschip. Vanaf 12 maart 1951 werd de kruiser gestationeerd in Vlissingen en voornamelijk gebruikt als logementschip. Op 1 oktober 1954 werd Hr. Ms. Jacob van Heemskerck immobiel verklaard en alleen nog maar ingezet als logement- en accommodatieschip. Van september 1957 tot juli 1958 lag de immobiele kruiser in Schiedam om de kernbemanning van Hr. Ms. Karel Doorman te huisvesten tijdens de grote verbouwing en modernisering van het vliegkampschip op de werf van Wilton-Fijenoord. Hierna zou de Van Heemskerck nog tien jaar dienen als logementschip in Vlissingen totdat het schip op 20 november 1969 buiten dienst werd gesteld en op 27 februari 1970 van de sterkte afgevoerd werd. Op 23 juni van datzelfde jaar werd de oude kruiser voor sloop verkocht aan Van Castricum & Co. te Rotterdam die het schip de volgende maand doorverkocht aan een slopersfirma in Alicante, Spanje.


Besluit

Beide lichte kruisers van de Tromp-klasse hadden tijdens de Tweede Wereldoorlog een uitstekende reputatie opgebouwd. Bij de bemanningen omdat de schepen onder een gelukkige vlag schenen te varen. Hr. Ms. Tromp bewees een goed incasseringsvermogen te hebben en overleefde elf directe granaattreffers in de Slag in Straat Badoeng. Verder liep het schip alleen schade op tijdens de aanval op Sabang maar het geluk lachte de bemanning toe doordat de ingeslagen Japanse granaten niet explodeerden. Hr. Ms. Jacob van Heemskerck liep tijdens de gehele oorlog geen enkele schade van betekenis op. De bemanning noemde het schip dan ook liefkozend Oude Jacob en voelde zich, ondanks de steeds aanwezige oorlogsgevaren, betrekkelijk veilig aan boord. De kruisers hadden ook een goede reputatie opgebouwd bij de Koninklijke Marine die door de offensieve kwaliteiten van Hr. Ms. Tromp en de defensieve kwaliteiten van Hr. Ms. Jacob van Heemskerck over lichte kruisers beschikte, die overal en onder alle omstandigheden ingezet konden worden. De bondgenoten waardeerden de Tromp-klasse kruisers vooral omdat zij steeds de taken konden uitvoeren die van hen verlangd werden ook al waren die zwaar of moeilijk.

Niet alleen de geoefendheid en inzet van de bemanningen maakten van de Tromp en de Van Heemskerck uitstekende schepen. Ook het ontwerp was uitstekend. Vooral door het relatief zware geschut was Hr. Ms. Tromp bijna de volmaakte synthese van slagkracht, snelheid en wendbaarheid, zij het op kleine schaal. Hr. Ms. Jacob van Heemskerck bleek een zeer goed functionerende basis te zijn om als luchtafweerkruiser uitgerust te worden. Het ontwerp was niet alleen functioneel en effectief. Hr. Ms. Tromp en Hr. Ms. Jacob van Heemskerck waren door hun ranke stroomlijn en evenwichtige opbouw ook mooie schepen.

Nadat de nieuwe kruisers Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. De Zeven ProvinciŽn in 1953 in dienst gesteld waren, namen deze schepen de taken van Hr. Ms. Tromp en Hr. Ms. Jacob van Heemskerck over. Vooral door de zeer intensieve inzet van de beide Tromp-klasse lichte kruisers tijdens de Tweede Wereldoorlog, waren zij feitelijk na vijftien jaar opgevaren. Noodgedwongen sleten zij hun laatste jaren dan ook als logementschepen. Tijdens deze periode, die vijftien jaar duurde, werd de goede reputatie van Hr. Ms. Tromp en Hr. Ms. Jacob van Heemskerck maar al te gemakkelijk vergeten.


Bronnen

Boeken


Versie: 5-11-2012 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2272/Lichte-kruisers-van-de-Tromp-klasse.htm