Fall Gelb, het Duitse offensief in het Westen

Inleiding

Inleiding
Na de Duitse invasie in Polen ("Fall Weiß") op 1 september 1939 ontstond er een situatie in het westen, waar Duitse en geallieerde legers tegenover elkaar in stelling lagen. Gedurende deze periode - wat de Engelsen de "Phoney War", de Fransen de "Drôle de Guerre" en de Duitsers de "Sitzkrieg" noemden - gebeurde er vrijwel niets. Voor velen was het wachten op het onvermijdelijke. Feitelijk had Hitler al geconcludeerd dat, door zijn niet-aanvalsverdrag met de Sovjet-Unie en de oorlogsverklaringen van Frankrijk en Groot-Brittannië, deze laatste twee landen zijn meest waarschijnlijke aanvalsdoelen zouden worden. Voor deze aanval liet hij dan ook de nodige plannen ontwerpen. Voor de invasie van Nederland, België, Luxemburg en Noord-Frankrijk werd "Fall Gelb"opgezet. Met "Fall Rot" zou de volgende stap, de onderwerping van geheel Frankrijk zelf plaatsvinden.

De Fins-Russische Winteroorlog en de dreiging dat de geallieerden via Noorwegen de Finnen te hulp konden komen, maakten echter dat Hitler zijn aanval in het westen nog even moest uitstellen. Via de Noorse havens ontving Duitsland immers de voor haar oorlogsinspanningen zo hoognodige ijzerertsen. Om de toevoer zeker te stellen werd daarom in april 1940 eerst Noorwegen binnengevallen en werd en passant Denemarken even meegenomen. Deze operatie staat bekend als "Fall Weserübung". Nog voor de Noorse campagne goed en wel was afgesloten, kwam ook het rustige front aan Duitslands westgrens tot ontbranding.

Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen Nederland, België en Luxemburg binnen en werd (via Luxemburg) na enige dagen de grens van Frankrijk overschreden. In deze actie met codenaam "Fall Gelb" lokten de Duitse troepen de geallieerde legers naar het noorden (waar ze hun verdedigende posities wilden innemen langs de rivieren de Dijle en de Maas) om ze daarna met een krachtige aanval door de Ardennen en verder langs de Frans-Belgische grens af te snijden van de rest van Frankrijk. Hierna zou men zich geheel kunnen richten op dat overgebleven deel van Frankrijk. Deze laatste fase zou als "Fall Rot" in werking treden, zodra de belangrijkste doelstellingen van "Fall Gelb" bereikt waren.

De afgesneden troepen konden voor een deel ontkomen tijdens de spraakmakende evacuatie uit Duinkerken (Operation Dynamo), maar deze manschappen waren voorlopig niet meer inzetbaar. Niet alleen omdat elk verband tussen deze troepen ontbrak, maar ook omdat ze geestelijk nog niet toe waren aan een volgende opdracht. Daarnaast - en dat was misschien nog wel het belangrijkste - hadden ze nagenoeg alle wapens en uitrustingen op de stranden van Duinkerken moeten achterlaten en vervanging was niet voorhanden.


Geen verrassing?

Geen verrassing
Op 10 januari 1940 steeg een Duits verbindingsvliegtuig van het type Messerschmitt Bf 108 op van het vliegveld in Münster met bestemming Keulen. Aan boord bevonden zich de piloot, Major Erich Hönmann, en een passagier Major Helmut Reinberger. Deze laatste was op weg vanaf Münster naar een bespreking in Keulen met stafleden van de 22.Infanterie-Division. Reinberger was binnen de staf van Kurt Student’s 7.Flieger-Division aangewezen als liaison officier tussen de 7.Flieger-Division en de 22.Infanterie-Division. De piloot raakte in de mist de weg kwijt en moest vanwege een storing aan de benzinetoevoer een noodlanding maken. De noodlanding lukte en de beide inzittenden overleefden de klap. Ze wisten toen niet dat ze waren terechtgekomen op Belgisch grondgebied, in het gehucht Vucht, vlakbij Maasmechelen, een plaatsje ongeveer 15 km ten noorden van Maastricht.

Van een frontpost in de buurt kwamen soldaten 13e Infanterie Divisie op de crash af en zagen een man in een uniformjas bezig papieren te verbranden. Het vuurtje werd uitgetrapt en de restanten van de documenten werden in beslag genomen.De beide Duitse majoors werden meegenomen voor ondervraging. Op de commandopost deed de passagier nog een poging de om de documenten te bemachtigen met de bedoeling ze te vernietigen. Door snel handelen van de Belgische kapitein Alfons Rodrique kon dit voorkomen worden. Het was niet verwonderlijk dat Major Reinberger zo zijn best deed. De documenten bleken de Duitse bevelen voor de de Luftflotte 2 (te bombarderen en te sparen zones), de plannen voor de 7.Flieger-Division voor het overvallen van de bruggen over de Belgische Maas en een informatieblad met gegevens over de Belgische troepen, vernielingen en versperringen.

Hoe dichter men naar mei 1940 kwam, hoe duidelijker de signalen werden dat een Duitse aanval op handen was. Vanuit diverse bronnen en van militaire inlichtingendiensten kwamen alarmerende rapporten binnen over troepenopbouw en –concentraties langs de grenzen. Geallieerde bommenwerperbemanningen, terugkerend van missies, rapporteerden al regelmatig militaire colonnes in de grensstreken. De Zwitserse inlichtingendienst had al gewaarschuwd dat acht tijdelijke militaire bruggen in Duitsland over de Rijn waren gelegd. Ook de Nederlandse GS-III had dergelijke informatie binnen gekregen en in januari en februari waren meldingen binnengekomen over het zich in gereedheid opstellen van de 9.Panzer-Division tegenover Nederland. Op 9 mei werden de troepenconcentraties langs de Belgische en Nederlandse grens opgemerkt en om 23u15 die dag had de Belgische regering al een algemeen alarm afgekondigd.

De Nederlandse militaire attaché in Berlijn, majoor Gijsbertus J. Sas had verscheidene malen zijn superieuren gewaarschuwd voor een op handen zijnde aanval. Hij was goed bevriend met een Abwehrofficier, Oberst Hans Oster. Oster was een echte Duitse officier. Hij bleef, ook onder Hitler, in het Duitse leger dienen, om de simpele reden dat het niet in de gedachte van de officier opkwam om zich tegen zijn regering te verzetten, hoewel hij een diep wantrouwen koesterde tegenover het nationaalsocialisme. Uiteindelijk zou Oster in 1945 worden opgehangen voor zijn vermeende aandeel in de aanslag op Hitler op 20 juli 1944. Oster was een officier van de oude stempel en fervent aanhanger van de Duitse keizer. Majoor Sas had in het verleden cursussen bijgewoond op de Duitse Höhere Kriegsschule, waar hij Oster had leren kennen. Tussen deze beide mannen was een hechte vriendschap ontstaan. Doordat deze vriendschap al bestond voor de opkomst van Hitler, werd deze nooit door de Abwehr als verdacht beschouwd. Oster had aan majoor Sas, iedere keer dat een aanvalsdatum bekend was, deze datum doorgegeven, informatie die hij overigens ook doorspeelde aan België en anderen.

Een andere alarmerende gebeurtenis was de ontvoering, na een schietpartij bij de grens te Venlo, van twee Britse geheimagenten van MI-6 door de Duitse Sicherheitsdienst (SD) op 9 november 1939. Hierbij werd de Nederlandse liaison, de GS-III agent 1e luitenant Dirk Klop, gedood. Dit Venlo-incident had al aangetoond dat beide inlichtingendiensten de nodige aandacht besteedden aan het Nederlands grondgebied. Bij deze, door de SD/SS opgezette, val werd getracht de Nederlandse regering te kunnen koppelen aan geheime verbindingen met de Britten. Hiermee zou Duitsland een excuus krijgen voor een preventieve bezetting van Nederland. De gebeurtenis bezorgde Nederland internationaal een enorme reputatieschade in het neurtaliteitsstreven dat men trachtte hoog te houden. In diezelfde maand werd bij Denekamp een ontdekking gedaan van een grote uniformensmokkel. Deze smokkel had de Nederlandse Inlichtingendienst en de Legerleiding voldoende overtuigd dat een Duitse aanval op handen was.

De Duitse inval was dus niet geheel een verassing. Uiteraard kon men er van uitgaan dat na het verlies van de documenten de plannen aangepast zouden worden - en dit gebeurde ook - en verder bleek uit de documenten niet wanneer de inval zou plaatsvinden. Vanaf dat moment wisten de regeringen van Nederland en België dat van neutraliteit op langere termijn geen sprake meer kon zijn.


De voorgeschiedenis

De voorgeschiedenis
Nog tijdens de Poolse campagne deelde Adolf Hitler aan zijn chef-adjudant, Oberst R. Schmundt mee dat, zo spoedig mogelijk na het aflopen van de vijandelijkheden in Polen, de troepen in het westen opnieuw zouden worden ingezet. Op 12 september 1939 liet Hitler al aan zijn topgeneraals weten dat hij voornemens was om in het westen aan te vallen. Op 27 september ontbood hij de bevelhebbers van de Duitse Heer, Kriegsmarine en Luftwaffe voor een topbespreking. Tijdens dit overleg zette Hitler voor het eerst zijn toekomstige operatieplannen uiteen. Hitler deelde mee dat er een operatie voorbereid diende te worden, waarbij Frankrijk zou worden aangevallen via Zuid-Nederland (Limburg) en België. Dit plan stuitte op hevig verzet bij de Duitse Generaals. volgens hen was het Duitse leger nog lang niet op het niveau dat zij het tegen de Fransen op kon nemen. Zonder enige discussie aan te gaan gaf hij zijn officieren de opdracht een dergelijk plan op te stellen. Als dag voor de aanval werd 25 november 1939 aangewezen.
Op 3 oktober 1939 kreeg Generaloberst Fedor von Bock, toen bevelhebber van Heeresgruppe B, de opdracht om te verschijnen op het hoofdkwartier in Berlijn. Uiteindelijk moest hij daar tot 9 oktober wachten voor een overleg met de Oberbefehlshaber des Heeres, Generaloberst Walther von Brauchitsch. Ondanks tegenwerpingen van het OKH (Oberkommando des Heeres) had Hitler op 9 oktober “Weisung Nr. 6 für die Kriegführung” afgegeven. Hoewel het plan de daarop volgende maanden diverse keren zou veranderen, bleef het einddoel altijd hetzelfde en volgde het de doelstellingen van "Weisung nr. 6", waarin Hitler onder andere aangaf:

- Op de noordelijke vleugel van het westelijke front zou een offensief ingezet worden dwars door België, Luxemburg en Nederland. Deze aanval moest zo krachtig mogelijk zijn en zo snel mogelijk worden uitgevoerd.
- Het doel van deze operatie was zoveel mogelijk Franse en geallieerde strijdkrachten te vernietigen, de nodige basis te veroveren om een aanval met lucht- en zeestrijdkrachten te doen op Groot-Brittannië en het vitale Ruhrgebied tegen vijandelijke acties te beschermen.

Heeresgruppe B bestond uit de 4. Armee (Generaloberst Günther von Kluge) en de 6. Armee (Generaloberst Walther von Reichenau). Beide bevelhebbers werden op 11 oktober door Von Bock ontboden in zijn hoofdkwartier te Bad Godesberg. Beide raadden ten zeerste de voorgenomen aanval af, wijzend op het debacle tijdens de Eerste Wereldoorlog. Naar aanleiding van dit onderhoud stelde Von Bock op 12 oktober een memorandum op, waarin hij adviseerde de aanval niet door te laten gaan en af te wachten wat de geallieerden van plan waren.

De Duitse Generale staf was intussen, onder leiding van stafchef General der Artillerie Franz Halder, op basis van Hitlers opdracht, een aanvalsplan aan het opstellen en negeerde hierbij, in opdracht van Hitler, het advies. Het OKH vaardigde dan ook op 19 oktober 1939 de Aufmarschanweisung Gelb (Nr. 1) uit. Hierin was vastgelegd dat 75 divisies zouden worden ingezet om het Franse leger te verslaan en Nederland, België en Noord-Frankrijk te bezetten. Het zwaartepunt zou in Noord-België komen te liggen. De bezetting van Nederland zou ondernomen moeten worden door een nieuwe Armee-Abteilung N(ord), terwijl Heeresgruppe B, bestaande uit de 2. Armee, 6. Armee en twee Panzergruppen, België moest veroveren en eventuele Franse hulp moest uitschakelen.

De linkerflank (zuidelijk) van deze operaties diende te worden beschermd door Heeresgruppe A (General der Infantrie Gerd von Rundstedt). Voor Heeresgruppe C (General der Infanterie Wilhelm Ritter von Leeb) was een taak weggelegd om de dreiging overeind te houden tegenover de Franse “Maginot-linie”. Veel meer bevatte dit plan-Schlieffen (gebaseerd op het Von Schlieffen-plan uit de Eerste Wereldoorlog) niet en het kreeg dan ook vanuit de legergroepen veel kritiek te verwerken. Ook OKW-chef (Oberkommando der Wehrmacht) Generaloberst Wilhelm Keitel en Hitler zelf hadden kritiek op het plan. Vooral de aanval op Nederland, die frontaal via de Grebbelinie moest verlopen, kreeg de nodige kritiek te verduren. Het OKH en OKW overlegden op 22 oktober teneinde een oplossing te vinden. Vooral werd hierin overwogen om geheel af te zien van een aanval op het kernpunt van de Nederlandse verdediging, de Vesting Holland.

Hitler ging zich nu zelf met de plannen bemoeien en liet zich door de diverse bevelhebbers voorlichten. Hij opperde aanvankelijk een plan, waarin de hoofdaanval langs het zuiden van Luik zou plaatsvinden. Luik was een zwaar versterkt punt in de Belgische verdediging en zou in de plannen telkens omtrokken worden. Er van uitgaande dat de geallieerden Vlaanderen zouden binnentrekken, zou men hen dan kunnen omsingelen en uitschakelen. Tijdens de hierop volgende besprekingen met het OKH veranderde Hitler echter weer van inzicht. De hoofdaanval moest nu gaan bestaan uit een frontale aanval ten noorden en ten zuiden van Luik. Pantsereenheden moesten die aanval dragen. Zodra de oversteek van de Maas was beveiligd, zou de volle aanval van de 6. Armee plaats moeten vinden. Met deze uitgangspunten diende het OKH rekening te houden bij het opstellen van het aanvalsplan. Op 29 oktober kwamen zij uit met de vernieuwde Aufmarschanweisung Gelb (Nr. 2). Een inval van Nederland was nu van de baan, op een doortrekking van Zuid Limburg na. Heeresgruppe B moest dwars door de Belgische verdediging heen breken, terwijl Heeresgruppe A met de 12. Armee en de 16. Armee de linker flank diende te dekken.

Op basis van dit voorstel stelde Hitler de aanvalsdatum vast op 5 november. Door verzet van de legerleiding en groeiende twijfel bij Hitler werd deze datum echter steeds weer uitgesteld. Allereerst stelde Hitler de datum uit tot 12 november, maar al snel werd deze datum wederom verschoven. In totaal zou de aanvalsdatum maar liefst 29 keer worden verzet. De datum van 12 november bleef overigens aan geallieerde zijde niet onopgemerkt. Op 4 november werd door de Britse ambassadeur in Nederland, sir Neville Bland, al aan het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken verteld dat de Britten aanwijzingen hadden dat Duitsland op 12 november Nederland en België zou binnenvallen. De Nederlandse overheid en opperbevelhebber generaal I.H. Reynders namen niet de moeite om Sas in Berlijn te raadplegen, maar stuurden een ander erop uit, de gepensioneerde luitenant-kolonel Hodenpijl, die ook wat contacten had bij de Duitse autoriteiten. Deze autoriteiten verzekerden hem uiteraard dat Duitsland geen enkel plan had om Nederland binnen te vallen en dit werd dan ook als zodanig naar de Nederlandse overheid gerapporteerd. Toch werden de Nederlandse troepen in hoogste paraatheid gebracht, wat later bekend zou worden als het “novemberalarm”.

Stafchef Generalleutnant Erich von Manstein van Heeresgruppe A kreeg door het vele uitstellen van de aanvalsdatum uiteindelijk de tijd om een voorstel te ontwikkelen (hij formuleerde er uiteindelijk zeven), waarin zijn legergroep een grotere rol zou krijgen. Dit plan werd aanvankelijk door het opperbevel afgewezen en Von Manstein werd tijdelijk overgeplaatst. Maar toen Hitler het hoorde, omdat hij de aanstelling van Legerkorpskommandanten persoonlijk toeste, raakte hij in er van in de ban en gaf het opperbevel direct opdracht het in een aanvalsplan uit te werken. Dit "Plan-Manstein" voorzag in het inzetten van gemotoriseerde eenheden en grote tankformaties, die de speerpunten zouden vormen van een aanval over Arlon en Sedan en via de loop van de Oise en de Somme naar de kust zouden doorstoten. Op 11 november 1939 ging het OKH aarzelend akkoord met het opzetten van daarvoor uitgeruste eenheid, vanuit General Heinz Guderian's XIX. Armeekorps.

Ondertussen had ook het OKW niet stilgezeten en onder druk van de Luftwaffe stelde men op 15 november de zogenaamde Holland-Weisung op. Hierbij werd een aanval op Nederland noodzakelijk geacht. De Luftwaffe had geopperd dat Nederland wel eens een springplank zou kunnen worden voor Britse bommenwerpers om van daaruit het belangrijke Ruhrgebied te bombarderen. Tevens zou via de Nederlandse kust en de haven van Rotterdam zeer snel geallieerde versterkingen kunnen worden aangevoerd.

Heeresgruppe B diende nu Nederland tot aan de Grebbelinie te bezetten, terwijl de Kriegsmarine zich op de Waddeneilanden diende te richten. Zo kon bij een Britse landing in Nederland snel worden ingegrepen. Generaloberst Fedor von Bock was hier geheel niet blij mee. Een gedeeltelijke bezetting van Nederland zou zeker een Britse landing uitlokken, waardoor zijn flank zeer kwetsbaar zou worden. Als men dan door Nederland moest aanvallen, dan diende volgens hem geheel Nederland te worden bezet. Pas daarna zouden er troepen vrij komen voor de verdere aanval op België en Frankrijk. Von Manstein ging echter verder met het vervolmaken van zijn plan en voorzag in een gelijktijdig doorstoten in Nederland en België. Het OKH voelde aanvankelijk niet veel voor de opvattingen, maar liet zich uiteindelijk onder druk van Hitler overtuigen. Hitler had zich inmiddels persoonlijk op de hoogte laten stellen door Von Manstein en hij was zeer te spreken over het plan. Zijn tevredenheid betuigde Hitler door de opstelling van “Weisung Nr. 8 für die Kriegführung”, uitgebracht op 20 november. Op 24 februari 1940 kwam uiteindelijk het plan uit als Neufassung der Aufmarschanweisung Gelb.

Het succes hing af van de snelle doorbraak van de Duitse pantsereenheden in de Ardennen. Het primaire doel was om, door een sterk lijkende aanval in België en Nederland, te trachten de geallieerde legers naar het noorden te lokken door Heeresgruppe B. Heeresgruppe A zou dan in een sterke aanval rechtstreeks naar het Kanaal, trachten de geallieerde legers in het noorden af te grendelen van de rest. Het plan werd heel toepasselijk Sichelschnitt (sikkelsnede) genoemd. Een bijkomstig, maar belangrijk voordeel was dat het zwakste punt van de geallieerde defensie aan de Maas ten zuiden van Namen lag. Hier bevond zich de spil van de zwenkende geallieerde linkervleugel en was slechts bezet door twee zwakke Franse legers (het 2e en het 9e), welke verhoudingsgewijs een groot aantal divisies bevatten, bestaande uit reservisten.

Nadat het plan door het Duitse opperbevel was uitgewerkt voorzag het in zijn finale uitvoering in de volgende deelnemende troepen:

In het noorden (van de Noordzee tot aan de zuidpunt van Nederland, tegenover Maastricht) lag Heeresgruppe B onder Generaloberst Fedor von Bock. Deze legergroep bestond uit 29 divisies, waaronder drie pantserdivisies, twee gemotoriseerde divisies en één cavaleriedivisie. Al deze divisies waren ondergebracht in twee legers: de 18. Armee onder General der Artillerie Georg von Küchler en de 6. Armee onder Generaloberst Walther von Reichenau. Voorts kon het rekenen op de vliegtuigen van Luftflotte II onder bevel van General der Flieger Albert Kesselring, waarin ook een luchtlandingkorps onder bevel van Generalleutnant Kurt Student (met de 7. Flieger-Division (valschermtroepen) en de 22. Luftlande-Division van Generalleutnant Hans Graf von Sponeck) was ondergebracht.

Verder naar het zuiden (van de zuidpunt van Nederland tot de zuidoosthoek van Luxemburg) stonden de legers van Heeresgruppe A, onder Generaloberst Gerd von Rundstedt. Deze legergroep bestond uit drie legers (de 4., de 12. en de 16. Armee, samen goed voor 38 divisies) en een Panzergruppe, onder General der Panzertruppen Paul von Kleist, met zeven pantserdivisies. Deze pantserdivisies (tankdivisies) moesten voor de doorbraak in de Ardennen zorgen.

In het zuiden (van Luxemburg tot de Zwitserse grens, tegenover de Maginot-linie) lag Heeresgruppe C onder bevel van Generaloberst Wilhelm Ritter von Leeb. Deze legergroep telde negentien divisies in twee legers (de 1. Armee onder Generaloberst Erwin Witzleben en de 7. Armee onder General Friedrich Dollmann). Deze legergroep had een afwachtende taak diende een dreiging tegenover de Maginotlinie overeind te houden en zou pas in actie komen als de pantsertroepen de Maas over waren om zodoende de linkerflank van Von Kleist te beveiligen.

Het uiteindelijke Duitse plan maakte op een slimme manier gebruik van de geallieerde plannen. Deze waren bij de Duitsers bekend. De geallieerde legers zouden bij een Duitse inval namelijk België binnentrekken tot aan de rivieren de Dijle en de Maas om daar verdedigende stellingen te betrekken. Van het Belgische leger werd verwacht dat het de Duitse troepen zolang kon tegenhouden aan de linie langs het Albertkanaal en voor de forten van Luik, totdat de genoemde stellingen aan Dijle en Maas betrokken waren. Deze manoeuvre stond bekend als het "Plan Dijle" of "Plan D". De Duitsers waren overigens op de hoogte van de Franse ambitie tot het ontwikkelen van een Noordelijke opmars van het Franse 7éme Armée.


De Duitse troepen

De Duitse troepen
De noordelijke sector van de aanval was toegewezen aan het tot Heeresgruppe B behorende X. Armeekorps (Generalleutnant Christian Hansen). Al op 19 november had dit korps haar eigen aanvalsplan uitgewerkt. De 227. Infanterie-Division (Generalmajor Friedrich Zickwolff) zou, aangevuld met de SS-Leibstandarte “Adolf Hitler” (SS-Obergruppenführer Sepp Dietrich, vanaf december 1940 onderdeel van de nieuwe Waffen-SS), de Nederlandse IJssel oversteken bij Zutphen en Deventer. De 207. Infanterie-Division (Generalleutnant Karl von Tiedemann) moest, aangevuld met de SS-Standarte “Der Führer” (SS-Standartenführer Georg Keppler, vanaf december 1940 onderdeel van de nieuwe Waffen-SS) ten noorden van de Rijn oprukken naar de Vesting Holland. Het X. Armeekorps kwam op 29 januari 1940 definitief onder commando van de nieuwe 18. Armee (General der Artillerie Georg von Küchler) , waarbij ook de 1. Kavallerie-Division (Generalmajor Kurt Feldt) en het XXVI. Armeekorps (General der Artillerie Albert Wodrich) werden ondergebracht. Ter ondersteuning zou Generalleutnant Kurt Student met zijn Luftlandekorps (7. Flieger-Division en 22. Luftlande-Division) op diverse plaatsen binnen de Vesting Holland luchtlandingen uitvoeren (zie: Luchtlandingen in de Vesting Holland).

De 1. Kavallerie-Division kreeg de opdracht om de noordelijke provincies te bezetten en via het IJsselmeer de Vesting Holland binnen te dringen. Het X. Armeekorps diende zoals aangegeven de IJssellinie te doorbreken en de Nieuwe Hollandse Waterlinie via de Grebbelinie aan te vallen. Het XXVI. Armeekorps ten slotte moest de Peel-Raamstelling doorbreken en via Brabant naar de Moerdijkbruggen optrekken, de kust van Walcheren bereiken en tegelijkertijd een eventuele geallieerde tegenaanval vanuit Antwerpen tegen houden. Hiervoor had het de beschikking over de 254. Infanterie-Division (Generalleutnant Walter Behschnitt), de 256. Infanterie-Division (Generalmajor Alexander Kauffmann), de SS Verfügungs-Division (SS-Gruppenführer Paul Hausser, dat bestond uit twee SS regimenten, de SS-AA, SS-AR en ondersteunende eenheden) en de 9. Panzer-Division (Generalmajor Alfred Ritter von Hubicki). De 208. Infanterie-Division en de 225. Infanterie-Division zouden als reserve de aanvallende troepen op de voet volgen. De 9. Panzer-Division was maar bescheiden in vergelijking met andere. De 9. Panzer-Division was de jongste Duitse pantserdivisie en als laatste ontstaan vanuit vier lichte divisies die tot een tankdivisie met één tankregiment waren uitgerust. Dit werd echter, gezien de vermeende kracht van het Nederlandse leger, niet als een probleem gezien. Bovendien was deze divisie met de meest moderne tanks uitgerust (Pz.Kpfw. III en Pz.Kpfw.IV).

Meer naar het zuiden diende de 6. Armee aan te vallen. De 6. Armee (onder commando van Generaloberst Walther von Reichenau) zou via Nederlands-Limburg het noorden van België binnenvallen. In deze 6 .Armee waren het IV. (General der Infanterie Viktor von Schwedler), het IX. (General der Infanterie Hermann Geyer), het XI. (Generalleutnant Joachim von Kortzfleisch) en het XXVII. Armeekorps (General der Infanterie Alfred Wäger) ondergebracht, samen goed voor twaalf infanterie- en één tankdivisie, en het XVI. Armeekorps van General Erich Hoepner, waarin een pantserdivisie en een gemotoriseerde divisie zaten.Van groot belang voor het goed slagen van de operaties van de 6. Armee was een snelle verovering van de Belgische verdedigingslinie aan het Albertkanaal, de bruggen erover en het sterke fort Eben-Emael. Hiervoor zou een luchtlandingeenheid, bestaande uit 424 parachutisten, met 42 zweefvliegtuigen worden ingezet onder leiding van Kapitän Walther Koch.

De zuidelijke hoofdaanval door Heeresgruppe A kende een grootse samenstelling. Hier had von Rundstedt de beschikking over 45,5 divisies verdeeld over de 4. Armee (Generaloberst Günther von Kluge), 12. Armee (Generaloberst Wilhelm List) en 16. Armee (General der Infanterie Ernst Busch). Drie pantserkorpsen zouden de voorhoede van de aanval vormen. Deze Panzergruppe-Kleist was opgebouwd uit het XIX. Armeekorps (General der Panzertruppen Heinz Guderian bestaande uit de 1. Panzer-Division (Generalleutnant Friedrich Kirchner), de 2. Panzer-Division (Generalleutnant Rudolf Veiel), de 10. Panzer-Division (Generalleutnant Ferdinand Schaal) en het Grossdeutschland Regiment (Oberstleutnant Wilhelm-Hunert von Stockhausen) , het XXXXI. Armeekorps (Generalleutnant Hans-Georg Reinhardt) met de 6. Panzer-Division (Generalmajor Werner Kempf) en de 8. Panzer-Division (Generalleutnant Adolf Kuntzen) en het XIV. Armeekorps (General der Infanterie Gustav von Wietershiem, eigenlijk een gemotoriseerd korps) met de 13. Infanterie-Division (Generalleutnant Friedrich-Wilhelm von Rotkirch und Panthen) en de 29. Infanterie-Division (Generalmajor Willibald Freiherr von Langermann und Erlencamp). De noordflank van deze oprukkende troepen diende te worden gedekt door het 3. Panzerarmee (General der Infanterie Hermann Hoth, in april 1940 omgevormd uit het XV. Panzerkorps) met de 5. Panzer-Division (Generalleutnant Max von Hartlieb genannt Walsporn) en de 7. Panzer-Division (Generalmajor Erwin Rommel).


De verdediging

De Fransen
Na de Eerste Wereldoorlog gold het Franse leger als één van de best getrainde en uitgeruste legers ter wereld. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was het Franse leger op papier nog steeds formidabel qua omvang. Het was echter vooral defensief ingesteld. Dit was te wijten aan de Franse politieke instelling om een herhaling van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog koste wat kost te voorkomen. Het gehele militaire denken van de Fransen was gebaseerd op een geldverslindend verdedigingsproject, de “Maginot-linie”.

De Franse verdediging was grotendeels gebaseerd op de onneembaar geachte Maginot-linie. De bouw hiervan was in 1929 begonnen onder de bezielende leiding van de toenmalige minister van defensie Maginot. Het idee voor deze linie was ingegeven vanuit de gedachte dat men de kolen- en staalindustrie van Elzas-Lotharingen moest beschermen. Daarnaast wilde men tegen elke prijs voorkomen dat op Frans grondgebied de verschrikkingen van de loopgravenstrijd uit de Eerste Wereldoorlog zich zouden herhalen. Frankrijk zou zich daarom verschansen achter een reeks forten en een eventuele aanvaller dwingen om ten noorden hiervan, in België, een hopeloze strijd te voeren. Vanaf de Frans-Zwitserse grens tot aan de Belgische grens werd een linie van forten gebouwd die welhaast onneembaar leek.

Er waren echter twee grote problemen. Allereerst liep de linie maar tot de Belgische grens. Langs de Belgisch-Franse grens waren slechts minimale verdedigingswerken opgeworpen. Voor het Franse opperbevel was dit echter geen probleem. Deze hoopte dat een vijandelijke aanval al in België kon worden tegengehouden. Een ander probleem was echter ernstiger. De Maginot-linie maakte dat de Fransen zich veilig waanden achter een muur van beton. Dit bracht een vals gevoel van veiligheid met zich mee. Indien deze verdediging toch zou vallen, op wat voor wijze ook, kon dit een sneeuwbaleffect hebben op de moraal van de overige troepen.

Frankrijk was verreweg de grootste partner aan wat later de Geallieerde zijde van de oorlog zou worden. Hierdoor werd de gehele verdedigingsstrategie op het denken en handelen van de Fransen afgestemd. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de chef van de generale staf, Général Maurice Gamelin, opperbevelhebber van alle Franse strijdkrachten in binnen- en buitenland. Direct onder zijn bevel stond Général Alphonse Georges, die alle Franse troepen in Noordoost-Frankrijk aanvoerde. De belangrijkste legermacht onder zijn commando, was het Franse Groupe d'Armées 1, onder bevel van Général Gaston Billotte en bestaande uit de 1ère Armée (Général Georges Blanchard ), de 2ième Armée (Général Charles Huntziger), de 7ième Armée (Général Henri Giraud), de 9ième Armée (Général Corap) en de British Expeditionary Forces (BEF). Deze legergroep was gestationeerd tussen de Kanaalkust en de Maginot-linie. Typerend voor de Franse bevelvoering was dat Général Gaston Billotte zijn legergroep aanvoerde vanuit een hoofdkwartier dat ver achter de linies was gelegen in La Ferté-sous-Jouarre, op slechts 65 km van Parijs. Om de zaken nog ingewikkelder te maken, bevond zich tussen Gamelin en Georges nog een bevelslaag, het Algemeen Hoofdkwartier van de Landmacht onder Général Aimé Doumené. De algemene reserve werd gevormd door het Groupe d'Armées 2, bestaande uit de 3ième Armée ( Général Charles-Marie Condé), de 4ième Armée (Général Edouart Requin) en de 5ième Armée (Général Victor Bourret). De Groupe d'Armées 3 diende de Maginot-linie te verdedigen en bestond uit de 8ième Armée (Général Marcel Garchery).

Het zuidoosten van Frankrijk werd vervolgens verdedigd door de Armée des Alpes (Général René Olry). De overige Franse troepen bevonden zich in het Middellandse Zeegebied (Groupement des Forces Mobiles du Levant), in Noorwegen (Corps Expéditionnaire Français en Scandinavie), in Noord-Afrika (Commandement Supérieur des Troupes de Tunesie) en in de koloniën (Indochina en Madagascar). Naast dit alles kon men nog putten uit gigantische depots, waarmee 2 miljoen man in korte tijd kon worden bewapend en opgeleid.

De statische strategie van Frankrijk kon alleen slagen, indien men in staat was om een zeer mobiel en slagvaardig leger op te bouwen dat snel kon ingrijpen bij een Duitse aanval via België. Hier zat de grote zwakte in het Franse denken. Sinds de Eerste Wereldoorlog had de modernisering van het Franse leger op een laag pitje gestaan. De meeste wapens en tactieken stamden nog uit de tijd van de statische loopgravenstrijd. Het opbouwen van een sterk en mobiel pantserleger hadden de Franse legerleiding en het Franse parlement steeds tegengehouden. De oorzaken hiervoor zijn nog steeds niet helemaal duidelijk. Lieutenant colonel Charles de Gaulle had in zijn werk 'vers l'armee de metier' gepleit voor een gemechaniseerd leger met sterke tankformaties. De politiek conservatieve machten rond Petain en Gamelin, zagen de tank echter vooral als een ondersteuningswapen voor de infanterie. Toch was in 1935 een aanvraag naar de Franse industrie gezonden voor grote aantallen tanks. Deze zouden dan ook in de vorm van moderne typen als de Renault AMR 35 (Automitrailleuse de Reconnaissance Renault Modèle 35 Type ZT), de Renailt R 35, Hotschkiss H 39 en de Somua S 35 in grote aantallen voorhanden zijn in mei/juni 1940.  Frankrijk kende echter ook grote politieke verdeeldheid, die al tot polarisatie van de politieke stromingen had geleid bij de Franse inmenging en latere terugtrekking tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Deze politieke verdeeldheid was langzaam aan omgeslagen in een pacifistisch getinte politiek.

Ondanks de vele verouderde wapens was het Franse leger nog steeds gigantisch in omvang. Ten tijde van de mobilisatie werd een leger opgebouwd, waarvan het veldleger alleen al maar liefst bijna 2,8 miljoen man telde. Dit gigantische leger leverde het opperbevel de nodige logistieke problemen op. Hoe moest men immers een dergelijk leger fysiek getraind houden in een periode met relatief weinig militaire activiteit? Omdat het merendeel van dit leger bestond uit reservisten die liever thuis waren gebleven, was het met de moraal en discipline ook al niet te best gesteld.

Tactisch was het Franse leger nog altijd vooral gebaseerd op inzet van infanterie. Hierdoor was het toch nog omvangrijke pantserwapen (circa 3000 tanks) voornamelijk opgesteld ter ondersteuning van de infanterie en zodoende sterk verspreid over alle legerkorpsen. Een Franse Division Légère Méchanique telde ongeveer 200 tanks. De tanks, verdeeld over pantserregimenten werden zeer gelijkmatig over het front in zogenaamde tankbataljonsformaties verdeeld. De tactiek was er op gericht de tanks over de gehele frontlinie te verdelen ter ondersteuning van de overige eenheden. Hierbij diende zij echter zelfstandig op te treden, dus zonder infanteriesteun zoals de Duitsers deden. Technisch waren de Franse tanks voor deze doctrine ontworpen. Hoewel sommige oudere tanks zoals de Char B-1 log en zwaar bepantserd waren, waren de vele nieuwe tanks snel en licht bewapend, gericht op ondersteuning van de infanterie. Desondanks hadden ze zich goed met de Duitse tanks kunnen meten. De lichte 7 tons Renault R-35 en Hotchkiss H-35 met hun 37 mm kanon en 40mm frontbepantsering waren qua bewapening en bepantsering minstens gelijkwaardig aan de Duitse Pz. Kpfw I en II. De middelzware Sumoa 35 en de zware B1 en B2 waren qua bewapening en bepantsering beduidend beter dan de beste Duitse tanks. Alleen de nog aanwezige (ca. 1500 stuks) Renault FT-17's waren niet meer dan een mitrailleur op rupsbanden. Om de goede kwaliteit van de Franse tanks te kunnen uitbuiten dienden de Fransen hun tanks in te zetten als geconcentreerd wapen, een tactiek die ze echter niet toepasten. Met de overige bewapening was het zeer wisselend gesteld. Qua numerieke aantallen kon het Franse leger beschikken over grote aantallen artillerie, pantserafweer en luchtdoelgeschut. Veel hiervan was echter verouderd of zeer verspreid verdeeld over de eenheden.

De Franse luchtmacht, de l'Armée de l'Air, diende nauw samen te werken met de troepen op de grond. De in aantal grote, maar in kwaliteit verouderde, luchtmacht onder Général Joseph Vuillemin was daarom opgedeeld in operatiezones die overeenkwamen met de legergroepen. Toch viel de l'Armée de l'Air onder het directe bevel van het Ministerie van Defensie en kon het  onafhankelijk opereren. Hoewel qua aantallen de Fransen, zeker samen met de Britten, Belgen en Nederlanders numeriek in de lucht niet de mindere waren, werden ze, evenals de Franse tanks, te verspreid op het front ingezet. Jachtvliegtuigen had men voldoende, maar het aantal bommenwerpers was zwaar beneden de noodzakelijke grootte. Over duikbommenwerpers beschikten de Fransen al helemaal niet. Technisch waren diverse typen vliegtuigen niet slecht, hoewel men in snelheid het vaak moest afleggen. Onder andere de Franse Curtiss H-75, Potez 631 en Morane 406 jagers Hoefden het echter niet onder te doen voor de Messerschmitt Bf 109 en Messerschmitt Bf 110.

De Franse marine, de Marine National, kon wel gelden als één van de modernste. Een deel ervan was uitgevaren naar Noorwegen ter ondersteuning van de campagne daar. Een ander deel was gestationeerd in Noord-Afrika, Madagascar en Frans Indochina. Van de thuisvloot lag het grootste deel in Franse havens aan de Middellandse Zeekust. Tussen 1926 en 1939 was de Franse marine sterk gemoderniseerd.

Tegenover alle tekortkomingen stond een opperbevelhebber in de persoon van Général Maurice Gamelin die blaakte van zelfvertrouwen. Op het moment dat de Duitse troepen hun aanval openden, verbaasde iedereen in het Franse opperbevel zich over de opgewektheid van hun bevelhebber. De Franse premier Paul Reynaud was minder opgewekt. Hij had totaal geen vertrouwen in Gamelin en wilde hem zelfs van zijn bevel ontheffen. Toen zijn minister van Nationale Verdediging, Edouard Daladier, dit niet overnam, wilde Reynaud zelf ontslag nemen, maar trok dit voornemen in ten tijde van de Duitse aanval.

De Britten
Groot-Brittannië had in Frankrijk een deels goed uitgeruste legermacht samengebracht onder bevel van General Viscount Lord John Gort. De British Expeditonary Forces (BEF) was voor een groot deel gemotoriseerd, maar bestond uit slechts drie legerkorpsen met in totaal negen infanteriedivisies, inclusief een pantserbrigade (ong. 300 Mk VI tanks en 16 Matilda Mk II tanks). Het Ist Corps (Lieutenant-general Sir J. Gill) bestond uit de 1st Infantry Division (Major-general Harold Alexander), 2nd Infantry Division (Major-General H.C. Loyd) en de 48th South Midland Division (Major-general Andrew Thorne). Het IInd Corps (Lieutenant-general Sir Alan Brooke) werd samengesteld uit de 3rd Infantry Division (Major-general Bernhard Montgomery), de 4th Infantry Division (Major-general Dudley Johnson) en 50th Northumbrian Division (Major-general G. Le Q. Martel). Beide legerkorpsen werden toegevoegd aan de Groupe d'Armées 1 in Noord-Frankrijk. Het IIIrd Corps (Lieutenant-general Sir R.F. Adam), dat was opgebouwd uit 42nd East Lancashire Division (Major-general W.G. Holmes) en 44th Home County Division (Major-general E.A. Orborne) werd ingezet binnen de Groupe d'Armées 2 als reserve en de Groupe d'Armées 3 ter verdediging van de Maginot-linie. De 5th Infantry Division (Major-general H.E. Franklyn), de 23rd Infantry Division (Major-general A.E. Herbert), de 46th Infantry Division (Major-general H.C. Curtis), de 51st Infantry Division (Major-general V.M. Fortune), de 1st Armoured Division (Major-general Roger Evans) en de 52nd Infantry Division (Major-general J.S. Drew) werden als reserve bij het General Headquarters aangehouden. In Groot-Brittannië werd een vierde legerkorps in reserve gehouden.

Dit 394.000 man tellende BEF was wel uitermate mobiel en kon snel worden verplaatst. De zogenaamde Advanced Air Striking Force (AASF) van de RAF met Bristol Blenheim en Fairey Battle bommenwerpers en twee eskaders Hawker Hurricane jagers was ook meegestuurd en opereerde onder de naam British Air Force France (BAFF). De 160 jachtvliegtuigen, 160 lichte bommenwerpers, 60 verkenningstoestellen en 60 observatietoestellen tellende luchtmacht werd geleid door Air-marshall A.S. Barrat. Daarnaast konden vanuit Groot-Brittannië zelf toestellen van No.14 Group van de RAF worden ingezet. hiernaast werd ook de Fleet Air Arm (FAA) ingezet.

Het BEF kreeg onmiddellijk na aankomst in Frankrijk eind 1939 te maken met een tekort aan munitie, artillerie en luchtafweergeschut. Verscheidene eenheden waren direct uit de mobilisatiebarakken en totaal ongetraind naar Frankrijk gestuurd. Tijdens de wintermaanden in Frankrijk verbeterde er nauwelijks iets aan de situatie. De soldaten verveelden zich en ook hier verslechterde de moraal. De Britse troepen werden beziggehouden met het bouwen van veldverdedigingsposities, die door de Franse strategie en het Dijle-plan totaal nutteloos waren. De posities langs de Dijlelinie werden ingenomen door drie divisies. De noordkant van het Britse vlak, rond Leuven, werd ingenomen door de tot het IInd Corps behorende 3rd Infantry Division. De tot hetzelfde korps behorende 4th Division werd in reserve gehouden. Het zuidelijk deel, ruwweg van Leuven tot Wavre, werd van noord naar zuid ingenomen door de 1st Division en 2nd Divison, welke behoorden tot het Ist Corps. Hier werd de 48th Division in reserve gehouden. De 1st Army Tank Brigade zorgde voor de nodige ondersteuning bij de 2nd Division.

België
Toen het de Belgische legerleiding bekend werd dat de Fransen niet verder zouden oprukken dan de Dijlelinie, paste de Generale Staf haar verdedigingsplannen hierop aan door op 27 april 1939 haar plannen te lanceren omtrent de lijn Antwerpen-Namen, de zogenaamde KW-linie. Hiervoor was de Albertkanaal-Maasstelling de hoofdlinie geweest. Bij een ontruiming van deze linie zouden de Belgische troepen aldus kunnen terugvallen op een nieuwe hoofdlinie. Op 29 augustus 1939 volgde de formele opdracht door de opperbevelhebber koning Leopold III aan de Generale Staf tot het opstellen van een plan de campagne.

Het Belgische leger was voor een klein land naar verhouding talrijk: in actieve dienst waren op 10 mei 1940 maar liefst 4929 beroeps officieren en 16.614 reserve officieren, 12.000 beroepsonderofficieren, 10.000 beroepssoldaten, 46000 reserve-onderofficieren. Totaal waren 630.000 manschappen onder de wapens. Het Veldleger was verdeeld in achttien Infanteriedivisies en twee Divisies Ardense Jagers, ingedeeld in zeven legerkorpsen (hoofdkwartieren in Brussel, Antwerpen en Luik). Voorts een Cavaleriekorps (waarin twee cavaleriedivisies en een gemotoriseerde brigade met hoofdkwartier in Brussel), een Artilleriebrigade in Antwerpen, een Ardenner geweerkorps met hoofdkwartier in Namen. Daarnaast waren er nog drie onafhankelijke grenswielrijdersbataljons, zes onafhankelijke infanteriedivisies en twee onafhankelijke cavaleriedivisies. Binnen de Belgische bevelvoering waren echter drie machtscentra bevel te onderscheiden: koning Leopold III als bevelhebber met zijn raadgever in de vorm van generaal-majoor Raoul van Overstraeten, de stafchef van het leger luitenant-generaal Oscar Michiels en de minister van Defensie luitenant-generaal Henri Denis. De minister van Defensie was verantwoordelijk voor de verdeling van de defensiegelden. Stafchef luitenant-generaal Oscar Michiels kreeg zijn opdrachten direct van koning Leopold III via diens raadgever generaal-majoor Raoul van Overstraeten.

Het standaard infanteriewapen was de Mauser Model 1935, afgeleid van de Mauser Model 1889 dat ook nog werd gebruikt, een goed en modern wapen. De verdere bewapening van het Belgische leger was redelijk te noemen. De Belgische cavalerie was al vanaf 1937 gemotoriseerd. Men had motoren, Latil-tractoren voor het trekken van het geschut, 208 zeer lichte T13 tanks, 50 lichte T15 tanks en 12 Renault AMC35 tanks, waarvan men zelf 8 stuks met een 4,7cm AT kanon had uitgerust. Het Belgische Leger startte de mobilisatie op 26 augustus 1939 en rondde deze voor actieve en eerste reserve voor 4 september af. Daarna werden gefaseerd de tweede reserve-eenheden opgeroepen, wat pas in januari 1940 was afgerond. Vanaf oktober werd er serieus rekening gehouden met een mogelijke Duitse inval en werden de diverse verdedigingswerken bemand en versterkt.

De Belgische luchtmacht, het Vliegwezen of Aeronautique Militaire, (net als in Nederland een onderdeel van het leger) telde drie regimenten, het 1e Luchtvaartregiment (observatie en samenwerking met de landmacht), het 2e Luchtvaartregiment (jachtvliegtuigen) en het 3e Luchtvaartregiment (verkenning). Daarnaast telde de luchtmacht een trainingsschool. Men kon 184 vliegtuigen operationeel brengen, waarvan slechts 70 min of meer modern waren. Een situatie vergelijkbaar met Nederland. De modernste toestellen waren de Gloster Gladiator, de Fiat CR 42, de 11 vliegklare Hawker Hurricane's, Fairey Fox en de Fairey Battle. Met 184 operationele toestellen kon men echter weinig uitrichten tegen de Luftwaffe. Aangezien alleen de 11 Hawker Hurricane toestellen echt modern waren, was de operationele situatie van de Belgische luchtmacht hiermee nog slechter dan die van Nederland.

De Belgische marine stelde weinig voor. Pas op 15 september 1939 was het Marine Korps opnieuw opgericht. In november 1939 werden dienstplichtigen met scheepservaring overgeheveld naar dit Marine Korps (naam zou vlak voor 10 mei worden omgezet in Corps de Marine). Het Corps de Marine telde drie operationele eskaders (1e Eskader te Oostende, 2e Eskader te Zeebrugge en 3e Eskader te Antwerpen), een Training Eskader en een Reserve Eskader. Het varende deel bestond uit enkele kleine patrouilleschepen en enkele tot mijnenvegers omgebouwde viskotters. In Antwerpen en Zeebrugge werd het, nog uit de Eerste Wereldoorlog daterende Duitse, kustgeschut ook door de marine bemand.

België had, op basis van de ervaringen van de Eerste Wereldoorlog, haar verdediging vooral gebaseerd op een aantal statische verdedigingslinies. De belangrijkste linie, die samen met de geallieerden zou bezet worden, was de Antwerpen-Namen-Givetlinie. De linie was potentieel sterk. Men had echter zoveel middelen in de nieuwe grensverdediging gestopt, dat de linie verre van klaar was. Het noordelijke deel van de linie werd gevormd door de Position Fortifiée d'Anvers, welke naar het zuiden toe werd verlengd met de KW-linie (de KW-Linie begon bij Antwerpen, Koninkshooikt en liep tot Wavre). Vanaf Wavre vervolgde de lijn zich met een, op enkele plaatsen onderbroken, anti-tanklijn tot aan de Position Fortifiée de Namur. De linie was echter van daar tot aan Givet nagenoeg zonder enige versterkte verdediging. Ook tussen de KW-linie en de anti-tanklijn zat een nagenoeg onverdedigd gat, het beroemde Gat van Gembloux. Achter de KW-linie bevond zich een verdedigingspositie bij Mechelen. Ook de plaatsen Gent en het zuidelijk gebied bij Brussel kenden hun eigen verdedigingslinies (Tête de Pont de Gand en Centre de Résistance - Ninove, Kester, Halle, Braine-L'Alleud en Waterloo). Dit werd aangeduid met Reduit National, een Belgisch equivalent van de Vesting Holland, maar dan zonder natuurlijke barrières. Langs de Maas tussen Namur en Liège waren ca. 70 bunkers geplaatst bij bruggen om de overgang van de Maas te beletten. Tussen de overgangen lagen echter onverdedigde sectoren. Op een aantal plaatsen was Belgische kust was versterkt met verdedigingswerken met vooral oud geschut en weinig personeel.

Zoals aangegeven, was er door de Belgen veel energie gestoken in nieuwe grensverdedigingswerken. Langs de noordoostgrens, van Antwerpen tot Luik, waren in het kader van de neutraliteitspolitiek 118 bunkers geplaatst langs de kanalen die de plaatsen Antwerpen, Turnhout, Dessel, Bocholt en Lanaken verbonden. Deze lijn sloot aan op de verdediging langs het Albertkanaal. Hier was in het oostelijke deel een reeks van formidabele verdedigingswerken aangebracht, met als spil het fort Eben-Emael. Deze sloot aan op de Position Fortifiée de Liège. Deze laatste vormde de hoofdverdedigingslinie welke de geallieerden de tijd moesten geven om het Dijleplan uit te voeren en bedoeld was om industriële deel van België zo lang mogelijk uit vijandelijke handen te houden. De Ardennen werden ondoordringbaar geacht voor grote legereenheden. Toch werden ook hier verdedigingswerken in de vorm van 321 mitrailleurbunkers aangebracht met als doel een eventuele doorgang van de Ardennen verder te bemoeilijken.

Al met al was de Belgische verdediging zeker niet zwak te noemen. Het was echter vooral een imaginaire verdediging die sterk hinkte op versterking door troepen. De Belgische verdediging was deels geforceerd vanwege de door de Fransen gedwongen wijzigingen in hun eigen strategie. Strategisch wilden de Belgen het zwaartepunt van hun verdedigign lang de Maas voeren en pas in tweede instantie langs de KW-linie. Door de Franse druk kwam deze verdediging echter primair langs de KW-linie te liggen. 

Op 26 augustus 1939 startte België haar mobilisatie met Fase A. In Fase A werden de actieve regimenten op oorlogssterkte gebracht. Hieronder vielen de 1e tot en met de 6e Infanteriedivisie, de eerste Divisie Ardense Jagers, het Cavaleriecorps, de Grenswielrijders, het Vliegwezen (de Belgische luchtmacht), de luchtdoelartillerie en de Vestingtroepen. Op 28 augustus volgde Fase B met het oproepen van de 8e en de 11e Infanteriedivisies en de tweede divisie Ardense Jagers. Met Fase C op 1 september volgden de 7e, 9e, 10e en 12e Infanteriedivisies, de Transporteenheden en twee lichte Regimenten. Op 3 september nam koning Leopold III het opperbevel formeel op zich en zetelde zich in het Groot Hoofdkwartier dat was gevestigd in Fort Breendonk. De volgende fase, Fase D werd in een aantal perioden opgeroepen. Op 11 september de 14e Infanteriedivisie, op 22 september de 18e Infanteriedivisie, op 25 september de 15e en 16e Infanteriedivisies, op 20 oktober de 13e Infanteriedivisie, op 8 november de 17e Infanteriedivisie en op 13 januari 1940 de Services de l'Arrière. Ook werd op 13 januari de Generale Staf omgevormd tot het Hoofdkwartier. Op 10 mei 1940 zou Fase E intreden, de algemene mobilisatie.

Qua opstelling werd de 18e Infanteriedivisie standaard opgesteld achter de kanalen tussen Antwerpen en Turnhout. Groepering K (luitenant-generaal Maurice Keyaarts) met de 1e Divisie Ardense Jagers en de 1e Cavaleriedivisie werd opgesteld in de Ardennen, de 5e Infanteriedivisie in de regio Halle-Ninove en de 16e Infanteriedivisie in de regio Gent en langs de kust. De hoofdmoot van het Belgische leger was opgesteld langs de KW-linie.

Nederland
De politieke situatie in Nederland tijdens het interbellum was de directe oorzaak voor de toestand, waarin het Nederlandse leger zich bevond aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandse verdediging moest rekening houden met een aantal feiten. Ten eerste was het leger te zwak om het hele grondgebied te verdedigen. Men moest zich daarom beperken tot de meest vitale delen. Ten tweede werd een strikte neutraliteit in acht genomen, waardoor eventuele verdedigingslinies niet gezamenlijk met bondgenoten konden worden bestudeerd en aangelegd. Na jaren van bezuinigingen was men begonnen met het herbewapenen. Al rond Pasen 1939 waren de eerste militairen gemobiliseerd. Op 23 augustus 1939 was het zogenaamde Waarschuwingstelegram A uitgegaan. Met dit telegram werd een ieder gewaarschuwd voor een op handen zijnde Algemene Mobilisatie. Dit werd op 24 augustus al gevolgd door Telegram B, waarbij een voormobilisatie op 25 augustus werd ingesteld. Op 28 augustus ging Telegram C uit met de oproep voor Algemene Mobilisatie op 29 augustus voor de 16 lichtingen van 1924 tot en met 1938 (1939 was al in dienst). Strubbelingen tussen de opperbevelhebber generaal Izaac H. Reijnders en de ministerraad resulteerden in het aftreden van de opperbevelhebber op 6 februari 1940. Hij werd opgevolgd door luitenant-generaal Henri G. Winkelman, die als Chef-Staf Landmachtgeneraal-majoor Herman F. M. Baron van Voorst tot Voorst naast zich kreeg. Rechtstreeks onder Winkelmans commando stonden onder andere de commandant van het veldleger (luitenant-generaal Jan J. G. van Voorst tot Voorst), commandant luchtverdediging (luitenant-generaal Petrus W. Best) en de chef Marinestaf (vice-Admiraal Johannes Theodorus Furstner). Generaal Winkelman nam de in zijn ogen noodzakelijke maatregelen en stelde een nieuw verdedigingsplan (Plan-Winkelman) in werking op basis van de beschikbare middelen. Wat hielden die middelen nu eigenlijk in?

Het Nederlandse leger, toen nog Nederlandse Weermacht genaamd, bestond uit de gehele krijgsmacht en wel de landmacht (inclusief de legerluchtmacht) en de marine. De landmacht was globaal opgebouwd uit een vestingleger (de Vesting Holland), de "hooggenummerde"regimenten 25 t/m 48 en een Veldleger. In het Veldleger waren de jongste lichtingen ondergebracht in de "laagstgenummerde" regimenten en was vanwege tekorten uitgebreid met de Brigades A en B, voortkomend uit het vestingleger. Ook de 24 Grensbataljons vielen onder het Veldleger. He Veldleger (landcomponent) was opgebouwd uit vier legerkorpsen (met totaal acht infanteriedivisies), de Peeldivisie, de brigades A en B, de Lichte Divisie en vrijwel alle grensbataljons en reserve-grenscompagnies die nog niet tot de Peeldivisie behoorden. Een derde brigade, Brigade G, was geen werkelijk operationele eenheid, maar bezette het zuidoostfront van de Vesting Holland in afwachting van de aankomst van het III.Legerkorps. De bataljons van deze brigade zouden dan de gaten vullen binnen de gelederen van dit korps die zouden ontstaan ten gevolge van de overheveling van bataljons naar de Peeldivisie na een evacuatie van Brabant. Dit Veldleger was verantwoordelijk voor de verdediging van het gehele gebied buiten de Vesting Holland.

Het Nederlandse "landleger" bestond uit 48 regimenten infanterie (R.I. 1 t/m 46, Regiment Jagers en Regiment Grenadiers), 6 regimenten Huzaren, 15 volledige regimenten Artillerie (R.A. 1 t/m 8, 13 t/m 15 en 17 t/m 20), 4 regimenten Artillerie met slechts twee afdelingen (16 en 21 t/m 23) en 8 afdelingen Artillerie. Hiernaast kende het Nederlandse leger een Korps Kustartillerie voor de verdediging van de Nederlandse Kust, de haventoegangen en de gelegde en te leggen mijnenvelden. Deze telde 14 batterijen van 7,5 cm, 6 batterijen van 12 cm, 9 batterijen van 15 cm en twee dubbeltorens met 24 cm geschut. De Kustartillerie had ca. 4500 man onder de wapenen. 

Het Nederlandse leger bezat geen tanks en de bewapening was over het algemeen niet modern. Voorts beschikte Nederland over een luchtmacht met 138 operationele vliegtuigen, waarvan een 70-tal als modern werden beschouwd. De meest moderne types waren de Fokker G.1 luchtkruiser, Fokker T.V bommenwerper en de Douglas 8A-3N (die voor zijn taak als strategische verkenner zeer modern was). Deze waren echter maar in kleine aantallen aanwezig. De Militaire Luchtvaartafdeling stond verspreid over diverse vliegbases en was op de vooravond van 10 mei paraat. Vele toestellen stonden met warmgedraaide motoren klaar.
 
De marine had haar hoofdmacht in Nederlands-Indië. In Nederland lagen een (verouderde) kruiser, een torpedobootjager (juist teruggekeerd uit India), enkele torpedoboten, een aantal moderne kanonneerboten, enkele kleine onderzeeboten, enkele moderne grote mijnenvegers en mijnenleggers, een aantal moderne of nog in aanbouw zijnde onderzeeboten en andere kleinere vaartuigen. De Koninklijke Marine zou vooral een patrouilletaak en ondersteunende taak krijgen. De Marine Luchtvaartdienst kon beschouwd worden als redelijk modern. Ze kon bijdragen met patrouille- en vuurleidingvliegtuigen, aanvalsvliegtuigen en mijnenleggers. Naast deze maritieme zee- en luchteenheden, kende de Marine een aanzienlijk contingent zeemiliciens en het Korps Mariniers. De Mariniers, die in Rotterdam, Amsterdam, Den Helder en Vlissingen grotere of kleinere contingenten hadden liggen, alsmede aan boord van de grotere oppervlakte-eenheden dienst deden, hadden een totale sterkte van 1500 manschappen. Hiervan was ongeveer de helft in Nederland aanwezig. Ten slotte telde de marine een contingent marinegeschut, dat in diverse marinehavens, alsmede in de forten Kornwerderzand en Den Oever stukken of batterijen had staan met kalibers van 3,7 cm, 5 cm en 7,5 cm.

Winkelman was zich heel goed bewust van de beperkingen van het Nederlandse leger. Daarom koos hij een aantal duidelijke uitgangspunten. Zo was het Nederlandse leger te klein om het hele grondgebied te verdedigen en maakte het gebrek aan mobiliteit een statische defensie noodzakelijk. Hij koos als hoofdverdedigingslinie voor die locatie die het eenvoudigst en goedkoopst kon worden uitgebouwd tot hoofdweerstand, de Grebbelinie. Bijkomend voordeel hiervan was nog de uitstekende strategische ligging.
Het IIe en IVe Legerkorps kregen de nadrukkelijke taak om achter deze linies hun defensieve stellingen in te nemen. Voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie had Winkelman het aan de kust gelegerde Ie Legerkorps tot zijn beschikking. Een aanzienlijk probleem leverde echter de verdediging van het zuiden op en dan vooral Noord-Brabant. Hier was men al hard bezig met de aanleg van de Peel-Raamstelling. Voor een goede verdediging ervan was echter de aansluiting met de Belgische verdedigingslinies en de steun van de Fransen noodzakelijk. De neutraliteit van ons land en België liet dit niet toe. Heimelijk overleg met de Fransen en Belgen leverde een resultaat dat volgens Winkelman een onverdedigbare situatie zou opleveren. Met de Belgen leek het eenvoudiger om besprekingen te voeren, immers dit ging om besprekingen tussen twee neutrale landen. Van half februari tot begin april werden op niveau van de Belgische en Nederlandse militaire attachés besprekingen gevoerd die tot weinig gezamenlijk resultaat hebben geleid. Begin april had de Nederlandse militaire attaché Van Voorst Evekink contact met het Franse opperbevel, zonder dat het ook hier tot tastbare resultaten had geleid. De besprekingen hadden slechts geleid tot enige duidelijkheid in de Franse plannen bij een invasie van Nederland en/of België. Nog op de avond van die vijfde april gaf Van Voorst Evekink aan Winkelman zijn bevindingen door.
Bij een Duitse aanval zouden de Fransen hooguit oprukken tot de lijn Turnhout-Tilburg- Bergse Maas. Winkelman trok hieruit de conclusie dat Brabant voor hem onverdedigbaar zou worden. Op 6 april 1940 besloot hij daarom dat het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie achter de Peel-Raamstellling alleen de schijn van een verdediging mochten ophouden en bij een aanval direct naar de Vesting Holland dienden terug te keren. Hierbij zou dan de Lichte Divisie, samen met het Ie Legerkorps een strategische reserve vormen, het IIe en IVe Legerkorps moesten de Grebbelinie verdedigen en het IIIe Legerkorps zou de zuidflank van de Vesting Holland en de Waal-Lingestelling verdedigen. Bij deze terugtochten zou de Brigade B, die in het land van Maas en Waal was gelegerd, achter de Grebbelinie terugtrekken als reserve.

Zoals vermeld, moesten de Nederlandse troepen buiten de Vesting Holland vooral vertragend optreden. In het zuiden zouden de aanvallers allereerst stuiten op de Maaslinie. Langs deze linie, die ruwweg de loop van de Maas en het Julianakanaal volgde, werden versterkingen aangebracht. Speciale rivierkazematten verdedigden de bruggen. Deze konden een mitrailleur en/of een stuk pantserafweergeschut bevatten. Tussen de bruggen in was een linie aangebracht van prikkeldraadversperringen met daarachter met bepaalde intervallen kazematten (stekelvarkens) en veldversterkingen (loopgraven e.d.). Een speciaal geformeerde eenheid, bestaande uit vijf infanteriebataljons en vier grensbataljons, de Groep Maas-Waal, diende als bemanning voor deze linie.

Achter de Maaslinie bevond zich de Peel-Raamstelling. Deze stelling bevond zich direct achter de Maaslinie, waarbij de afstand tussen beide linies varieerde van 9 km tot 21 km. De stelling begon bij het stroompje de Raam ten noorden van Mill, waarna deze via Mill, door de Peel en vervolgens langs de Zuid-Willemsvaart tot aan Weert bij de Belgische grens liep. De stelling had langs het zuidelijke deel een natuurlijke verdediging, bestaande uit drassig land en moerassen. Langs het noordelijk deel had men een kunstmatige verdediging aangebracht in de vorm van het Defensiekanaal. Een groot aantal kazematten van het type stekelvarken, verbonden door prikkeldraadversperringen maakte de verdediging af. Op diverse plaatsen waren nog andere verdedigingswerken aangebracht. De Peel-Raamstelling was hierdoor zeker een stelling waarmee een vijand rekening moest houden. Het beleid van generaal Winkelman had er echter voor gezorgd dat de bezetting van de stelling danig was uitgekleed. Men had de zogenaamde Peeldivisie geformeerd. Deze bestond uit dertien infanteriebataljons, één grensbataljon, een regiment artillerie met 36 stuks 8-staal en enkele andere eenheden. De commandant van de Peeldivisie, kolonel L.J. Schmidt stond hierdoor voor een haast onmogelijke taak. Hij had nauwelijks zware wapens ter beschikking voor zijn verdediging.

De inzet van luchtlandingstroepen in Noorwegen op 9 april 1940 toonde de kwetsbaarheid van ver van het front liggende vliegvelden. Winkelman trok hier lessen uit en liet de belangrijkste Nederlandse vliegvelden beter bewaken. Het 1e Regiment Huzaren-motorrijders werd bij de Lichte Divisie weggenomen en gepositioneerd rond Wassenaar, terwijl pantserwagens werden ingezet bij Ypenburg en Waalhaven. Het IIIe Legerkorps werd meer naar het westen verplaatst om sneller te kunnen terugvallen op de Vesting Holland. De Betuwelinie werd versterkt met zes infanteriebataljons en zes bataljons, ondersteund door drie artillerie-afdelingen (zeven veldkanonnen), werden van de Grebbelinie verplaatst naar het zuiden van de Vesting Holland. Op 9 mei werden de berichten over Duitse troepenbewegingen zo alarmerend dat een aanval niet lang meer kon uitblijven. Winkelman was echter klaar met zijn opdracht. Het was nu wachten op de aanval.

Geallieerde samenwerking
De samenwerking tussen de Britten en de Fransen was over het algemeen goed. De BEF stond onder direct bevel van het Franse opperbevel en was daardoor in haar handelen ondergeschikt aan de Fransen. Tussen de Britse en Franse soldaten bestond wel de nodige afgunst. Vooral de Fransen waren jaloers op hun Britse collega's. De beloning en verlofmogelijkheden waren bij de Britten veel beter. Ook de paraatheid was aan Britse kant veel optimaler dan bij de Fransen. Deze verschillen zullen zeker hebben bijgedragen tot de apathie die er aan Franse kant voor de Duitse aanval heerste.

Nederland en België handhaafden een strikte neutraliteit. Tot 1936 hadden de Belgen nog een defensiepact met de Fransen, maar de oorlogsdreiging had de Belgische opperbevelhebber koning Leopold III ertoe gebracht om met zijn land een neutrale opstelling te kiezen. Net als de Fransen wilde hij voorkomen dat België opnieuw een slagveld zou worden. Hij wilde Duitsland geen enkele aanleiding geven om de Belgen aan te vallen. In tegenstelling tot Nederland had België al in een vroeg stadium met de Fransen afgesproken dat het Franse leger, bij een Duitse aanval, de Belgische grens mocht passeren. De Fransen hadden echter meer gewild. Men was er zich zeer goed van bewust dat een Duitse aanval door België de Fransen grote problemen kon bezorgen. De oorzaak lag vooral in de constructie van de Maginot-linie die, vreemd genoeg, ophield bij de Belgische grens. Via België zou men dus eenvoudig de Franse verdediging kunnen omzeilen. Een gezamenlijke verdedigingsstrategie met de Belgen was daarom niet alleen wenselijk, maar welhaast noodzakelijk.

Na de overname van het bevel door generaal Henri G. Winkelman was deze door zijn voorganger niet op de hoogte gebracht van contacten met de westelijke geallieerden, die er wel degelijk waren. De Britse majoor Wilson bracht zijn meerderen hiervan snel op de hoogte. Wilson stelde nieuwe geheime stukken samen waarin generaal Winkelmans plannen werden aangeduid. Hierin waren eveneens verzoeken opgenomen om in bepaalde situaties hulp te vragen aan de geallieerden. Deze stukken werden ondergebracht bij de Nederlandse gezantschappen in Londen, Brussel en Parijs en mochten pas na een Duitse aanval op Nederland worden geopend. Winkelman wilde echter ook andere contacten leggen. Met België was dat niet zo'n probleem. Beide landen waren immers neutraal en konden derhalve zonder enig probleem aan een gezamenlijke verdediging werken. Contacten met Frankrijk en Groot-Brittannië waren echter van een andere orde. Het ging hier immers om contacten met landen in oorlog.

De Belgisch-Nederlandse contacten omvatten voornamelijk het versterken van het Nederlandse zuidfront. De Nederlandse inzet was erop gericht om een aansluiting te creëren tussen de Peel-Raamstelling en de linie langs het Albertkanaal. De militaire attachés van beide landen voerden onderhandelingen in februari en april 1940. Vooral vanuit de Belgische legerleiding werd, bij monde van generaal-majoor Raoul van Overstraeten, gepleit voor een nieuwe linie die moest lopen vanaf het Albertkanaal naar het noorden langs de lijn Tilburg, Waalwijk en de Bergsche Maas. Deze zogenaamde “Oranjelinie” bestond aan Nederlandse zijde echter alleen maar op papier. De linie zelf was nog totaal niet versterkt. Een poging om via de Fransen de Belgische legerleiding op andere gedachten te brengen liep op niets uit. Ook een bezoek van de Belgische militaire attaché, kolonel Diepenrijckx, aan de Peel-Raamstelling mocht niet baten. De oorzaak van dit falen om tot een gezamenlijke strategie te komen, lag opgesloten in de beide verdedigingsstrategieën van de afzonderlijke bevelvoerders. Bij een Duitse aanval zou Nederland immers snel haar troepen achter de stellingen van de Vesting Holland willen brengen, terwijl de Belgen zich steeds verder in zuidwestelijke richting, naar de geallieerden toe, wilden terugtrekken. In plaats van het gat te dichten, zou het gat zo alleen nog maar groter worden. Ten tijde van het Uur-U, waren beide landen nog geen stap dichter bij elkaar gekomen.

Verdedigingsstrategie
De verdedigingsstrategie van de Fransen en daardoor ook de BEF, de Belgen en Nederland was in grote mate gebaseerd op vaste verdedigingslinies. In feite was de loopgravenoorlog van de Eerste Wereldoorlog verplaatst naar een reeks van gefortificeerde verdedigingswerken, zo dicht mogelijk bij de grens. Een eventuele vijand moest in het voorgebied worden vertraagd en uiteindelijk diende een aanval vast te lopen op deze verdedigingswerken. Het gevolg hiervan echter was dat tactieken, en vaak ook materieel, hopeloos waren verouderd. Tegen de tijd dat men dit begon in te zien en ging moderniseren, was de tijd veel te krap.

Zoals aangegeven zou bij een Duitse aanval via België het Franse leger daar de verdediging opwerpen. Op 24 oktober 1939 werd een eerste geallieerd plan voor een dergelijke operatie uitgegeven. Als verdedigingslinie werd gekozen voor de rivier de Schelde. Het gevolg was dat hiermee een groot deel van het Belgische grondgebied, de hoofdstad Brussel en waarschijnlijk het grootste deel van het Belgische leger in vijandelijke handen zou vallen. Om meer gebruik te kunnen maken van het Belgische leger werd een nieuw plan voorgesteld. Als basis van de verdedigingslinie werd nu gekozen voor de rivier de Dijle. Zo ontstond er een verdedigingslinie van Antwerpen tot aan de rivier de Maas en zo verder tot aan de Maginot-linie. Voor de Britten was dit Dijle-plan veel aantrekkelijker dan het vorige. Nu werden de Duitse troepen immers verder weg gehouden van de Kanaalkust en derhalve verder van Groot-Brittannië af. Het plan werd op 15 november 1939 goedgekeurd.

Het merendeel van de Belgische troepen was gelegerd langs het Albertkanaal en langs de Maas ten zuiden van Maastricht richting Luik. Het centrale punt was het fort Eben-Emael, het meest noordelijke fort van Luik bij de aansluiting van het Albertkanaal op de Maas. Wanneer deze linie niet meer kon worden gehouden, moest het Belgische leger terugvallen op de rivier Dijle.

Ondanks de neutraliteit van Nederland, was Général Maurice Gamelin ervan overtuigd dat, bij een overval op dat land, er ook een poging moest worden gedaan om de verdedigingslinie door te trekken naar de Nederlandse verdedigingslinies. Hier zou de hoofdverdediging worden gevoerd in de zogenaamde Grebbelinie. Die liep vanaf het IJsselmeer, oostelijk langs Amersfoort via Veenendaal tot de Grebbeberg bij Rhenen. Tussen de grote rivieren liep de stelling door in de Betuwestelling en verder naar de Peel-Raamstelling in Brabant. Bij de Nederlands-Belgische grens sloot de linie daarom niet aan op een Belgische verdedigingslinie. De Belgen hadden het Albertkanaal gekozen als eerste verdedigingslijn. Achter de Grebbelinie lag de Nieuwe Hollandse Waterlinie, waarin een lichte bezetting lag, maar waarop de verdedigers van de Grebbelinie konden terugvallen. Deze stelling sloot in het zuiden aan op het Zuidfront, dat liep langs het Hollands Diep en het Haringvliet naar de kust. Voor de afsluitdijk in het noorden lag in Friesland de stelling "Kornwerderzand". Bij Den Oever (aan de kant van Noord-Holland) lag een dergelijke stelling waarop kon worden teruggevallen. Het op deze manier verdedigde gebied, bestaande uit Noord- en Zuid-Holland en een deel van Utrecht, werd "Vesting Holland" genoemd.

Voordat de vijand bij deze verdedigingslinies kon komen, moesten eerst diverse stellingen genomen worden, die tot taak hadden de vijand te vertragen. We zullen ze kort noemen van noord naar zuid. Langs de gehele Duitse grens was een "Lijn van Waarschuwing" aangebracht, die tot taak had Duitse grensoverschrijdingen te melden en eventueel te saboteren. In Groningen was iets verder landinwaarts een "Lijn van Weerstand" aangelegd, die liep van de Eems tot in Drenthe. Langs de rivieren de IJssel, Maas-Waalkanaal en Maas waren voorts naar het oosten gerichte verdedigingslinies aangelegd, bestaande uit kazematten en artillerie. De verdediging van het IJsselmeer was opgedragen aan de Koninklijke Marine, die met het IJsselmeerflotielje een Duitse oversteek naar Noord-Holland moest verijdelen.

Het verbinden van de geallieerde en Nederlandse verdediging
Door de “gaten” tussen de Nederlandse en Belgische verdediging zaten de geallieerden met een dilemma. Om dit op te lossen, werd het Dijle-plan aangepast met een zogenaamd “Breda-Variant”. Hierbij zou een deel van het Franse leger de Nederlandse grens oversteken en trachten één front te vormen met de Nederlanders. Op 20 maart 1940 werd deze nieuwe variant goedgekeurd door de geallieerde regeringsleiders. Er werd echter totaal voorbij gegaan aan de verdedigingsplannen die Nederland zelf had opgesteld. Op topniveau waren de Fransen en de Belgen op de hoogte gebracht van een snelle Nederlandse terugtocht in de Vesting Holland, indien de Duitse legers zouden aanvallen. Vooral de Franse legerleiding nam niet eens de moeite om de bevelhebbers van de Franse 7ieme Armée hiervan op de hoogte te stellen. Dit was een tactische en strategische vergissing die de Fransen in het veld nog voor grote verrassingen zou doen staan.

Toch lag deze situatie niet aan het gebrek aan contact. De Nederlandse militaire attaché in Parijs, luitenant-kolonel D. van Voorst Evekink, had al vroeg opdracht gekregen van generaal Henri G. Winkelman om van de Franse bevelhebber Général Maurice Gamelin te weten te komen wat Nederland van Franse zijde kon verwachten. Tegen ieder voorschrift in had hij het geheime memorandum gelezen en direct contacten gelegd. Op 5 april 1940 had Van Voorst Evekink een laatste onderhoud met Gamelin. Hieruit bleek dat de Fransen in dezelfde lijn dachten als de Belgen en ook de aansluiting tot de Peel-Raamstelling niet ondersteunden. Gamelin gaf aan dat de Fransen meer heil zagen in de verbinding via de lijn Breda-Dordrecht en dat hij een Belgisch-Nederlandse verdediging op de lijn Turnhout-Tilburg-Bergsche Maas als voorpost wenselijk vond. Général Gamelin gaf ook aan dat de Franse 7ieme Armée bij een Duitse aanval naar Nederland zou worden gestuurd. De totale geallieerde hoofdlinie zou dan gevormd worden door de lijn Givet-Namen-Leuven-Antwerpen-Roosendaal-Willemstad.'s Avonds diezelfde dag bracht Van Voorst Evekink in Eindhoven verslag uit aan de Nederlandse legerstaf. Voor Winkelman was dit verslag doorslaggevend om de Peel-Raamstelling niet langer als hoofdverdediging te kiezen, maar om de Vesting Holland hiervoor aan te wijzen.

De Nederlandse contacten met de Britten waren van een geheel andere orde. Historisch waren deze vooral gericht op het contact vanuit het oogpunt van de marine. De Nederlandse attaché was dan ook afkomstig van de Koninklijke Marine. Door de gezagsverhoudingen bij de Nederlandse legerleiding ontstond hier een vreemde situatie. Hoewel generaal Winkelman opperbevelhebber was van land- en zeestrijdkrachten, en dus chef van de marinestaf admiraal Furstner aan hem ondergeschikt was, had admiraal Furstner als bevelhebber van de Koninklijke Marine in Nederland en de Nederlandse koloniën, ook een gelijkwaardige positie aan die van generaal Winkelman. Hierdoor hadden beiden hun eigen contacten gelegd met de Britten. Generaal Winkelman richtte zich vooral tot het verkrijgen van ondersteuning door de Britten in de vorm van een 70-tal batterijen luchtdoelgeschut en maar liefst zes tot tien eskaders jachtvliegtuigen. Admiraal Furstner aan de andere kant had zijn contacten vooral aangewend om het voortbestaan van de Koninklijke Marine te garanderen na een eventuele Duitse bezetting. Dit laatste zou er toe leiden dat de Koninklijke Marine na de strijd het enige onderdeel van de Nederlandse strijdmacht was dat de oorlog kon voortzetten. Verder zorgde Furstner ervoor dat de Nederlandse goudvoorraad in veiligheid werd gebracht en dat de koninklijke familie kon worden geëvacueerd. Van Winkelmans wensen kwam niets terecht. De Britten waren uiteindelijk alleen bereid om een eenheid te sturen om vitale installaties te vernietigen.

Van de geallieerden had Nederland dus weinig te verwachten. De Belgen hadden meer mogelijkheden, maar hier was de geallieerde inbreng er vooral op gericht om de strijd buiten Frankrijk te houden. Van een goede samenwerking was geen sprake. Vooral de Fransen vonden toch vooral dat zij het voor het zeggen hadden en gingen er vanuit dat alle anderen zich wel op de Franse strategie zouden richten. Dit gebrek aan samenwerking zou één van de grote, misschien wel het grootste, struikelblokken vormen om tot een eenheid te komen. Hierdoor werd voorkomen dat op papier een geallieerde legermacht kon ontstaan die in getal minstens gelijkwaardig was aan de Duitse aanvaller.


De Duitse aanval

Duitsland valt aan
Nadat de aanval op de Lage Landen diverse keren was uitgesteld, vielen Duitse troepen in de vroege ochtend van 10 mei 1940 Nederland, België en Luxemburg binnen. Laat op de avond van de 9e mei waren de troepen op de hoogte gebracht van het doorgaan van de operatie, middels het codewoord “Danzig”. Hitler was al midden in de nacht met zijn trein “Amerika” via een omweg vertrokken naar het Führerhauptquartier “Felsennest” nabij Bad Münstereifel. De nacht van 9 op 10 mei was door 7 toestellen van de 9.Flieger-Division al een begin gemaakt met het leggen van magnetische mijnen in de kustgebieden van Den Helder, IJmuiden, Hoek van Holland, de Schelde, Vlissingen, Zeebrugge en Oostende. Ruim twee en een half uur voordat om 03.55 uur de landaanval begon, werd het Nederlandse en Belgische luchtruim al op grote schaal door vliegtuigen geschonden. Tevens waren de transportvliegtuigen met aan boord de eenheden van de Generalleutnants Kurt Student en Graf von Sponeck, ongehinderd het luchtruim van Nederland en België binnengedrongen.
De aanvalsgolf voor Nederland werd geleid door Kampf-Geschwader 4, bestaande uit ongeveer 90 Heinkel He 111 toestellen die kort voor 01.00 uur al waren opgestegen van hun thuisbases en over Nederland heenvlogen als waren ze op weg naar Groot-Brittannië, maar vervolgens boven de Noordzee keerden. Een andere groep van 28 Junkers Ju 88 toestellen van Kampf-Gruppe 30 onder begeleiding van Messerschmitt Bf 109 en Messerschmitt Bf 110 jagers van de Jagd-Geschwader 3, 26, 27 en 51, volgden de misleidende route over het noorden om boven de Waddenzee van koers te veranderen. De bommenwerpers bombardeerden en de jagers mitrailleerden vervolgens de Nederlandse vliegvelden De Vlijt (Texel), De Kooy (Den Helder), Bergen, Schiphol, Valkenburg, Ypenburg en Waalhaven. Doel hiervan was uiteraard om de Nederlandse vliegtuigen op de grond al uit te schakelen. De aanval was minder succesvol dan de Duitsers hadden gehoopt. Alleen op Bergen wisten ze de verdediging te verrassen. Helaas was daar een groot deel van de modernste jagers (Fokker G.1) gestationeerd. Maar liefst 11 van deze toestellen werden bij deze aanval vernietigd. In totaal werden van de 124 operationele vliegtuigen van Nederland op 10 mei 15 buiten gevecht gesteld. Niet alleen de vliegbases waren het slachtoffer van de Duitse luchtoverval. Zo werden in Den Haag de kazernes en het barakkenkamp Waalsdorp aangevallen waarbij 150 soldaten werden gewond en 80 gedood.

Ook de Franse en Belgische vliegvelden vielen ten prooi aan de Duitse Luftwaffe. Kampf-Geschwader 2 en Kampf-Geschwader 53 leidden hier de aanvallen. De vliegvelden Reims-Champagne, Stenay, Basse Yutz, Châtel Chéhéry, Mourmelon, Challerange, Saaralbe en Brussel werden zwaar geteisterd. Jagers van de Jagd-Geschwader 21 en 27 zorgden voor de dekking. Ook hier was de verrassing enorm en werden grote delen van de geallieerde luchtstrijdkrachten op de grond verrast.
Bij een tweede golf werden de eerder aangevallen vliegvelden wederom bestookt, maar werden ook de secundaire vliegvelden aangevallen.
Zo werden in Nederland nu ook de bases Soesterberg, Gilze-Rijen, Hilversum en Welschap (Eindhoven) zwaar getroffen. Vanaf dit moment concentreerde de Luftwaffe zich ook op troepen op de grond zoals luchtafweergeschut, legereenheden en grondversterkingen.

Luchtlandingen
Direct volgend op de bombardementen op de Nederlandse en Belgische vliegvelden werden op grote schaal luchtlandingen in de Vesting Holland uitgevoerd. Eveneens werden Duitse Fallschirmtruppen ingezet bij de verovering van het strategisch gelegen Belgische fort Eben-Emael

Den Haag
In de vroege morgen begonnen de goed voorbereidde landingen rondom Den Haag met een zwaar luchtbombardement op de vliegvelden Ypenburg en Valkenburg en op enkele doelen in Den Haag. Daarna landden al spoedig transportvliegtuigen van het type Junkers Ju 52 en daalden er parachutisten op en rondom de vliegvelden. Er ontstond hierdoor een situatie waarbij het Nederlandse leger niet alleen te maken kreeg met een oprukkende vijand die vanaf de grens trachtte het land binnen te trekken, maar ook met vijandelijke troepen midden in het belangrijkste verdedigingscentrum. Hierdoor zouden uitermate belangrijke eenheden niet elders aan het front kunnen worden ingezet, maar moesten constant op zoek gaan naar groepen parachutisten en luchtlandingseenheden.
Belast met de bescherming binnen de Vesting Holland was luitenant-generaal J. van Andel. Zoals we al eerder hebben gezien had hij speciaal troepen tot zijn beschikking die voor de verdediging van de vliegvelden. In Wassenaar was het 1 R.H.M (1e Regiment Huzaren-Motorrijders) gestationeerd. Ypenburg had de beschikking over zes pantserwagens en het III-R.Gr. (3e Bataljon Regiment Grenadiers). Valkenburg kreeg voor de directe bescherming het 1-III-4 R.I. en 3-III-4 R.I (1e en 3e compagnie van het 3e bataljon uit het 4e Regiment Infanterie) en een sectie zware mitrailleurs van hetzelfde bataljon. Ockenburg werd bewaakt door de 22e Depotcompagnie Bewakingstroepen. Voor een goede coördinatie tussen deze troepen en de luchtbescherming, waren zij onder bevel van de commandant luchtbescherming, luitenant-generaal Best gebracht die rechtstreeks onder Henri Winkelman viel. Van Andel kon daarnaast echter nog beschikken over de in de Vesting Holland aanwezige depottroepen en het in reserve gehouden Ie Legerkorps.

Op Ypenburg, Ockenburg en Valkenburg werden na een zwaar luchtbombardement Fallschirmjäger afgeworpen en Luftlandetruppen aan de grond gezet. Na zware en verbeten strijd wisten de Duitse troepen uiteindelijk de vliegvelden te bezetten.
Na een geïmproviseerde afsluiting van Den Haag door de Nederlandse troepen, gingen diverse commandanten tot de aanval over en in de loop van de dag werden de Duitse troepen in geïsoleerde groepen samengebracht. De vliegvelden waren aan het eind van de dag weer onder Nederlandse controle.

Moerdijkbruggen
Ondertussen waren ook troepen van de Duitse 7.Flieger-Division geland bij Rotterdam en bij Moerdijk. De divisie had opdracht de bruggen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam bij verrassing te nemen en te houden tot contact was gekregen met troepen die via Noord-Brabant oprukten (het XXVI.Armeekorps van General A. Wodrich met de 9.Panzer-Division en de 245. en 256.Infanterie-Division).
De landingen werden uitgevoerd na bombardementen rondom de doelen. Na schermutselingen met de verdedigers wisten de Duitsers de Moerdijkbruggen ongeschonden in handen te krijgen en gedurende de loop van de dag werd de as Dordrecht-Moerdijk veroverd. De verovering van de Moerdijkbruggen moet gezien worden als één van de grootste Nederlandse tegenslagen van de oorlog. Hierdoor was een opening in de belangrijkste verdedigingslinie van Vesting Holland gecreëerd. De aangebrachte springladingen op de Moerdijkbruggen konden niet meer worden geactiveerd omdat op last van de legerleiding de ontstekingen nog niet waren aangebracht. De bruggen waren immers cruciaal voor het terugtrekken van de Nederlandse troepen in Noord-Brabant. Voordat men de ontsteking kon aanbrengen waren de bruggen al in handen van de Duitse Fallschirmjäger.

Op het Eiland van Dordrecht ontstond een totaal onoverzichtelijke situatie. De toestand in Dordrecht zelf werd onhoudbaar door het falen van de plaatselijke bevelhebber, overste Mussert. Toch leden de Duitse parachutisten op het Eiland van Dordrecht ernstige verliezen door individuele acties van de Nederlandse verdediging en bleef het noordoostelijk deel van het Eiland in Nederlandse handen. Ten noorden en ten zuiden van Dordrecht en nabij Zwijndrecht landden Duitse Fallschirmjäger die direct het 85e en 86e Peloton Luchtdoelmitrailleurs buiten gevecht wisten te stellen nabij de bruggen over de Oude Maas. Hiermee konden zij de weg- en de spoorbrug al om 05.55 uur in handen hebben. Hoewel gevechten nog tot 13 mei doorgingen konden Nederlandse troepen deze bruggen niet meer heroveren.

Rotterdam
Om 04.50 uur 's morgens landden er op de Nieuwe Maas in Rotterdam 12 watervliegtuigen (Heinkel He 59), waaruit troepen per rubberbootjes naar de kant peddelden en zonder noemenswaardige tegenstand de Maasbruggen, het Noordereiland, het Maasstation, de Boompjes en een aantal gebouwen op de noordelijke oever in bezit namen. Al snel kregen ze versterking van parachutisten, die bij het Feyenoordstadion waren geland.
Nadat het vliegveld Waalhaven was gebombardeerd, waarbij een gedeelte van de daar aanwezige Nederlandse vliegtuigen van het type Fokker G.1 van de 3e Jachtgroep werd vernield, kon het vliegveld ook door parachutisten worden veroverd. Op initiatief van enkele Nederlandse commandanten werd op de noordelijke Maasoever met tegenacties begonnen. Ook stortten de in Rotterdam gelegerde mariniers zich in de strijd.
De Nederlandse torpedoboot HrMs Z 5 verleende (samen met de torpedomotorboot HrMs TM 51) assistentie en vernietigde een vijftal van de Heinkels op de rivier. Daarna stoomde het op naar de Willemsbrug en gaf gericht vuur op de Duitse posities waarbij de aanwezige Duitse mitrailleursposten deels werden vernietigd. Zelf ontving de HrMs Z 5 ook enkele treffers en de roerganger werd gewond. Toen al het kruit verschoten was trokken beide schepen zich terug.
Om 10.30 uur besloot vice-admiraal Furstner (Chef Marinestaf) de torpedobootjager HrMs Van Galen (1.316 ton standaardwaterverplaatsing en bewapend met vier 12 cm Bofors kanonnen) naar Rotterdam te sturen. Toen het schip op de Nieuwe Waterweg ter hoogte van Vlaardingen kwam kreeg het een aanval van de Luftwaffe te verduren, waarbij de vuurleiding, het stuurhuis en een kanon werden vernield. De HrMs Van Galen werd toen in de Merwedehaven afgemeerd, waar het schip langzaam zonk.

Eben-Emael
Het noordelijkste fort van Luik, Eben- Emael genaamd, had een dominante positie aan het Albertkanaal. Het geschut van het fort bestreek de bruggen over het Albertkanaal bij Vroenhoven en Veldwezelt en beheerste de wegen van Maastricht naar het westen. Het fort was nog nieuw. Het was aangelegd tussen 1932 en 1935 en met de meest moderne bewapening en apparatuur uitgerust. Over het terrein van 700 bij 900 meter was een hecht complex van gecoördineerde artillerie- en infanteriewerken aangelegd. De geschutskoepels, die op strategische plaatsen waren opgesteld met 7,5 cm of met 12 cm kanonnen, waren onderling verbonden door een kilometerslang tunnelstelsel. In militaire kringen stond de fortificatie bekend als "onneembaar".
De Duitse Generale Staf (het OKH) had met de planning van de aanval op België rekening gehouden met de inname van Eben-Emael, i.v.m. de gewenste snelle doorbraak van de linie langs het Albertkanaal. Omdat een verassingelement belangrijk werd geacht (de Belgen mochten geen gelegenheid krijgen de bruggen over het Albertkanaal te vroeg op te blazen) werd besloten gebruik te maken van zweefvliegtuigen. Met deze onorthodoxe methode wilden de Duitsers troepen laten landen op "het dak" van het fort. Een speciale commandoploeg werd in 1939 te Hildesheim gevormd en werd er onder de grootste geheimhouding met de opleiding gestart. De compagnie was verantwoordelijk voor de verovering van het fort en voor de verovering van drie bruggen.

Op 10 mei 1940 om 4.30 uur vertrokken de 11 zweefvliegtuigen met de manschappen van de vliegvelden bij Keulen. De eenheid onder leiding van Kapitän Koch was al speciaal voor deze actie in november 1939 bijeengebracht. Volgens berekening zouden de vier stormtroepen om 5.25 uur op Eben-Emael en bij de bruggen landen, precies 5 minuten voor de legers de grens overschreden. Volgens plan landden 9 zweefvliegtuigen op het fort en werden de Belgische bewakingstroepen volledig verrast. Twee ander zweefvliegtuigen waren door het slechte zicht de weg kwijtgeraakt. Eén daarvan wist zich op een later tijdstip alsnog bij de eenheden te voegen, terwijl de andere neerkwam in de buurt van de bruggen over het Albertkanaal en zich bij de Duitse troepen voegde die deze bruggen moesten veroveren. De landing werd een succes.
Met behulp van een nieuw wapen (de zogenaamde "holle ladingen", een explosief) werden de pantserkoepels van het fort opgeblazen. De Belgische soldaten (zo'n 700 man) boden hevig tegenstand, ondanks de verassing van de aanval. In de middag van 10 mei werd het fort beschoten door de Belgische artillerie, in een poging de Duitsers te verjagen. Tevergeefs, nadat de aanvallers nog eens zo'n 100 kg springlading tot ontploffing gebracht hadden in de nacht van 10 op 11 mei, moesten de Belgen op 11 mei om 12.00 uur het "staakt-het-vuren" geven.

De geallieerde luchtverdediging
Bij de verrassende aanvallen op de Nederlandse en Belgische vliegvelden vroeg in de morgen van de 10e mei, waren de keurig opgestelde vliegtuigen van de Nederlandse en Belgische luchtmacht in principe een eenvoudige prooi voor de Duitse bommenwerpers. Toch konden, tussen de bommen door, nog veel vliegtuigen opstijgen.

Op Waalhaven wisten 8 van de 11 Fokker G.I's op te stijgen en 16 Duitse vliegtuigen neer te schieten. Door het bombardement konden ze niet terugkeren naar het vliegveld en werden ze op het strand bij Oostvoorne aan land gezet, onbruikbaar voor de rest van de oorlog. In Bergen (Noord-Holland) stonden nog eens 12 G.1's, maar hier werden 11 stuks op de grond vernield en kon maar één toestel opstijgen. Ook voor de Fokker D.XXI jagers op De Kooy, Schiphol en Ypenburg golden gelijksoortige verhalen.

Slechts de eerste oorlogsdag was er werkelijke sprake van strijd in de lucht. Al even na 07.00 uur stegen de vijf op Schiphol overgebleven Fokker T.V. bommenwerpers op voor een aanval. Op Ockenburg werden Duitse Junkers Ju 52/3m vernield en elders werden met wisselend succes bommen afgeworpen. De bommenwerper van piloot B. Swagerman werd hierbij neergeschoten. Een volgende vlucht met drie Fokker T.V bommenwerpers, geëscorteerd door 6 Fokker D.XXI jagers werd uitgevoerd naar vliegveld Waalhaven. Ook hier wisten de bommenwerpers schade toe te brengen. De prijs was echter hoog, twee van hen werden neergeschoten. Hierdoor waren op de avond van 10 mei nog maar 2 Fokker T.V bommenwerpers inzetbaar. Op Bergen hadden 10 Fokker C.X verkenners de aanval overleefd en werden als bommenwerper ingezet. Deze toestellen bleken zeer succesvol. De lage snelheid stelde ze in staat om vlak over de grond naar en van hun doel te vliegen waardoor de vijand nagenoeg geen mogelijkheid had om effectief aan te vallen. De bommenlading was echter nauwelijks effectief om daadwerkelijk ernstige schade aan te brengen.
De Nederlandse jagers, de Fokker D.XXI 's, de G.1 's en Northrop 8a's (eigenlijk grondaanvalsvliegtuigen) weerden zich moedig, maar tegen het eind van de dag was het grootste gedeelte uitgeschakeld en waren de luchtstrijdkrachten gereduceerd tot verouderde vliegtuigen en tweedekkers.

De Belgische luchtmacht verging het nog slechter. Nagenoeg de complete luchtmacht werd aan de grond vernietigd. De toestellen die wel de lucht in kwamen, voerden een wanhopige strijd tegen een overweldigende tegenstander. De Fransen en Britten blonken uit in afwezigheid. De getroffen Franse vliegvelden waren een puinhoop en pas op 11 mei wist men enige gecoördineerde vluchten te gaan uitvoeren. De enkele Belgische Fairey Fox, Hawker Hurricane en Gloster Gladiator toestellen die wisten op te stijgen, vonden zich net als de Nederlanders tegenover een overmacht. De enige Franse tegenacties hielden pure verdediging van de vliegvelden in en werden veelal afgeslagen door de grote Duitse jagerescortes. Opmerkelijk aangezien de Franse luchtmacht toen toch al over meer dan 4300 moderne vliegtuigen beschikte, waarvan zo'n 1150 aan het westfront. Toch wisten de Franse Curtiss 75 A jagers nog 220 Duitse toestellen neer te schieten gedurende de gehele Duitse campagne, de Bloch MB 150 totaal 156 en de Morane-Saulnier MS 406 jagers 191. De verliezen waren echter bijna net zo hoog.

Luchtlandingen in de Ardennen
Veelal onbekend gebleven zijn de kleine maar belangrijke luchtlandingsoperaties geweest in het operatiegebied van Heeresgruppe A in de Ardennen. Totaal werden er twee operaties ondernomen met als doel het vergemakkelijken van de Duitse doortocht door de Ardennen. De grootste operatie was bedoeld voor de route die genomen zou moeten worden door het XIX.Armeekorps en dan met name de Panzergruppe Von Kleist. De landingseenheid kon kiezen uit twee landingsgebieden, afhankelijk van de situatie op de grond. Operatie Niwi was gepland tussen Neufchateau, Bastogne en Martelange, terwijl Operatie Rosa de troepen in Luxemburg zou brengen. Uiteindelijk werd op het laatste moment gekozen voor Operatie Niwi omdat de Duitse legerleiding verwachtte dat de doortocht door Luxemburg per definitie voor minder problemen zou zorgen.
De tweede landing had tot doel het beschermen van de zuidflank van het XXIII.Armeekorps en zou worden uitgevoerd door het Luftlandekommando Hedderich in Luxemburg aan de Franse grens.

Operatie Niwi
Operatie Niwi had tot doel het bezet en open houden van belangrijke wegen ten oosten van de stad Neufchateau. Het oorspronkelijke plan was om een eenheid van 400 manschappen te laten landen op tijdelijke landingsbanen met behulp van Fieseler Fi 156 Storch toestellen aangezien er maar drie Junkers Ju 52/3m vliegtuigen konden worden vrijgemaakt voor de operatie. Deze totale luchtvloot stond onder leiding van Major Otto Förster. De 400 manschappen werden geselecteerd uit het Infanterie-Regiment “Gross Deutschland en wel het derde bataljon. Het bevel over de operatie was in handen van Oberstleutnant Eugen Garski, de bevelhebber van het III.Bataillon. Als landingsgebieden werden enkele velden in de buurt van de plaatsjes Nives en Witry uitgekozen. Bij Witry moesten 56 toestellen met totaal 240 manschappen landen onder leiding van Garski zelf. Nabij Nives zouden circa 160 manschappen worden afgezet met 42 toestellen onder leiding van Hauptmann Walther Krüger.

De toestellen stegen om 04.20 uur op 10 mei op van Dockendorf en Pützhöhe, beide gelegen nabij Bitburg. Door een navigatiefout in de voorste groepen bleven maar vier toestellen van de groep richting Nives over terwijl de overige toestellen de groep naar Witry volgden. Deze fout werd echter later rechtgezet door enkele toestellen van de latere groepen naar Nives te dirigeren.
Door de verwarring raakten echter diverse toestellen van koers en kwamen op de verkeerde plaatsen terecht. Het resultaat was dat maar liefst 93 toestellen op een andere plaats terechtkwamen dan bedoeld. De eenheden raakten zo ver uit elkaar terwijl bij de landing nog diverse Fieselers beschadigd werden. Krüger kwam met slechts vier man terecht in de buurt van het plaatsje Lèglise, 2 kilometer van de afgesproken plek. Uiteindelijk verzamelde hij rond de 180 man om zich heen, maar liefst twee keer zoveel als bedoeld. Ondanks al deze tegenslag begon men belangrijke kruispunten te bezetten, telefoonlijnen te saboteren en zichzelf transportmiddelen te verschaffen, om zo voldoende troepen naar Garski te kunnen zenden.
Ondertussen was de verdediging in actie gekomen. De sector werd verdedigd door eenheden van de Belgische 1er Régiment de Chasseurs Ardennais en werd ondersteund door eenheden van de Franse 5ième Division Légère de Cavalerie. Deze laatste vormde een regelrechte bedreiging voor Krüger, die hierop besloot om aansluiting te zoeken met Garski. Toen om 10.30 uur de Belgische eenheden arriveerden in Lèglise, waren de Duitsers dan ook al weg.

Verder naar het noorden had Garski slechts 9 man tot zijn beschikking, maar begon toch met het uitvoeren van zijn opdrachten. Een tweede landing om 07.00 uur bracht hem wat versterkingen. Al snel volgde het eerste contact met de vijand, een Belgische patrouille met 10 man, een motorrijder en een T-13 Licht tank onder leiding van Lieutenant Emile Schweicher. Garski wist de aanval af te slaan en vervolgens Witry in te nemen. Tegen het middaguur bereikte ook Krüger hem en kon Garski een aanzienlijke strijdmacht van circa 300 man in gevecht brengen. Lieutenant Schweicher had ondertussen versterking gekregen van nog een T-13 tank en aan het eind van de middag liepen beide troepen elkaar tegen het lijf. De Duitse overmacht was echter te groot en na het verlies van een T-13 moesten de Belgen zich terugtrekken. Tegen de avond kon Garski contact maken met oprukkende eenheden van de 1.Panzer-Division. Wat was er ondertussen bij Nives gebeurd. Pas tegen 07.00 uur waren de eerste eenheden onder leiding van Leutnant Andreas Obermeier daar aanwezig. Na enige vervoersmiddelen te hebben gevorderd ging hij op weg om de omgeving te verkennen. Nabij Vaux kwamen ze in aanraking met de 5ième Division Légère de Cavalerie. Hoewel men een Panhard P-178 pantserwagen wist uit te schakelen werd Obermeier gedwongen terug te vallen op Nives. Daar kwamen beide eenheden in een patstelling te staan. Ook nabij Nives werden de Duitsers aangevallen door een Belgische patrouille. De Belgen wisten twee van de drie Junkers Ju 52/3m toestellen te vernielen die voorraden kwamen aanbrengen. Hierna trokken de Belgen zich terug, maar de Fransen vielen onverminderd aan. Onder de dekking van de invallende nacht wisten de Duitsers echter stand te houden tegen de Franse pantserwagens die zonder infanterie geen aanval op Nives konden ondernemen. Bij het aanbreken van de dag maakten de Duitsers in Nives contact met eenheden van de oprukkende 2.Panzer-Division.
Operatie Niwi was op zich geslaagd, maar de zwakke verdediging had een grote tol geëist. Totaal werden 30 man gedood, gingen 16 Fieseler Fi 156 en twee Junkers Ju 52/3m toestellen verloren. Aan de aanval zelf werd verder weinig ruchtbaarheid gegeven. Toch werden 46 IJzeren Kruizen (1e en 2e Klasse) uitgereikt en ontving Oberstleutnant Eugen Garski voor deze actie het Ritterkreuz zum Eisernen Kreuz.

Luftlandekommando Hedderich
De opmars van de 16.Armee moest op de linkerflank worden gedekt door het XXII.Armeekorps, waar het vooral de opmars van de Gruppe Von Kleist moest beschermen. Vooral de 34.Infanterie-Division had een belangrijke taak. Zij moest immers op de eerste dag van Fall Gelb, de rivier de Moezel oversteken en zo'n 40 kilometer Luxemburg binnentrekken. Hierbij wist men dat een Duitse aanval de Franse opmars van de 3ième Division Légère de Cavalerie zou uitlokken.
Toen operatie Niwi werd uitgedacht gaf Hitler zelf het bevel om nog een andere luchtlanding uit te laten voeren in Luxemburg ter dekking van de flank van de 16.Armee. Hiertoe werden vrijwilligers geworven uit de 34.Infanterie-Division. Totaal werden 125 manschappen verdeeld in 5 speciale eenheden met elk een eigen taak. Het bevel over de totale operatie werd gegeven aan Oberstleutnant Werner Hedderich van het Infanterie-Regiment.80. Dit resulteerde in de codenaam Luftlandekommando Hedderich.

Vanaf het vliegveld Trier-Euren zouden de mannen door vijfentwintig Fieseler Fi 156 Storch toestellen worden overgebracht. De eerste golf vertrok op 10 mei om 04.30 uur. Boven Luxemburg splitste de groep zich in vijf vluchten richting de doelen, de kruispunten nabij Bomicht/Petange, Aessen/Soleuvre, Foetz/Esch, Mechelacker/Bettembourg en Hau/Frisange. Al om 05.00 uur kon worden gemeld dat de landing een succes was. Ondertussen hadden de Vorausabteilung A en Vorausabteilung B van de 34.Infanterie-Division de bruggen over de Moezel bij respectievelijk Wormeldange en Remich onbeschadigd in handen gekregen. Al snel kon Vorausabteilung A contact maken met de gelande troepen bij Bomicht en Vorausabteilung B bij Mechelacker, voordat de Fransen hadden kunnen reageren. Bij Aessen kon met net contact maken met Vorausabteilung A voordat een Panhard P-178 pantserwagen van 3ième Division Légère de Cavalerie (behorende tot de 3ième R.A.M.) de Duitse luchtlandingstroepen kon aanvallen. De eerste aanval kon worden afgeslagen, maar tegen de middag kon het kruispunt worden veroverd door eenheden van het 4ième Regiment de Spahis, ondersteund door enkele Hotchkiss H-35 pantserwagens. Ondertussen was de Duitse hoofdaanval echter genaderd zodat de Fransen zich alsnog moesten terugtrekken.
De eenheid bij Hau onder leiding van Leutnant Hans Lauer moest zich al snel gewonnen geven aan een Franse aanval, waarbij Lauer werd gedood. De Franse opmars kwam echter al snel tot stilstand door de aanstormende Duitse hoofdmacht. Nabij Fetz kreeg de eenheid al snel versterking van Vorausabteilung B en trok verder naar de Franse grens. Hier moest men echter ook weer terugtrekken door een Franse aanval die kon doorstoten tot Esch alvorens te worden afgestopt. Na een veldslag die duurde tot in de avond moesten de Fransen hier echter ook weer terugtrekken.
De luchtlandingen van het Luftlandekommando Hedderich en de snelle opmars van de 34.Infanterie-Division had echter succes en kon al snel de overwinning in Luxemburg uitroepen. Het succes had slechts het leven gekost aan een dertigtal manschappen en het verlies van vijf Fieseler's. Op 12 mei werd het Luftlandekommando opgeheven en op 13 mei werd aan iedere deelnemer het IJzeren Kruis 2e Klasse toegekend, terwijl Oberleutnant Werner Hedderich het IJzeren Kruis 1e Klasse kreeg uitgereikt te Bascharage uit handen van General Ernst Busch, de bevelhebber van de 16.Armee.


De grensoverschrijdingen

Grensoverschrijdingen
Het zwaartepunt voor de Duitse aanval lag in de Ardennen. Hier zou de hoofdmoot van het Duitse pantserleger, gevormd door Panzergruppe Kleist (genoemd naar haar bevelhebber General Ewald Kleist), de doorstoot naar het Kanaal uitvoeren en zo trachten de geallieerde legers in tweeën te splitsen. Maar liefst zeven van de tien inzetbare pantserdivisies vormden het speerpunt van de aanval tussen Sedan en Dinant. België werd via Zuid-Limburg binnengevallen door de 6.Armee. Dit leger diende een sterke aanval uit te voeren op de belangrijkste Belgische verdedigingslinie langs het Albertkanaal.
Voor Nederland lag de voornaamste aanval in het gebied onder de grote rivieren. Met het in bezit nemen van de Moerdijkbuggen, de bruggen bij Dordrecht en bij Rotterdam hoopten de aanvallers een snelle weg te bewerkstelligen naar het hart van de Vesting Holland. De via Noord-Brabant oprukkende troepen dienden dan ook zo snel mogelijk naar deze bruggen op te rukken.
Het XXVI.Armeekorps moest in korte tijd de Duitse luchtlandingstroepen te hulp te komen en tegelijkertijd de linkerflank van de 18.Armee beschermen tegen een mogelijke aanval vanuit het zuiden.

Noord-Nederland
Ook in het hoge noorden in Groningen overschreden Duitse troepen de grens. Hier werd de aanval uitgevoerd door de 1. Kavallerie-Division (onder Generalmajor Kurt Feldt), die met circa 13.000 man de opdracht had om via de Afsluitdijk de Vesting Holland vanuit het noorden te veroveren.

Op vier plaatsen trok de 1. Kavallerie-Division Nederland binnen. Tussen Nieuweschans en Kloosterhaar moest de 1. Radfahrer-Abteilung oprukken richting Groningen, ondersteund door een pantsertrein die via Groningen en Leeuwarden naar de Afsluitdijk moest rijden om daar de Nederlandse troepen te verrassen.
Bij Emmercompascuüm trok het 2. Reiter-Regiment over de grens, versterkt met een batterij artillerie. Deze troepen dienden op te trekken naar Assen en Beilen.
De hoofdaanval werd ten zuiden van Coevorden uitgevoerd door het 1.Reiter-Regiment en het 22. Reiter-Regiment, onder leiding van Oberst F.M. von Senger und Etterlin. Dit gebied was gekozen omdat de afstand van de Duitse grens tot aan het IJsselmeer hier het kleinst was.
In reserve werd het 21. Reiter-Regiment gehouden.

Al om 03.00 uur verraste een Duitse pantsertrein de stationswacht bij Nieuweschans. Gelukkig kon de brug bij Buiskooldiep (ongeveer vier kilometer verder) worden opgeblazen en kwam de rit tot een vroegtijdig einde. Al snel wisten de Duitsers de brug te herstellen, maar de verdediging was ondertussen gewaarschuwd. De spoorbrug over het Zijlsterdiep werd vernield en de ingegraven Nederlandse troepen wisten de Duitse trein staande te houden. Hierop werd de pantsertrein teruggetrokken.

De Nederlandse verdediging in dit gebied bestond uit 5 bataljons infanterie en enkele ondersteunende eenheden, die een grenslijn van circa 75 km moesten bewaken. De leiding over deze troepen werd gevoerd door Territoriaal Bevelhebber in Friesland, kolonel J.Veenbaas.
Voor de verdediging van het gebied waren drie linies opgetrokken. Langs de grens bestond een zogenaamde O-lijn, waar een aantal grensdetachementen voor de bewaking zorgde. Zij dienden een inval te signaleren, vernielingen te plegen, waar mogelijk de vijandelijke opmars te vertragen en vervolgens terug te trekken op de hoofdlinie, de Q-lijn. Deze Q-lijn, werd door middel van een zogenoemde F-lijn verbonden met de IJssellinie, waarachter de Territoriaal Bevelhebber in Overijssel, kolonel J. Dwars, zijn troepen zou positioneren. Achter deze F-lijn posteerde kolonel Veenbaas het 2e Bataljon van het 33ste Regiment Infanterie (II-33R.I.). Hierboven werd de Q-lijn verdedigd door het 33R.I. onder reserve-luitenant-kolonel W.A. Groenendijk. Hij had hiertoe mede onder zijn bevel het II-33R.I., het I-36R.I., de 1e Reserve Grenscompagnie en het 1e Grensbataljon.
Het meest noordelijke deel viel onder de bescherming van reserve-luitenant-kolonel J.H. Sonne met zijn 36R.I., met het II-36R.I., de 12e Reserve Grenscompagnie, het 12e Grensbataljon en de 1e Depotcompagnie Bewakingstroepen.

Langs de gehele O-lijn vielen de Duitse troepen binnen, waarbij zij zeer wisselend succes hadden. Diverse bruggen werden door de verdedigende Nederlanders op eigen initiatief vernield. Om 05.30 uur gaf kolonel Veenbaas de opdracht alle troepen terug te trekken tot de Q-lijn. Tijdens de hier opvolgende terugtocht op deze linie wisten de Nederlandse troepen nog 236 grotere en kleinere bruggen onklaar te maken in het te ontruimen gebied.

IJssellinie
In Overijssel en Gelderland kreeg vanaf 03.44 uur op 10 mei te maken met het binnentrekken van de 207. Infanterie-Division en de 227. Infanterie-Division. Van de Grensbataljons had men weinig weerstand te duchten en de troepen konden dan ook snel oprukken in de richting van de IJssellinie. Hierachter had het Veldleger zich echter ingegraven. De IJssellinie was immers de eerste Nederlandse linie waar de Duitse troepen tegengehouden konden worden.
De IJssellinie was ingericht als voorpostenlinie, waar een aanvallende vijand zolang moest worden opgehouden totdat het grootste deel van de Nederlandse strijdkrachten zich achter de Grebbelinie had kunnen terugtrekken. De IJssellinie zelf werd hiertoe verdedigd door vijf bataljons die voornamelijk waren uitgerust met mitrailleurs en zich hadden opgesteld in kazematten en forten. Na de IJssellinie zouden drie Regimenten Huzaren op de fiets of op het paard nog vertragende acties ondernemen, alvorens de Grebbelinie zelf door de aanvallers kon worden bereikt. De bruggen over de IJssel dienden te worden overvallen door commandogroepen waarbij diverse Nederlanders waren ingedeeld die dienst deden voor de Duitsers. Veelal opereerden deze in nagemaakte Nederlandse uniformen. De spoorbruggen bij Westervoort en Zutphen dienden tevens als doorgang voor pantsertreinen die werden gevolgd door transporttreinen met aanvullende troepen.

De allereerste ontmoeting tussen Nederlandse en Duitse militairen zou echter al eerder plaatsvinden. Bij een versperring in het dorp Didam, werd tegen 02.15 uur een Rijwielpatrouille gekleed in Nederlandse uniformen, aangehouden door de aanwezige wachtpost. De eenheid zou op een oefeningspatrouille zijn en was in bezit van een marsorder ondertekend door kapitein Dijkstra. De commandant van de wachtpost, eerste luitenant T. Koster rook onraad omdat hij bij toeval het handschrift van kapitein Dijkstra kende en de ondertekening niet als de zijne kon ontcijferen. De groep werd vliegensvlug door de Nederlanders ontwapend en afgevoerd. Het bleken inderdaad Duitse militairen te zijn, verkleed in Nederlandse uniformen. Helaas hadden de ontwikkelingen elders een verdere afvoer van dit groepje Duitsers onmogelijk gemaakt. De groep werd uiteindelijk ingehaald en luitenant Koster werd krijgsgevangene gemaakt. Dit voorbeeld zal maar het topje van de ijsberg zijn geweest. Op diverse plaatsen trachtten, gestoken in Nederlandse militaire of politie-uniformen, groepjes Duitse militairen van het Bataillon Brandenburg, strategische posities in te nemen voorafgaand aan de komst van de hoofdmacht. Deze eenheden waren ondergebracht in het speciaal voor dit doel opgerichte Bau-Lehr-Bataillon z.b. V.800 te Brandenburg. Dit bataljon stond onder toezicht van de Abwehr Abteilung II.

De Duitse 207 en 227. Infanterie-Division trokken de Achterhoek in en wisten al snel de IJssellinie te bereiken. De 227. Infanterie-Division was opgesplitst in drie aanvalsgroepen. De bruggen bij Zwolle en Deventer waren het doelwit van de Schnelle Gruppe Nord, onder bevel van Sepp Dietrich, commandant van de SS Leibstandarte "Adolf Hitler". De stad Zutphen en de bruggen daar waren het doelwit van de Schnelle Gruppe Mitte, terwijl ten zuiden daarvan de Schnelle Gruppe Süd de IJssel moest zien over te steken.

De Schnelle Gruppe Nord had de meeste tijd nodig om de IJssel te bereiken. Pas om 12.05 uur kwam Sepp Dietrich in Deventer aan. De Nederlandse troepen hadden echter alle bruggen op tijd weten te vernielen en de Schnelle Gruppe Nord had geen middelen bij zich om de rivier over te steken, zodat zij naar het zuiden dienden te trekken. Over de bruggen bij Deventer diende Panzerzug 4, gevolgd door Truppenzug 4 en Truppenzug 4a, te trekken. Door de vele vernielingen onderweg bereikten deze echter pas om 12.05 uur Deventer.
Hier hadden de andere twee groepen al tegen 08.00 uur de IJssel bereikt, om eveneens te moeten constateren dat geen enkele van de aanwezige bruggen nog intact was. De commandant van de 227. Infanterie-Division, Generalmajor Friedrich Zickwolff, gaf de Schnelle Gruppe Mitte opdracht om ten zuiden van Zutphen de rivier over te steken. Om 11.20 uur staken zijn troepen in rubberbootjes de rivier over, om gelijk in een spervuur van het Ie Bataljon van het 35e Regiment Infanterie (reserve-majoor H.J. Tromp) terecht te komen. Aanvankelijk wisten zij de Duitsers zware verliezen toe te brengen. Het verlies van vuurkracht door de uitschakeling van enkele kazematten vanwege zwaar vijandelijk artillerievuur, maakte echter dat uiteindelijk om 14.15 uur enige Duitse troepen de andere oever konden bereiken. Genaralmajor Zickwolff besloot vervolgens om het zwaartepunt van de aanval hierheen te verleggen en liet zowel de Schnelle Gruppe Mitte als de Schnelle Gruppe Süd ter plekke de rivier oversteken. Nadat er een voldoende groot bruggenhoofd was veroverd, besloten de Duitsers om hier een pontonbrug te bouwen. Tevens werd besloten om Sepp Dietrich's Schnelle Gruppe Nord op dezelfde plaats de rivier te laten oversteken. Door gebrek aan brugslagmateriaal zou het nog tot 03.00 uur op 11 mei duren alvorens een brug klaar was om de 227. Infanterie-Division te laten oversteken. Doordat de gehele divisie over één brug moest, duurde het nog tot 12 mei alvorens men weer kon deelnemen aan de gevechten om de Grebbelinie.

Voor de hoofdaanvalsgolf van de 207. Infanterie-Division uit was een eenheid van het Bataillon zur besondere Verwendung gestuurd, welke gekleed in nagemaakte Nederlandse uniformen de brug bij Westervoort diende in te nemen. De hoofdmacht zou onder leiding van SS-Standartenführer George Keppler vervolgens over de brug heen trekken. Enkele andere eenheden dienden de noordelijker gelegen bruggen bij Doesburg in te nemen.

De overvaleenheid werd echter om 03.00 uur in Didam gearresteerd door oplettendheid van Nederlandse soldaten in die omgeving. De overvallers werden echter snel alweer bevrijd door de aanstormende hoofdmacht. Deze hadden de eenheden van het 22e Grensbataljon al snel weten te overmeesteren en rukten op in de richting van Arnhem. Ze werden hierbij vergezeld door een pantsertrein. Deze Panzerzug 7, bewapend met 2 kanonnen van 100 mm onder bevel van Oberleutnant Köhler, werd gevolgd door twee troepentransporttreinen: Truppenzug 7a, met het 1.Bataillon van de 374.Infanterie-Division versterkt met infanteriegeschut pantserafweergeschut, genietroepen en bruggenmateriaal, en Truppenzug 7b, met de 10.Kompanie, infanteriegeschut, pantserafweergeschut, mitrailleurs en genie.

Kapitein C.F. Heijnen, commandant van de 4e Compagnie, 3e Bataljon, 35e Regiment Infanterie (4-III-35R.I.) was door de schermutselingen aan de grens en de arrestatie van de overvalploeg echter gewaarschuwd en had de bemanning van het Fort Westervoort in paraatheid gebracht. De brug werd gelijk versperd en toen even later de pantsertrein arriveerde werd de brug opgeblazen. De trein werd onder vuur genomen met het geschut van 8-Staal, dat echter al snel iedere dienst weigerde. Hetzelfde gebeurde met veel van de mitrailleurs in de omringende rivierkazematten.
Nadat de trein was gedwongen om buiten schootsveld te rijden volgde een buitengewoon zware artilleriebeschieting. Hierop brak er brand uit in Fort Westervoort, waardoor al snel geen enkele verbinding met de buitenwereld mogelijk was. Een gecoördineerde verdediging werd hierdoor wel erg moeilijk. Toch wist men nog vuur uit te brengen op de Duitse troepen die vanaf 08.00 uur de IJssel in rubberbootjes begonnen over te steken. Na een uur vechten was de toestand echter onhoudbaar en moest men de strijd wel staken. De Duitsers hadden echter nog tot 16.00 uur nodig alvorens men hier een pontonbrug over de IJssel had geslagen en men ongehinderd verder kon trekken. Ondertussen hadden de terugtrekkende Nederlandse troepen de Rijnbrug bij Oosterbeek en andere vitale bruggen en viaducten bij Arnhem en Oosterbeek opgeblazen, acties die de nodige vertragingen voor de Duitse aanvallers zouden opleveren.
Bij Doesburg barstte het artillerievuur al om 06.00 uur los. Het was zo intens, dat binnen korte tijd de Nederlandse kazematten waren vernield. De Duitsers staken daarna met lichte verliezen de IJssel over. De verdedigers hadden echter de aanwezige schipbrug nog kunnen vernielen. Deze kon echter al snel worden hersteld. Bij Dieren werden de Duitsers weer tot staan gebracht, maar daar werd de weerstand om 13.00 uur gebroken. De over Arnhem oprukkende 207. Infanterie-Division stuitte ten westen van Renkum op een eskadron Huzaren, waardoor de Duitse eenheden opnieuw vertraging opliepen. Ook de oude rivierkanonneerboot Freyer (die in Arnhem op de Rijn was gestationeerd) mengde zich in de strijd en bestookte de Duitse troepen op de wal.

De IJsselbrug bij Zutphen was het doelwit van de 227. Infanterie-Division, ondersteund door Panzerzug 3. Deze trein overschreed om 03.55 uur de Nederlandse grens bij Borken. De trein werd echter opgemerkt door de Marechaussee in Winterswijk, die direct alarm sloeg. Zonder oponthoud bereikt de trein Zutphen om 05.45 uur, waar de brug echter al omstreeks 05.40 uur was opgeblazen. Een goed gecamoufleerde kazemat tegen de brugpeiler en andere Nederlandse opstellingen namen de Duitse troepen onder vuur. Hierbij werd een pantserwagen uitgeschakeld. Toen ook het geschut van de Panzerzug weigerde, besloot men de trein terug te trekken. Het zou nog tot laat in de middag duren voordat de Duitsers er in slaagden om hier de IJssel over te trekken.

Grebbelinie onder druk
Door de snelle opmars van de 207. Infanterie-Division konden de eerste eenheden van de daartoe behorende SS-Standarte "Der Führer" al op 10 mei 's avonds Wageningen binnentrekken. Het gros van de Nederlandse troepen had zich toen echter al kunnen nestelen in de Grebbelinie en de daar aanwezige voorposten. Tegenover de oprukkende Duitse troepen lagen dan ook eenheden van de IVe Divisie. De voorposten en de Grebbelinie in de aanvalslijn van de 207.Infanterie-Division werden bezet door het 8e Regiment Infanterie van luitenant-kolonel W.F. Hennink. Het enige gevechtscontact in het voorpostengebied van de Grebbelinie werd op 10 mei echter gevoerd door het 4e Regiment Huzaren, dat op de zuidelijke Veluwe vertragende acties moest ondernemen. Het zou nog tot in de vroege morgen van 11 mei duren alvorens de Grebbelinie op de proef zou worden gesteld.

Betuwe en Land van Maas en Waal
Een enkele rij kazematten met een onderlinge afstand van enkele honderden meters vormde de verdediging tussen Arnhem en Nijmegen, langs het Maas-Waalkanaal en langs de Maas. Telefoon tussen de kazematten bestond niet en communicatie was daarom zeer moeilijk. Bij rivierovergangen stonden grotere kazematten die waren bewapend met een stuk antitankgeschut. De bruggen bij Heumen, Malden, Hatert en Neerbosch over het Maas-Waalkanaal zouden worden overvallen door speciale overvalcommando's, die vervolgens de daarachter gelegen Maasbruggen bij Grave en Ravenstein moesten innemen. Over deze bruggen moest de snelle doortocht van de 9.Panzerdivision worden verzekerd.

De spoorbrug bij Neerbosch diende te worden ingenomen een pantsertrein door zou rijden naar de spoorbrug bij Ravenstijn. Een speciaal SS-kommando, uitgerust met pantserwagens en motorrijders werd ingezet voor de verovering van de brug bij Neerbosch. De commandant van de 1e Compagnie van het 11e Grensbataljon, kapitein F.J.A. Broers, welke de brug bewaakten, liet deze echter direct na binnenkomst van meldingen van grensoverschrijdingen om 04.17 uur springen. De SS-Gruppe onder leiding van SS-Untersturmführer Schittenhelm kwam juist op dat moment aan bij de brug evenals de goederentrein met troepen voor de brug bij Ravenstein. Het aanwezige Nederlandse pantserafweergeschut nam de Duitsers direct onder vuur, waarop deze zich terugtrokken. Even na 04.30 uur kreeg het Detachement Politietroepen welke de brug bij Ravenstein bewaakte, opdracht om deze brug eveneens op te blazen, wat om 05.15 uur geschiedde. De Nijmeegse Waalbruggen dienden te worden veroverd door de Gruppe Nimwegen, een versterkt bataljon van de 254.Infanterie-Division. Om 04.30 uur werd de spoorbrug echter al opgeblazen, juist voor aankomst van de overvaleenheid bestaande uit leden van dezelfde SS-Gruppe die de brug bij Neerbosch diende te bezetten.
De bij Malden gelegerde compagniescommandant reserve-kapitein A.W.J. Peeters had al snel bemerkt dat de Duitsers de grens waren overgestoken. Hij gaf dan ook gelijk opdracht om de brug bij Malden op te blazen. Er gebeurde echter niets en al snel bleek de wacht bij de brug al in Duitse handen was. Inderhaast verzamelde de kapitein een aantal manschappen om zich heen, greep wat wapens en door snel handelen wist men de verbaasde Duitsers te overrompelen en de brug alsnog op te blazen.
De brug bij Heumen was al snel ongeschonden in Duitse handen gevallen. De eerste sectie van de 4.Kompagnie Brandenburg had onder bevel van Oberleutnant Wilhelm Walther de brug intact kunnen veroveren. Om echter gebruik hiervan te kunnen maken was ook een overvalcommando naar de brug bij Grave gestuurd, de Gruppe Grave onder leiding van Major Einstmann. Deze had echter weinig initiatieven getoond. De brug bij Grave bleek al opgeblazen en de Major was maar gaan slapen. Hierdoor was dus alle Duitse hoop gevestigd op de brug bij Gennep. Er was immers een brug nodig om de 9.Panzer-Division over de Maas te zetten.

De Maasbruggen
Zoals vermeld hadden de Duitsers voor het veroveren van de bruggen over de Nederlandse rivieren speciale overvalcommando's opgericht. Vaak maakten deze commando's gebruik van vermommingen, waardoor de verdedigers van de bruggen om de tuin werden geleid. Men schuwde niet om als Nederlandse militairen verkleed te gaan om zodoende hun doel te bereiken.
De eenheden die hiervoor in het leven was geroepen waren het Bau-Lehrbataillon zur besondere Verwendung 800 uit Brandenburg en het Bataillon zur besondere Verwendung 100 uit Breslau. Ze waren getraind en opgezet door Admiral Wilhelm Canaris zelf, het hoofd van de Abwehr. De Duitse eenheden werden aangevuld door Nederlandse W.A. (Weerafdeling van de N.S.B.) -leden onder leiding van Hubert Köhler, georganiseerd in de turnvereniging "Sport en Spel".

De spoorbrug bij Gennep was het hoofddoel omdat daarover de Duitse Panzerzug 1 voor de aanval op de Peel-Raamstelling moest trekken. Oberleutnant Walther ondernam zelf met een groep de overval op de brug bij Gennep. Hierbij moesten gelijktijdig het station van Gennep en een bruggetje over de Niers worden veroverd. De brug over de Niers en het station konden snel en zonder slag of stoot worden ingenomen. Een bij het station aanwezig lid van de Marechaussee, wist echter telefonisch de bewaking van de spoorbrug bij Gennep te waarschuwen. Op datzelfde moment echter waren de Duitsers al gearriveerd. De wachtposten aan de oostelijke kant werd overvallen door negen Brandenburg-Bataillon mannen. De Nederlandse W.A. mensen bij deze groep belden de bewaking aan de westoever met de mededeling dat twee Marechaussees een aantal Duitse gevangenen zouden overbrengen. De in Marechaussee-uniform gestoken Duitsers namen zo hun eigen kameraden mee en lieten hen aan de overzijde overnemen door de Nederlandse bewaking. De wachtpost midden op de brug, die mede verantwoordelijk was tot het opblazen van de brug, hoorde ondertussen een trein naderen en belde naar de westelijke oever om instructies. Daar werd hem gemeld dat hij moest wachten met het opblazen van de brug. Vervolgens werd ook de wachtpost aan de westzijde overmeesterd en konden over de genomen brug stoomde direct een pantsertrein, gevolgd door de troepentrein met het IIIe Bataljon van het 481.Infanterie-Regiment (Major Rüdi Schenk) passeren. De gevechten in dit gebied zouden later bekend worden onder de noemer "de slag bij Mill".

Om de 9.Panzer-Division te kunnen overzetten had men echter een sterkere brug nodig en er werd even ten zuiden van Gennep een pontonbrug aangelegd. Het gevolg was dat pas na middernacht de gehele pantserdivisie verder kon. De oorspronkelijke brug die men had willen passeren, bij Grave, was immers door de Nederlanders opgeblazen.
Op andere plaatsen noordelijk en zuidelijk van Gennep, trachtten diverse Duitse eenheden van vooral de 56.Infanterie-Division de Maas over te steken, veelal in rubberbootjes. Op tien plaatsen werd, voorafgegaan door zware artilleriebeschietingen, getracht de Nederlandse kazematten stuk voor stuk uit te schakelen. Op een aantal plaatsen kwam dit tot verbitterde gevechten. Diverse Nederlandse eenheden hebben zich langs de Maaslinie zeer heldhaftig verzet en zelfs bij hun Duitse aanvallers respect afgedwongen. Vooral 171.Infanterie-Regiment bij Broekhuizen, 192.Infanterieregiment bij Grubbevorst en 234.Infanterie-Regiment bij Blerick hadden het zwaar tegen de Nederlandse kazematten. De Maasbrug bij Mook werd om 04.30 uur opgeblazen nadat men al contact had gehad met "verdachte" troepen aan de Mookse zijde van de brug, waar men op had gevuurd. Pas om 05.30 uur verschenen overigens de eerst Duitse troepen bij de brug.

De brug bij Roermond was van belang voor de opmars van de 3.Panzer-Division, als onderdeel van de 6.Armee. Bij Roermond en Venlo hadden Nederlandse troepen echter net op tijd de bruggen kunnen opblazen. Bij Venlo had dit tot resultaat dat de daarheen gedirigeerde pantsertrein onverrichterzake kon terugkeren. Ook de op de Maas aanwezige achttien veerponten konden worden opgeblazen, op één na, bij Roermond. Het gevolg was dat de Duitsers tijd gingen verliezen doordat eerst de nodige bruggen moesten worden gebouwd. Tussen Roermond en Maaseik diende de 2e sectie van de 4.Kompagnie Brandenburgers onder Leutnant Siegfried Grabert de bruggen in handen te krijgen. Slechts op één plaats, de brug over het Julianakanaal bij Maaseik, viel onbeschadigd in hun handen.

Al ver voor de geplande aanval waren Duitse troepen aan de grens samengetrokken. De brug bij Venlo werd gezien als een cruciaal onderdeel voor het verdere verloop van de campagne. Al tussen kerst en nieuwjaar 1939-1940 was het III.Batallion van het 234.Infanterie-Regiment (56.Infanterie-Division) aangevuld met een wielrijdersgroep en diverse andere troepen bijeengebracht nabij Straelen. Op het rangeerterrein van Lobbericht was een Truppenzug opgesteld met een reservetrein op Krefeld. Om 04.15 uur werd de Nederlandse grens door de Truppenzug gepasseerd. Nabij Tegelen werd de trein voor het eerst onder vuur genomen door Nederlandse Wachtdiensten. Onder vuur wist de trein tot nabij de brug in Venlo te geraken om daar tot stilstand te komen omdat de wissels naar dood spoor leidden. Duitse stoottroepen stapten uit en vochten zich een weg naar de brug. Halverwege op de brug gekomen werd deze echter door de Nederlandse bewakingstroepen (Detachement Politietroepen en 4e Compagnie van het 2e Grensbataljon) opgeblazen, de onfortuinlijke Duitsers met zich meesleurend in de Maas. Pas op 12 mei wisten Duitse genietroepen de brug te repareren.

Voor de inname van de bruggen nabij Roermond (Buggenum) en over de Roer zelf was het 74.Infanterie-Regiment versterkt met enige andere eenheden. Onder andere werd het II.Batallion 59.Infanterie-Regiment vervoerd met een Truppenzug welke was vergezeld door Panzerzug 5. Dit bataljon zou de spits van de aanval voor de bruggen vormen. De voorbereiding op de aanval werd ondernomen door een eenheid van 13 man onder leiding van Unteroffizier Haut. Deze overschreed de Nederlandse grens om 0.55 uur onder begeleiding van een groep van 6 leden van het "Baulehr-Bataillon zur Besondere Verwendung 800", gekleed in kleding van NS-wegwerkers. Om 03.00 uur werd de wachtdienst bij de brug gewaarschuwd dat er verdachte figuren langs de spoorlijn liepen. Na de aanhouding van de overvalgroep nabij de Maasbrug ontstond een vuurgevecht en terwijl de Duitse aanvallers over de brug renden werd deze opgeblazen. Ongeveer 20 minuten later (circa 04.20 uur) verscheen de pantsertrein welke direct onder vuur werd genomen door Nederlands geschut en mitrailleurvuur. De Panzerzug werd hierdoor zwaar beschadigd. Ook de andere bruggen over de Roer konden op tijd worden opgeblazen.

In het zuidelijkste puntje van Nederland, vielen, langs de Maas, de divisies van de Duitse 6.Armee op diverse plaatsen aan tussen Arcen en Vaals. Ook hier werd getracht om met behulp van acties van de Abwehr de bruggen in te nemen. De Nederlandse bruggen moesten zo snel mogelijk in handen worden genomen voor de verdere opmars door België. De 4.Panzer-Division vormde de speer van de aanval bij Maastricht. Tussen Eysden en Maasbracht werd ze ondersteund door zes infanteriedivisies.
In Zuid-Limburg werden zij ingezet voor de verovering van de bruggen over het Julianakanaal en de Maas. De meeste overvallen door de Duitse Abwehr konden worden voorkomen, maar de sterkte van de Duitse hoofdmacht was te groot. De bruggen bij Maastricht (St. Sevaesbrug, Wilhelminabrug en de Spoorbrug), konden nog worden opgeblazen. De Nederlandse verdedigers gaven zich pas gewonnen na vastberaden tegenstand, maar konden de aanvallen niet langer ophouden dan enkele uren. Ook hier bestookten de Duitsers de verdedigers met artillerievuur voordat met de overtocht werd begonnen. Er kon gemeld worden dat vijf bruggen (Stein, Urmond, Berg, Obbicht en Roosteren) over het Julianakanaal onbeschadigd in handen van de Duitsers waren gevallen; hier had de Abwehr wel successen geboekt. De brug bij Obbicht kon men pas veroveren na bijna vier uur heldhaftig verzet door Nederlandse troepen. Daarna kon de 6.Armee via Limburg verder doorstoten naar België. De situatie veranderde in Zuid-Limburg zo snel dat de Territoriaal Bevelhebber, luitenant-kolonel A. Govers al om 09.30 uur zich genoodzaakt zag om Maastricht aan de Duitsers over te geven.

De slag bij Mill
Doordat de spoorbrug bij Gennep in handen was gevallen van de Duitsers, konden de twee treinen met aan boord het IIIe Bataillon van het 481.Infanterie Regimen ongestoord doorstoten naar de Peel-Raamstelling. Men had gekozen een doorbraak bij Mill te forceren vanwege de strategische ligging van dit plaatsje aan een aantal wegen en de spoorlijn.
De verdedigingswerken in dit gebied waren berekend op een verdediging door een gehele divisie (VIe Divisie, IIIe Legerkorps). Door de Nederlandse tactiek waren er echter slechts drie infanteriebataljons gelegerd, namelijk I-3 R.I., I-6 R.I. en III-14 R.I..
Men had geen pantserafweergeschut en slechts twaalf verouderde 8-staal kanonnen van een afdeling van het 20e Regiment Artillerie.
Deze troepenconcentratie en de naderende Duitse treinen moesten wel leiden tot een confrontatie. Even na 04.00 uur zagen de verbaasde Nederlandse militairen een gepantserde trein aankomen. Deze en de daaropvolgende troepentrein passeerden ongehinderd bij Mill de Peel-Raamstelling en lieten hun troepen uitstappen in de buurt van halte Zeeland. De verbazing van de Nederlanders had echter niet lang geduurd en na het passeren van de trein had men de doorgang in de linie al afgesloten met de aspergeversperring. Na het lossen van de manschappen keerde de pantsertrein in volle vaart terug en liep door de aangebrachte versperring uit de rails. In de daarna verwarrende gevechten wisten de Nederlandse troepen zich kranig te verweren, maar konden niet voorkomen dat de Duitsers de overhand kregen. Zeker toen eenmaal vanuit Gennep versterkingen arriveerden. De aanval duurde echter nog tot 18.45 uur op 10 mei alvorens de Duitsers de Peel-Raamstelling daadwerkelijk als doorbroken konden beschouwen. Door deze toch wel heroïsche strijd konden het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie zich op tijd terugtrekken tot de Vesting Holland en had men zich aan de Peel-Raamstelling in ieder geval gehouden aan zijn taak.

Situatie in Nederland na de eerste oorlogsdag
Resumerend kan gesteld worden, dat de vijand op 10 mei met een geweldige legermacht Nederland was binnengevallen en de Nederlandse legerleiding had verrast met luchtlandingsoperaties achter de linies. Toch was de eerste oorlogsdag niet helemaal ongunstig verlopen. De luchtlandingsoperaties rond Den Haag waren onder controle en troepen stonden klaar om de geïsoleerde Duitse troepen te elimineren. De grenstroepen hadden hun taak goed volbracht en hadden lucht gegeven voor de organisatie van de hoofdverdedigingslinie. Een groot verlies was echter dat de Nederlandse luchtverdediging nagenoeg was uitgeschakeld.

Er waren ook zorgen. De Duitsers beheersten de as Moerdijk-Rotterdam en verder waren Duitse troepen doorgebroken in de Peel-Raamlinie. Ook was de Nederlandse luchtmacht gereduceerd en konden de overgebleven vliegtuigen alleen nog gebruikt worden voor verkenning en summiere hulp bij de verdediging.
Wel waren gesprekken geopend met de Franse legerleiding, die toezegde troepen en tanks te sturen om de Moerdijkbruggen te ontzetten. Direct toen het nieuws bekend werd dat Nederlandse vliegvelden waren aangevallen had de Nederlandse regering maatregelen genomen om de geallieerden om hulp te verzoeken. Op hetzelfde moment dat de Duitse tanks op weg naar Dordrecht en Rotterdam gingen trok de Franse 7ième Armée (Général Giraud) via België naar Nederland als onderdeel van de Breda-variant in het Dijle Plan. Bij aankomst in Breda, was de Nederlandse situatie echter al zodanig dat de belangrijkste troepen al waren teruggetrokken in de Vesting Holland. In de middag van 11 mei splitste Giraud daarom zijn troepen. Een deel trok naar Tilburg om daar tegen de voorhoede van de Duitse 9.Panzer-Division te lopen. Door het volledige Duitse luchtoverwicht, waren de Fransen al snel gedwongen zich terug te trekken.
Al vroeg in de ochtend werd tevens een proclamatie opgesteld, die door koningin Wilhelmina zou worden voorgelezen aan het Nederlandse Volk. Het werd een diplomatiek scherpe veroordeling van de Duitse inval.

Proclamatie Koningin Wilhelmina:

Mijn volk,

Nadat ons land met angstvallige nauwgezetheid al deze maanden een stipte neutraliteit had in acht genomen en terwijl het geen ander voornemen had dan deze houding streng en consequent vol te houden, is in de afgelopen nacht door de Duitse Weermacht zonder de minste waarschuwing een plotselinge aanval op ons gebied gedaan. Dit, niettegenstaande de plechtige toezegging dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien zolang wij haar zelf handhaafden. Ik richt hierbij een vlammend protest tegen deze voorbeeldloze schending van de goede trouw en aantasting van wat tussen beschaafde staten behoorlijk is. Ik en mijn Regering zullen ook thans onze plicht doen. Doet gij de uwe, overal en in alle omstandigheden, ieder op de plaats waarop hij is gesteld, met de uiterste waakzaamheid en met die innerlijke rust en overgave waartoe een rein geweten u in staat stelt.

Was getekend: Wilhelmina.

Ook trachtte men de nodige geallieerde hulp naar Nederland te krijgen. Al op 23 maart had generaal Henri Winkelman in een memorandum aan de gezanten in Brussel, Parijs en Londen laten weten hoe in een dergelijke situatie te handelen. Frankrijk zou worden gevraagd een Legerkorps met vier divisies gereed te houden. De Britten zou worden verzocht een divisie naar Zeeland te sturen, luchtdoelgeschut voor de Vesting Holland beschikbaar te stellen en vier squadrons jagers naar Nederland te sturen, vergezeld door twee squadrons verkenners. België zou slechts worden geïnformeerd over de situatie. Overste Van Voorst Evekink, de militaire attaché in Parijs, vertrok direct naar Général Gamelin. Hij kreeg slechts Général Giraud's 7ième Armée, zonder enige belofte dat die ook werkelijk zou arriveren. In Londen toog luitenant-ter-zee de Booy naar de Britse Admiralty, maar kreeg daar alleen te horen dat Britse eenheden zouden worden gestuurd om belangrijke zaken als haveninstallaties en voorraden te vernietigen. Deze Demolition Parties waren al in gereedheid gebracht. Bij het Air Ministry kreeg hij eveneens nul op request. Bij het War Office werd hij niet eens ontvangen door de noodzakelijke personen.
Nederland stond er dus nagenoeg alleen voor.

De aanval op België
België werd in het noorden binnengevallen door de 6.Armee via Nederlands Limburg richting het Albertkanaal en langs de oostoever van de Maas richting Namen en Dinant. Meer zuidelijk ging de aanval door Luxemburg langs de as St. Hubert-Montherme en langs de as Aarlen-Sedan, beide in de richting van de Maas.
Voor de Duitse troepen was in het noorden de doorbraak van de linie langs het Albertkanaal cruciaal en in het zuiden de oversteek van de Maas, waarna de race naar het Kanaal kon beginnen. Langs de Maas en het Albertkanaal had het Belgische leger zoals eerder aangegeven haar belangrijkste verdedigingslinie opgesteld.

Noord-België
Langs het Albertkanaal waren 3 regimenten van de Belgische 7de Infanteriedivisie onder bevel van generaal Eugène van Trooyen, gelegerd. Deze divisie was een onderdeel van het 1ste Legerkorps onder leiding van generaal Alexis Vander Veken. In het noorden werden de 2de Karabiniers opgesteld bij de bruggen van Veldwezelt, Briegden en Gellik. Naast hen, in het centrum lag de 18de Linie, met als verdedigingscentrum de brug van Vroenhoven. Het zuidelijke front werd verdedigd door de 2de Grenadiers, met als belangrijkste punten de bruggen van Kanne, Ternaaien en Klein-Ternaaien. Men hoopte de Duitse invallers langs dit 19 kilometer lange front tegen te kunnen houden tot de geallieerden te hulp zouden komen. De bruggen zelf werden echter bewaakt door speciale troepen onder leiding van de commandant van het fort Eben-Emael, majoor Jean Jottrand (Kanne, Ternaaien en Klein-Ternaaien) en troepen onder leiding van kapitein-commandant Henri Giddelo van de Grenswielrijders (Briegden, Veldwezelt en Vroenhoven).

Het Albertkanaal werd gezien als een nagenoeg onoverkomelijke brede tankgracht, die de Duitsers zeker vijf dagen konden tegenhouden. Achteraf zou blijken, dat de slag aan het kanaal exact twee dagen zou duren.
Dat kwam voornamelijk omdat de Belgen niet hadden gerekend op de inzet van luchtlandingstroepen. Toen deze op de vroege morgen van 10 mei op diverse plaatsen bij het Albertkanaal werden neergelaten was de verassing dan ook groot. Door snelle acties wisten de Duitse luchtlandingstroepen de vernietiging van een aantal bruggen over het Albertkanaal te verhinderen en de Duitsers richtten daarna verdedigende posities in om op de komst van de grondtroepen te wachten. In feite was hiermee de linie langs het Albertkanaal al door de Duitsers doorbroken. Alleen de voor de Duitse aanval belangrijke Kannebrug kon wel worden opgeblazen. Ook waren de Belgen in staat geweest om het Belgische deel van de brug bij Maaseik op te blazen. De noodbrug die hierdoor door de Duitse troepen moest worden gebouwd kwam pas in de middag klaar. Ook door het opblazen van de bruggen bij Maastricht moesten daar pontonbruggen worden geslagen. Pas in de nacht van 10 op 11 mei kwamen twee bruggen klaar en konden de tanks hun troepen bij het Albertkanaal gaan ondersteunen. Hierdoor kon de Belgische verdediging nog volhouden tot in de ochtend van 11 mei. Duitse versterkingen en het met rubberbootjes overzetten van Duitse troepen dwongen uiteindelijk de verdedigers op de knieën.
Om de situatie te redden werden diverse aanvalsvluchten gemaakt door Belgische, Britse en Franse vliegtuigen, maar door de Duitse suprematie in de lucht en de luchtdoelkanonnen rond de veroverde bruggen, slaagden deze operaties niet. De geallieerden leden bij deze aanvallen ernstige verliezen aan vliegend materieel en personeel.

De geallieerde reactie
De Duitse doorbraak stelde de geallieerden voor logistieke en tactische problemen. Bij het opstellen van het Dijle-plan, werd er rekening mee gehouden dat het Belgische leger langs het Albertkanaal zeker vijf dagen stand zou kunnen houden. Genoeg voor de geallieerden om hun posities langs de Dijle en tot Noord-Brabant in te nemen. De ontwikkelingen zorgden er nu voor dat de voorbereidingstijd veel korter werd. Ondanks dat het al rond 04.30 uur bekend werd dat Duitse troepen de grens met België en Luxemburg waren overschreden, duurde het nog geruime tijd voordat de marsorders naar de eenheden gingen. Alerte 1 en Alerte 2, de eerste twee stappen in het uitvoeren van het Dijle-plan, werden daardoor met onnodige vertraging afgegeven. Om 05.30, werd opdracht Alerte 3 afgegeven waarmee de geallieerde troepen mochten oprukken tot aan de Frans-Belgische grens. Nadat de Belgische regering formeel om bijstand had gevraagd, werd om 06.45 uur Alerte 4 afgegeven waarmee de troepen toestemming kregen Belgisch grondgebied te betreden. Dit Belgische verzoek was pas om 06.25 uur afgegeven, bijna twee uur na de Duitse grensoverschrijdingen.

Pas om 07.00 uur was Gamelins order direct naar de Franse Groupe d'Armées 1 gegaan om Plan-Dijle uit te voeren.
Zoals vermeld snelde Général Giraud met zijn 7ième Armée zeer vlot naar het Noorden. De 1ière Division Légère Méchanique was in twee groepen vooruitgestuurd. De Groupement Lestoquoi had als bestemming Antwerpen en de Groupement de Beauchesne diende Zeeland en de verbinding tussen Noord-Brabant en Zeeland zeker te stellen. De eerste troepen die de Belgische grens rond 10.00 uur overschreden waren de 6ième Cuirassiers, als voorhoede van de Groupement Lestoquoi en passeerden de Nederlandse grens om 21.30 uur. De troepen voor Zeeland gingen in de namiddag in Breskens aan boord van schepen en waren 's avonds in Vlissingen. De voorhoede van de Groupement de Beauchesne bereikte in de ochtend van 11 mei Roosendaal terwijl op datzelfde moment de voorhoedes van de Groupement Lestoquoi het eerste contact maakten met de Duitsers nabij Moerdijk. De tanks van de 1ière Division Légère Méchanique werden 's middags pas uitgeladen van de trein in Mechelen terwijl de eerste eenheden van de 25ième Division Infanterie Méchanique pas 's avonds in Nederland arriveerden.
Het BEF nam ook redelijk vlot haar posities in langs de Dyle lijn tussen Louvain en Wavre. Al rond 05.45 uur werden op het Britse hoofdkwartier in Arras de marsorders ontvangen. Rond 13.00 uur passeerden de eerste Britten van de 12th Royal Lancers de Belgische grens en namen enige tijd later hun posities langs de Dijle. De volgende morgen nam de 3rd Infantry Division zijn positie in Leuven op de linkerflank in. De rechterflank werd ingenomen door de 2nd Infantry Division terwijl de 1st Infantry Division het midden bezette.
In het centrum van de geallieerde troepen bevond zich de 1ière Armée (Général Blanchard ), tussen Wavre en Namen. Dit leger stond bekend als het sterkste van de Franse eenheden. Het was gevormd uit acht infanteriedivisies waarvan drie gemechaniseerd. De voorhoede werd gevormd door Général René Prioux's Corps de Cavalerie,/i> en het 2ième en 3ième Division Lègére Méchanique.

De Détachement de Découverte van de 3ième Division Légère Méchanique bereikte haar posities aan het Albertkanaal en nabij Maastricht rond 17.40 uur op 10 mei. Een ander Détachement de Découverte, de DD Montardy maakte contact met Sturmabteilung Koch nabij Veldwezelt. De 2ième Division Légère Méchanique nam haar posities in ten noorden van Namen.
De 9ième Armée (Général André Corap) sloot aan op de 1e langs de rivier de Maas. Hiermee zou dit leger de hoofdaanval van de Duitse opmars door de Ardennen te verwerken krijgen. De 80 km tussen Namen en Pont-à-Bar moest worden bezet met slechts zeven infanteriedivisies. De rechterflank bevond zich al gelijk in positie, maar de linkerflank moest naar België oprukken. Naast twee infanteriekorpsen dienden de 1ière Division Légère Cavalerie, de 4ième Division Légère Cavalerie en de 3ième Brigade de Spahis haar posities langs de Maas in te nemen. Het Belgische Opperbevel had besloten het gebied niet in haar bescherming op te nemen en de bevelhebber van het Belgische Groupement K (1ste Divisie Ardense Jagers en enkele regimenten van de 1ste Cavaleriedivisie), generaal Maurice Keyaerts had om 03.45 uur op 10 mei de opdracht gegeven om alle belangrijke verbindingspunten en bruggen te vernielen. Het mag duidelijk zijn dat deze acties de verdedigers uiteindelijk voor meer problemen stelden dan dat ze geholpen werden.
De meest oostelijke rand van de geallieerde reactie werd gevormd door de 3ième Armée van Général Charles-Marie Condé. Dit leger moest bij de Duitse aanval het Groothertogdom Luxemburg binnentrekken. De oprukkende eenheden, bestaande uit eenheden van de 3ième Division Légère Cavalerie, de 1ière Brigade de Spahis, een compagnie tanks van de 5ième Brigade Chasseurs Cuirassiers en diverse verkenningseenheden onder leiding van Général Robert Petiet trokken om 07.30 uur Luxemburg binnen. Direct over de grens kwam men al in aanraking met eenheden van het Luftlandekommando Hedderich. De Franse opbouw kwam zo traag op gang dat de Duitse luchtlandingstroepen al versterking kregen van de 34.Infanterie-Division. Nabij Sanem kwam het tot gevechten tussen de Vorausabteilung A en de 1ière Brigade de Spahis. Hierbij werden de Duitsers toch teruggedrongen en tijdens een gevecht tussen de 34.Infanterie-Division en het 6ième Régiment de Spahis tussen Sanem en Bascharage werd de Duitse divisiecommandant Generalleutnant Hans Behlendorff ernstig gewond.
Tegen het einde van de 10e mei was Plan Dijle volledig in werking gezet. Ondanks alles was de operatie nog vlot voltrokken. Ondanks het vlotte opereren van de geallieerden ondervonden zij heel veel hinder van Belgische wegversperringen. Vreemd genoeg werd pas rond 07.00 uur door de Belgische legerleiding het bevel gegeven de versperringen in het zuiden te verwijderen.

De hoofdaanval
Volgens de Franse generale staf waren de dichte bossen van de Ardennen "ondoordringbaar" en daarom werden slechts lichte strijdkrachten in dit gebied gelegerd. De Duitsers waren een andere mening toegedaan, en mede vanwege de geallieerde strategie, werden de Ardennen de sleutel van de Duitse planning.

De punt van de Duitse aanval werd gevormd door de Panzergruppe Kleist bestaande uit het XIX.Panzerkorps (1., 2. en 10.Panzer-Division en het Grossdeutschland Regiment) onder bevel van General Heinz Guderian en het XLI.Panzerkorps (6. en 8.Panzer-Division) onder bevel van General Reinhardt. Het XIV.Motorizierte Korps van General Von Wietershiem ondersteunde beide korpsen. De noordelijke flank werd beschermd door het XV.Panzerkorps (5. en 7.Panzer-Division).
Om 5.32 uur trokken de tanks van Major-General Erwin Rommel (7.Panzer-Division) in het zuiden van België over de grens. Hun doel was de Maas bij Dinant, een tocht van bijna 65 kilometer, die zonder noemenswaardige problemen werd afgelegd.
Op ongeveer hetzelfde moment trok Panzergruppe Kleist iets zuidelijker over de grens van Luxemburg, in de buurt van Vianden. Generaal Guderian (de commandant van de speerpunt van deze aanvalsmacht) had maar één doel voor ogen: het Kanaal.
Drie reusachtige falanxen van tanks, pantserwagens en gemechaniseerd geschut, met een totale lengte van 150 km, trokken de grens over, onder bescherming van een reusachtig scherm jachtvliegtuigen.

Tegenover deze aanval stonden twee slecht bewapende Franse legers, Général Corap met zijn 9ième Armée (vier infanterie divisies, twee lichte gemechaniseerde divisies en twee cavaleriedivisies) en Général Huntzinger met zijn 2ième Armée (vijf infanteriedivisies en twee cavaleriedivisies).
De Fransen stuurden twee lichte cavaleriedivisies de Ardennen in ter verkenning en om vertragingsacties uit te voeren. De Franse cavaleristen stootten eerder op de vijand dan werd verwacht. De Ardennen bleken voor de Duitsers helemaal geen hindernis te vormen. Ze werden dan ook geholpen door de geallieerden, die nauwelijks vernielingen uitvoerden of versperringen opwierpen. Tegen de avond van 10 mei stootte de 2ième Division Légère de Cavalerie van de Fransen op de 10.Panzer-Division van Guderian. De Fransen werden teruggeslagen en hetzelfde gebeurde met de rest van de Franse cavalerie de volgende dag.

 


Nederland Capituleert

De Grebbelinie onder vuur
De strijd om de Grebbelinie werd om 02.00 uur op 11 mei ingeleid door een zware artilleriebeschieting door de Duitsers op de voorposten van de linie. Deze beschieting had al gelijk tot gevolg dat in het voorpostengebied de nodige verbindingen uitvielen en wapens buiten gevecht werden gesteld. De Duitse aanval werd vervolgens ingezet door de SS-Standarte “Der Führer”. Ondanks hevig verzet van de 3e Compagnie van het IIe Bataljon van het 19 Regiment Infanterie, moesten ze al snel wijken onder de Duitse druk. Hierdoor kwam ook de 3e Compagnie van het zuidelijker gelegen IIIe Bataljon-8R.I. onder zware druk te staan. Langs het gehele front tegenover het 3-III-8R.I., wist de SS-Standarte “Der Führer” langzaamaan de Nederlandse troepen achteruit te drijven. Het duurde echter nog tot 17.30 uur voordat de Duitsers werkelijk de Nederlandse stellingen in het voorpostengebied binnen konden trekken. En enige uren later kon SS-Standartenführer Keppler constateren dat zijn eenheid de Grebbelinie zelf kon gaan aanvallen.

De strijd in het voorpostengebied voor Rhenen had zodoende nog de gehele dag geduurd. 1-III-8 R.I. en 3-III-8 R.I. hadden samen met de 1e sectie van 3-II-19 R.I., de SS-Standarte “Der Führer” in het voorpostengebied van 02.00 uur tot 17.30 uur bezig weten te houden en pas om 22.00 uur voelde SS-Standartenführer Keppler zich zeker genoeg om een aanval op de Grebbelinie te overwegen.
Ondertussen had generaal-majoor Jacob Harberts, de bevelhebber van het IIe Legerkorps, natuurlijk niet stilgezeten. Aanvankelijk duurde het nog tot 13.00 uur op 11 mei voordat hij enig inzicht kreeg in de werkelijke ernst van de situatie zoals die door de aanval op de voorposten van de Grebbeberg was ontstaan. Het reservebataljon van II-19 R.I. kreeg opdracht om een tegenaanval te ondernemen. Deze aanval zou plaatsvinden, dwars door het gebied dat verdedigd werd door de overblijfselen van het 8e Regiment Infanterie. Men had echter vergeten om deze laatsten van de aanval op de hoogte te brengen. Het mag dan ook niet verwonderlijk zijn dat de nerveuze troepen in de stoplijn van de Grebbelinie dachten in de rug te worden aangevallen, zodat zij de aanval met eigen vuur beantwoordden. De verwarrende situatie die ontstond had echter wel tot gevolg dat de voorgenomen aanval van de SS-Standarte “Der Führer” op de Grebbeberg werd uitgesteld.
Alle activiteiten aan Nederlandse zijde, hadden de divisiecommandant van de 207.Infanterie-Division, Generalleutnant Karl von Tiedeman, tot de overtuiging gebracht dat hij tegenover zich een aanzienlijke strijdmacht had staan die zich ingegraven had in een sterke stelling. De volgende aanval diende dan ook door zwaar artillerievuur te worden ondersteund. Naast het geschut van de al aanwezige II/A.R. SS, III/A.R. 207 en IV/A.R. 256, bracht hij daarom ook nog eens III/A.R. 311 en II/A.R. 207 in stelling tegen de Nederlanders. Van vroeg in de morgen tot 12.40 uur op 12 mei duurde het artilleriebombardement, waarna het IIe en IIIe Bataillon SS-Standarte “Der Führer” de aanval opende op de stellingen van 1-I-8 R.I. en 2-I-8 R.I.. De Nederlandse troepen, die al kampten met munitiegebrek en volledig murw geslagen waren door het artilleriebombardement, hadden hier nagenoeg geen antwoord op. Desondanks konden kleine groepjes Nederlandse soldaten nog heldhaftig verzet plegen. Tegenover een overmacht van Duitse troepen, die na verloop van tijd uit alle richtingen opdoken, was echter niemand opgewassen.
Nederlandse troepen trachtten in de nacht van 12 op 13 mei nog met diverse tegenaanvallen de Duitse opmars te stuiten, maar al snel moest men zich langzaamaan terugtrekken. Zelfs sporadische steun van enkele overgebleven Nederlandse vliegtuigen mocht niet meer baten. De aanval op de Grebbeberg was succesvol verlopen. Nu eenmaal een eerste bruggenhoofd was gevormd, besloot Von Tiedeman voor het eerst ook de reguliere infanterie, het 322.Infanterie-Regiment, in de strijd te gooien. De strijd om de Grebbelinie was hiermee zo goed als voorbij en de Nederlandse troepen konden niets anders doen dan zich verder terugtrekken achter de zwaar verwaarloosde Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Ontwikkelingen in Noord-Brabant
Zoals bekend moesten, na het doorbreken van de Peel-Raamstelling, alle in het gebied aanwezige Nederlandse eenheden zich allereerst terugtrekken achter de Zuid-Willemsvaart. Voor velen kwam dit als een volslagen verrassing. Er waren namelijk delen langs de Peel-Raamstelling, waar men nog geen enkele vijandelijke activiteit was tegengekomen.
Mede hierdoor verliep de terugtocht in totale chaos. Een deel van de Peeldivisie (zoals I-3 R.I. en I-6 R.I. nabij Mill) had de order niet eens ontvangen en bleef daardoor op zijn post. Hierdoor ontstonden er ook weer langs de nieuwe linie zwakke plekken, doordat de troepen die daar gelegerd dienden te worden niet arriveerden.

De grootste hoop in dit gebied werd daardoor gevestigd op de komst van de Franse troepen uit het zuiden. De hoofdmacht hiervan werd gevormd door de Franse 7ième Armée onder Général d'Armée Henri-Honoré Giraud. De 7ième Armée bestond uit de 1ière Division Légère Méchanique van Général Picard, de 60ième Division d'Infanterie van Général de brigade Marcel Deslaurens, het 1ière Corps d'Armée van Général Théodore Sciard en het 16ième Corps d'Armée van Général Marie-Bertrand Falgade. Deze hoofdmacht zou worden beschermd door een voorhoede bestaande uit de 2e Brigade van de 1ière Division Légère Méchanique, Groupement de Beauchesne (Colonel G. de Beauchesne) en Groupement Lestoquoi (Lieutenant-colonel Lestoquoi). De Groupement Lestoquoi was al om 22.00 uur op 10 mei de Nederlandse grens overgetrokken en rukte op naar Breda. Lieutenant-colonel Lestoquoi werd hierbij vergezeld door een Belgische tolk/verbindingsofficier, Lieutenant Hautecler.
Aan Nederlandse zijde was er echter in het geheel niets geregeld voor de contacten met de Fransen. Dit werd daarom maar opgedragen aan de commandant van de Peeldivisie, in dit geval dus kolonel Schmidt. Na bemiddeling van de burgemeester van Breda vonden de eerste besprekingen plaats in de nacht van 10 op 11 mei. Al snel bleek echter dat van een werkelijke samenwerking niet veel sprake kon zijn. De Fransen kozen heel snel voor hun eigen opstelling en hadden geen enkele behoefte de Nederlanders te hulp te komen. Het Nederlandse leger moest zich in haar opstelling maar aansluiten op de Franse troepen. Deze laatste hadden de 2e Brigade van de 1ière Division Légère Méchanique ondertussen opgesteld tussen Tilburg en Turnhout. Hierdoor diende Nederland zelf het gehele Wilhelminakanaal te dekken. Kolonel Schmidt trachtte nog om de 1ière Division Lègére Méchanique van Général Picard te bewegen verder noordwaarts op te rukken, maar hier kwam niets van terecht.

Aan Duitse zijde had men echter ook niet stilgezeten. De doorbraak van de Peel-Raamstelling diende ten volle te worden uitgebuit. Het XXVI.Armeekorps moest zich vol in de strijd gooien en nu werd dan ook de 9.Panzer-Division in stelling gebracht. Daarnaast diende ook de 6.Armee, waarvan het IX.Armeekorps (met als voorhoede de 30.Infanterie-Division en de 56.Infanteriedivision), zich ook via Nederlands grondgebied naar het westen begaf. Hierdoor zou de Zuid-Willemsvaart over de gehele linie onder grote druk komen te staan.
Al heel vroeg in de middag van 11 mei trokken de eerste Duitse eenheden (Aufklärungsabteilung254.Infanterie-Division) nabij Heeswijk de Zuid-Willemsvaart. Hier had men een onverdedigde brug ontdekt. Om 13.00 uur werden ze pas ontdekt door Nederlandse militairen van het IIIe Bataljon-14e Regiment Infanterie die gelegerd waren bij Den Dungen. Pas op 12 mei ontstond het eerste contact tussen deze Duitse en Nederlandse eenheden toen een Duitse patrouille in een hinderlaag liep. De daaropvolgende Duitse aanval dreef de Nederlanders op de vlucht.

Ook zuidelijk van Heeswijk konden Duitse troepen () ongehinderd naderen tot de Zuid-Willemsvaart. Om 09.30 uur had men Veghel bereikt. Hier kreeg men echter wel de nodige tegenstand van de Nederlanders te verwerken. De hier gelegen eenheden van het IIe Bataljon van het 2e Regiment Infanterie en het IIe Bataljon van het 17e Regiment Infanterie openden direct het vuur op de naderende Duitse pantserwagens. Hierbij werden ze ondersteund door een stuk 6-veld geschut. Doordat echter iets zuidelijker, bij Erp, het Duitse 456.Infanterie-Regiment de Zuid-Willemsvaart was overgestoken, moesten de Nederlanders hun verzet opgeven. Zo kon in de avond van 11 mei het 481.Infanterie-Regiment Sint Oedenrode bezetten.

Langs de rest van de haastig opgeworpen linie konden de Nederlandse troepen echter nauwelijks verzet bieden. Tussen Helmond en Someren kon de 56.Infanterie-Division al snel doorbreken en 's avonds bereikte men Eindhoven en Valkenswaard. Het gevolg was een chaotische vlucht van de restanten van de Peeldivisie. Kolonel Schmidt besloot hierop zijn troepen te verzamelen achter de lijn Tilburg-'s Hertogenbosch. Dit tot grote verbijstering van de naar Nederland opgerukte Franse troepen. Kolonel Schmidt vestigde zijn commandopost in Princenhage, bij Breda. Hier aangekomen bleken zijn staf en manschappen echter al verder getrokken te zijn. Kolonel Schmidt keerde toen terug naar Tilburg. Dit bleek een fatale keuze te zijn. Bij Loon op Zand stuitte hij al op de voorhoede van de 9.Panzer-Division en hij werd gevangengenomen.

De ontwikkelingen in Noord-Brabant had de Franse bevelhebber Général Maurice Gamelin doen besluiten om zijn troepen niet verder te laten oprukken dan Breda. Zijn belangrijkste taak werd hierdoor de verdediging van Antwerpen en Zeeland. Hij droeg dit dan ook terstond op aan de commandant van de 7e Armée, Général d'Armée Henri Giraud. Deze posteerde het 1ière Corps d'Armée achter de rivier De Mark. Het vlak tussen Terheijden en Ulvenhout werd toegewezen aan het 38ième Régiment d'Infanterie (onderdeel van 25ième Division d'Infanterie Motorisée) en van Ulvenhout tot het Belgische Hoogstraten posteerde hij het 121ième Régiment d'Infanterie. De Groupement de Beauchesne diende de noordflank te beschermen.
De opstelling van de Fransen, samen met de terugtocht van de Peeldivisie, zorgden ervoor dat de 9.Panzer-Division vrij baan kreeg naar de Moerdijkbruggen. Bij deze doortocht had men nog de nodige last van de door de Nederlanders inderhaast opgeworpen versperringen. Hierdoor duurde het nog tot 16.45 uur op 12 mei voordat men de eenheden van de 7.Flieger-Division bij het zuidelijke bruggenhoofd aan de Moerdijkbruggen kon bereiken.

Zeeland onder druk
De ontwikkelingen in Noord-Brabant hadden nog een ander gevolg. De Nederlandse troepen in Zeeland onder bevel van schout-bij-nacht Hendrik J. van der Stad hadden tot dan toe nog in redelijke rust het strijdtoneel kunnen gadeslaan. Weliswaar was men al op 10 mei geconfronteerd met de oorlog. Om 03.30 uur werden de eerste schoten afgevuurd door de voor de rede van Vlissingen liggende Nederlandse Marineschepen HrMs Johan Maurits van Nassau, HrMs Sumatra en HrMs Flores, die werden geconfronteerd met Duitse vliegtuigen die mijnen wilden leggen op de Westerschelde. Bij het eerste licht hadden Duitse toestellen het vliegveld Vlissingen aangevallen en om 04.14 uur was het vliegveld Haamstede van de School voor Voortgezette Vliegeropleiding aan de beurt.
Door de ontwikkelingen in Noord-Brabant kwam ook voor de Zeeuwen de strijd wel heel dichtbij. De verdediging in het gebied was wel op orde gebracht. Het zwaartepunt zou moeten vallen op Zuid-Beveland en op Walcheren. De eerste stelling die was opgeworpen was de zogenaamde Bathstelling, die een voorpostenstelling was voor de Zanddijkstelling, welke was gelegen tussen Yerseke en Hansweert.

Het centrum van de Bathstelling bestond uit het oude fort Bath. Deze was aangevuld met een tankgracht en twaalf kazematten. Het voorterrein was onder water gezet. De stelling diende te worden verdedigd door het 14e Grensbataljon (Majoor F.G. Triebel), een onderdeel van het 38e Regiment Infanterie van reserve-luitenant-kolonel J.H.W. Bruins.

De hoofdverdediging vormde echter de Zanddijkstelling. Het voorterrein was geheel onder water gezet. Zodoende kon een vijand alleen naderen over vijf in het gebied lopende dijken. Op al deze dijken was een zware verdediging aangebracht bestaande uit mitrailleurs, artillerie en pantserafweergeschut. De stelling was in drie delen gesplitst. Noord werd bezet door het IIIe Bataljon van het 38e Regiment Infanterie onder majoor U.C.C. Noordenbos, Midden door het IIIe Bataljon van het 40e Regiment Infanterie onder reserve-majoor H.F.L. Krämer en het vlak Zuid door het Ie Bataljon van het 40e Regiment Infanterie onder reserve-kapitein A. de Wit. De artilleriesteun werd verzorgd door het 17e Regiment Artillerie, luchtdoelartillerie en een mortiercompagnie. Bevelhebber over de stelling was de commandant van het 40e Regiment Infanterie, reserve-luitenant-kolonel P.L.R. van der Drift. Het algeheel bevel in Zuid-Beveland viel onder de commandant van het 38e Regiment Infanterie van reserve-luitenant-kolonel J.H.W. Bruins. De rest van Zeeland werd slecht mondjesmaat verdedigd door diverse kleinere eenheden. Schouwen-Duiveland had slechts een compagnie bewakingstroepen en een batterij luchtafweergeschut ter verdediging van het vliegveld Haamstede, het eiland Tholen kreeg een aantal detachementen van het Ie Bataljon van het 38e Regiment Infanterie en Zeeuws-Vlaanderen moest het doen met het IIe Bataljon van zowel het 38e als het 40e Regiment Infanterie en de 14e en 38e Reserve Grenscompagnie.

Om 05.15 uur op 10 mei was door het Commando Zeeland het bevel afgegeven aan alle burgemeesters om “Maatregel D” te nemen. Dit hield in de internering van Duitse staatsburgers. Al snel volgde de internering van NSB leden. Al deze personen werden onder gebracht in Fort Ellewoutsdijk. Om 07.00 uur was de opdracht gegeven om alle versperringen op te richten en inundaties voor te bereiden.

Ook in Zeeland werd een aantal Franse troepen aan land gezet. Dit waren de 60ième Division d'Infanterie van Général de brigade Marcel Deslaurens en de 68ième Division d'Infanterie van Général de brigade Beaufrère. Deze laatste divisie stond echter onder het bevel van de Commandant et chef des forces maritimes du Nord, Amiral Jean-Charles Abrial. Op Walcheren werd hiervan vooral het 224ième Régiment d'Infanterie van Général de brigade Durand geplaatst. Deze laatste arriveerde op 11 mei bij Van der Stad en beide heren hadden al gelijk onenigheid over de te voeren verdediging. De Fransen hadden geen enkel vertrouwen in de door de Nederlanders opgeworpen stellingen. Durand ging uit van een Duitse aanval over water vanuit Tholen en hij posteerde daarom dan ook zijn troepen langs de noordkust van Zuid-Beveland en tussen de steden Middelburg en Vlissingen. Om toch wat eenheid te krijgen, werden de Nederlandse troepen onder zijn leiding geplaatst en werd de gehele 68ième Division d'Infanterie geplaatst onder het 1ière Corps d'Armée.

De eerste tekenen van het naderen van de vijand werden op 12 mei gegeven door terugtrekkende groepen van de Peeldivisie. De verhalen die zij de Nederlandse troepen vertelden hadden al gelijk een demoraliserende uitwerking. Met deze troepen kwamen ook de eerste berichten binnen van de oprukkende Duitse troepen. De 9.Panzer-Division had zich in twee groepen gesplitst. Een noordelijke groep onder leiding van Oberst Wilhelm von Apell trok rechtstreeks naar de Moerdijkbruggen, terwijl de zuidelijke flank werd ingenomen door een groep onder leiding van Oberstleutnant Hans Graf von Sponeck. Deze werden op een dag reizen gevolgd door de SS-Leibstandarte “Adolf Hitler” (onderdeel van het X.Armeekorps).
De zuidflank van de 9.Panzer-Division werd gedekt door de SS-Verfügungsdivision en de 56.Infanterie-Division (onderdeel van de 6.Armee).

Door de terugtrekking van het Belgische leger op 12 mei tot achter de Dijlestelling, kwam er echter op die dag nog geen contact met de Franse 7ieme Armée, aangezien deze zich nu achter de rivier de Schelde diende terug te trekken. Slechts sporadisch kwamen enkele achterhoedes van de Fransen en de voorhoedes van de Duitsers met elkaar in gevecht.
De Duitsers zaten hierdoor echter wel met een dilemma. Het XXVI.Armeekorps had nu op 13 mei de volledige controle in de buurt van Breda en had geen nieuwe orders wat hen te doen stond. General der Artillerie Georg K.F.W. von Küchler, de bevelhebber van de 18.Armee formeerde toen een nieuwe XXXIX.Armeekorps, bestaande uit de 9.PanzerDivision, de 254.Infanterie-Division en de SS-Leibstandarte “Adolf Hitler”. Dit korps diende verder naar Rotterdam door te stoten. Het overgebleven restant van het XXVI.Armeekorps moest nu de zuidflank van de 18.Armee beschermen en optrekken tegen Antwerpen en Zeeland.

Op 14 mei trokken de eenheden van het XXVI.Armeekorps (SS-Verfügingsdivision van SS-Gruppenführer Haußer en de SS-Standarte “Deutschland” verder naar het westen en om 10.40 uur werd Woensdrecht bezet. Daardoor werd Zeeland afgegrendeld van de rest zodat de, bij Bergen op Zoom gelegerde, 12ième Groupement de Reconnaissance de Division d'Infanterie van Chef d'escadron G. Michon werd omsingeld. Ten zuiden hiervan trokken de SS-Standarte ”Germania” en de 256.Infanterie-Division richting Antwerpen. De eerste eenheden van de SS-Standarte “Deutschland”, bereikten al tegen 16.00 uur op 14 mei de Bathstelling.
De bevelhebber van deze stelling, majoor Triebel, had juist zijn ondercommandanten naar zijn hoofdkwartier ontboden toen om 18.00 uur de Duitsers de aanval startten met artillerievuur. Hij stuurde zijn commandanten dan ook direct terug met de opdracht stand te houden. Alleen de commandant van de Ie Compagnie, reserve-eerste luitenant J.C. van Breda gaf hier gehoor aan. De andere twee bleven aanvankelijk in het hoofdkwartier. Majoor Triebel had de grootste moeite om beiden te bewegen ook terug te keren. Met tegenzin vertrokken beiden, echter niet naar hun eigen commandoposten maar allebei naar de post in de zuidelijkste stelling. Zo waren twee commandanten (reserve-kapitein C.H. Mulder van de IIe Compagnie en kapitein R. Helmer van de IIIe Compagnie) op de commandopost van de IIe Compagnie en dreigde een deel van de stelling zonder commandant te komen. Uiteindelijk wist men Kapitein Helmer ook te bewegen om naar zijn post terug te keren. Hier aangekomen waren zijn manschappen al aan het vluchten voor het artillerievuur. Helmer vertrok toen maar weer naar reserve-kapitein Mulder en beide gaven zonder strijd hun posities op. Het gevolg was dat majoor Triebel en reserve-eerste luitenant J.C. van Breda zich genoodzaakt zagen om ook hun posities te verlaten.

Uiteraard had dit alles geen beste invloed op de achter de Bathstelling gelegen manschappen aan de Zanddijkstelling. Zonder nog maar één schot te hebben afgevuurd, dreigde de gehele verdediging van Zeeland als een kaartenhuis ineen te vallen. Toen op 14 mei hier nog eens het nieuws van de algehele capitulatie van het Nederlandse leger overheen kwam, leek het hek van de dam. De commandant van de troepen in Zuid-Beveland, reserve-luitenant-kolonel Bruins wist zijn troepen echter tot de orde te roepen. Hij kreeg hierbij een steuntje in de rug door de aanvoer van nieuwe Franse troepen. De nacht ervoor waren namelijk de 68ième Groupement de Reconnaissance de Division d'Infanterie, het 271ième Régiment d'Infanterie en twee afdelingen van het 307ième Régiment d'Artillerie op Zuid-Beveland aangekomen. Wederom echter namen deze troepen geen stelling in aan de Zanddijkstelling, maar aan de noordkust en langs het Kanaal door Zuid-Beveland. AL met al zorgden deze versterkingen er toch voor dat de rust onder de Nederlandse troepen weer enigszins terugkeerde. Samen met het bericht dat de Nederlandse troepen in Zeeland door mochten vechten omdat ze onder Frans bestuur stonden, kon zo toch een zekere verdediging worden opgebouwd.

De strijd in het Gat van Gembloux
Al om 08.30 uur waren de Duitsers begonnen met het overzetten van manschappen en materieel van de 4.Panzer-Division over de Maas bij Maastricht. Tegelijk werd begonnen met het bouwen van een noodbrug om de opgeblazen Maastrichtse bruggen te vervangen. Generalmajor Johann Stever, commandant van de 4.Panzer-Division wist dat hij zo snel mogelijk eenheden moest sturen in de richting van Vroenhoven, Veldwezelt, Kanne en het Albertkanaal om de para's en de Sturmabteilung Koch af te lossen.
De vernieling van de bruggen had het Belgische 1e Legerkorps in ieder geval meer ruimte gegeven om hun posities te versterken. Om 03.30 op 11 mei werden echter de eerste pantsers overgezet en nog geen uur later kon de eerste pontonbrug in gebruik worden genomen. Na de 4.Panzer-Division volgden snel de troepen van het XVI.Armeekorps en de 3.Panzer- Division.
De geallieerden waren ondertussen doordrongen van de noodzaak om de Duitse opmars te vertragen. Hiertoe diende de druk op de Maasovergang bij Maastricht te worden opgevoerd. Op 11 mei stuurden de Belgen daarom negen van hun Fairey Battle bommenwerpers van het 5e Eskader/IIIe Groep, 3e Luchtvaart Regiment er op uit om allereerst de bruggen over het Albertkanaal aan te vallen. Zonder enige bescherming bleek de aanval een groot fiasco te worden. De Duitsers hadden hun verdediging al zodanig kunnen versterken dat de langzame toestellen geen enkele kans maakten. In de middag stuurden de Britten 23 Bristol Blenheim toestellen de lucht in. De pontonbruggen bij Maastricht werden het doelwit van No. 110 Squadron terwijl 21 Squadron zich concentreerde op de Duitse troepenverplaatsingen. Vroeg in de avond volgden de Fransen met een luchtaanval op de bruggen in Maastricht. De LeO 45 toestellen van het 12ième Escadre werden opgewacht door een alerte Duitse luchtafweer. Ondanks de luchtaanvallen kon de Duitse opmars redelijk ongestoord doorgaan.
De 4.Panzer-Division kon nagenoeg ongestoord oprukken. Het eerste opstakel, de Belgische 7e Infanteriedivisie, had geen enkele kans. Al in de ochtend van de 11e mei bereikte de 4.Panzer-Division Grandville. Op de rechterflank van het Duitse XVI.Armeekorps begon ook de 3.Panzer-Division haar posities in te nemen.
Tegen de avond was namelijk de tweede pontonbrug klaar in Maastricht en kon de Duitse opmars in volle hevigheid voortgezet worden.
De Belgische 7e Infanteriedivisie had nagenoeg opgehouden te bestaan en op 11 mei besloot het opperbevel in Fort Breendonk dat de rest van het Belgische leger diende te worden teruggetrokken achter de stelling Antwerpen-Namen oftewel de KW-linie binnen de Dijle-linie. De terugtocht verliep in grote wanorde. De troepen waren totaal gedesoriënteerd en lieten, al dan niet gedwongen door Duitse luchtaanvallen, veel van hun uitrusting en wapens achter. Tegen 13 mei waren de meeste troepen op hun nieuwe stellingen gearriveerd.

Ondertussen hadden de Fransen snelle vorderingen gemaakt. Juist op het moment dat de Belgen hun troepen terugtrokken, arriveerde Général René Prioux met zijn Corps de Cavalerie in het gebied rond Luik. De 2ième en 3ième Division Légère Méchanique, bestaande uit circa 160 Hotchkiss H-39 en 160 Somua S-35 tanks, ondersteund door een groot aantal Panhard P-187 en A.M.R. pantserwagens namen hun posities in. Deze waren precies op het goede moment op de juiste plek, recht tegenover de Duitse 3. en 4.Panzer-Division. Hoewel het Duitse XVI.Armeekorps in totaal groter was dan het Franse Corps de Cavalerie, hadden de Fransen een macht bijeen die het op papier zou kunnen opnemen tegen de Duitsers. Het leek erop dat in het Gembloux-gat tussen Brussel en Namen de grootste tankslag zou gaan plaatsvinden van de strijd.
De Belgische aftocht werd gesteund door luchtaanvallen van de geallieerden op de Duitse opmarsroutes. Op 12 mei vielen achtereenvolgens Bristol Blenheim bommenwerpers van No.139 Squadron, Fairey Battle's van No.12 Squadron de opmarsroutes en bruggen aan. Door deze luchtaanvallen zou de eerste RAF Victoria Crosses worden toegekend aan Flying Officer D.E. Garland en Observer Sergeant T.Gray die beiden bij de actie om het leven kwamen. Tegelijkertijd vielen Bristol Blenheim bommenwerpers van No.15 en No.107 Squadron de bruggen in en troepen rond Maastricht aan. De Britse aanval werd gevolgd door een Franse luchtaanval met LeO 45's van het 12ième Escadre en Bréguets 693 toestellen van het 54ième Escadre. De aanvallen brachten veel verliezen met zich mee onder de geallieerde toestellen, maar brachten tevens de nodige hoofdbrekens voor de Duitse bevelhebbers. De bevoorrading voor de aanvallende Panzerdivisionen was immers niet gegarandeerd via deze route. Er werd zelfs besloten om brandstof door de lucht aan te voeren.

Precies zoals de bedoeling was van de ontwerpers van het Dijle-plan, trok de speerpunt van de Duitse aanval door het XVI.Armeekorps recht op het Gat van Gembloux af. Uitstekend georganiseerd trok het Corps de Cavalerie zich langzaam strijdend terug achter de linie tussen Tienen en Hoei. Het eerste treffen vond plaats in de buurt van Avesnes. De aanval werd ingeleid door een luchtaanval, gevolgd door het oprukken van de 4.Panzer-Division. Er volgde een hevige strijd met wisselend succes en verlies voor de Fransen en de Duitsers. Zowel bij Crehen als bij Thisnes wisten de Franse tanks een doorbraak van de Duitse tanks te verijdelen. Aan het eind van de dag had de 4.Panzer-Divison slechts licht terrein gewonnen, maar beide partijen hadden de nodige verliezen geleden. Hannut was echter in Duitse handen gevallen en wat ernstiger voor de Fransen was, de 3.Panzer-Division had zich tot nu toe buiten de gevechten gehouden maar was nu op volle sterkte om zich met de strijd te gaan bemoeien. 13 Mei begon rustig, totdat tegen 11.30 Duitse Junkers Ju 87 Stuka's de aanval openden, direct gevolgd door een artillerieaanval. Pas een uur later vielen de tanks aan en wisten op te rukken tot aan Merdrop waar Franse tanks hen wist tegen te houden. Toen de Duitsers rond de stad trachtten te trekken vielen de Fransen direct aan. Uiteindelijk wist de 4.Panzer-Division tegen de avond Ramillies te bereiken, maar had daarbij behoorlijke verliezen geleden. Ook de Fransen hadden echter zware verliezen geleden. De Franse 2ième Cuirassiers hadden maar liefst 15 van hun tanks moeten achterlaten.
Meer naar het noorden was de 3.Panzer-Division over de rivier de Gette getrokken en had na zware gevechten Jauche bereikt. Ook hierbij weerden de Fransen van de 1ière Cuirassiers zich uitstekend, maar moesten vele tanks achterlaten. Er was echter een doorbraak geforceerd in de linie tussen Tirlemont en Huy. Général René Prioux besloot het Corps de Cavalerie terug te laten vallen op de lijn Wavre-Namen om te kunnen profiteren van de Belgische antitankhindernissen en de aanwezigheid van de eenheden van de 1ière Armée. Zo ontstond een nieuwe sterk front met de 3ième Division Légère Méchanique tussen Beauvechain en Perwez en het 2ième daarop aansluitend tot Marcheovelette. De linie werd aangevuld met het IIIème Corps d'Armée in het Noorden, het Britse Ist Corps tussen Wavre en Chastre, het IVième Corps d'Armée tussen Ernage en Beuzet en het Vième Corps d'Armée tussen Beuzet en de fortificaties van Namen. Met even ten zuiden van Namen het 9ième Armee.
Om 05.00 uur de volgende ochtend, 14 mei vielen de Duitse troepen de linie hier aan. Na een lang uitputtend artilleriebombardement rolden de Duitse pantsers naar voren en stootten door voorlinies. Tegen de middag werd contact gemaakt met de Franse hoofdverdedigingslijn. De 3ième Division Légère Méchanique wist met een tegenaanval de pantsers tegen te houden maar was ondertussen door de vele verliezen te zeer verzwakt. De 2ième en 3ième Division Légère Méchanique werden bij hun terugtocht op de voet gevolgd door de Duitse tanks die de Fransen dachten te kunnen achterhalen. Hierbij liepen zij regelrecht nabij Ernage tegen de verdedigingslinie van de 1ière Division Maroccaine die met hun antitankgeschut te Duitsers warm onthaalden. De Duitse eenheden die er door waren gekomen werden opgehouden door een Franse tegenaanval die de Marokkanen samen met de 35ième Bataillon de Chars de Combat ondernamen. Met hulp van Franse artillerie werd de Duitse aanval tegengehouden. De tankslag in het gat van Gembloux was voorbij. Fysiek hadden de Duitse tanks de slag gewonnen. Beide kanten hadden veel verliezen geleden, maar de hoofdverdedigingslinie, de Dijle-linie, was nog ondoorbroken.

Door de Belgische Ardennen
Wat was er intussen allemaal aan het zuidelijker gelegen front in de Ardennen gebeurd? De 4.Armee vormde samen met de 12.Armee de spits van Heeresgruppe A, waartoe ook nog de 16.Armee behoorde.
Aan geallieerde zijde werd hun belangrijkste tegenstander volgens het Plan Dijle, het Franse 9ième Armée van Général André Corap. Al snel na de aanval hadden de Fransen hun posities ingenomen lang de Maas in België. Van Namen tot Anhée stelde het IIième Corps zich op, geflankeerd door het XIième Corps van Anhée tot aan Givet. Nabij de Franse grens werd hierop aangesloten door het XXXXIième Corps2ième Armee nabij Sedan. Bij het aanbreken van 11 mei waren de voorhoedes de Maas al gepasseerd. Hierbij trad wel snel een probleem op. Door de snelle opmars van de diverse gemotoriseerde eenheden, waren deze al bijna in contact met de Duitsers terwijl de Franse infanterie zich nog moest opmaken om hun linies langs de Maas zelf in te nemen. Daarbij kwam nog dat nagenoeg alle contact tussen de voorhoedes en de leiding van het 9ième Armée volledig verloren was gegaan. De tot het XXXXIième Corps behorende 61ième Division d'Infanterie en de 102ième Division D'Infanterie de Forteresse konden aansluiten op de linie op de plek waar ze al weken in stelling lagen. Direct hierop aan werd gesloten door het Xième Corps d'Armée met de 55ième Division d'Infanterie en de 3ième Division d'Infanterie Nord Africaine. Ook hiervoor hadden zich eenheden in de richting van de Duitse aanvaller begeven en wel Général Charles Huntziger's cavalerie, de 5ième Division Légère de Cavalerie, de 1ière Brigade de Cavalerie en de 2ième Division Légère de Cavalerie.

De Duitse opmars tegenover deze eenheden was intussen voorspoedig verlopen. De 4.Armee had wel enige hinder ondervonden van de door het Belgische Groupement K uitgevoerde vernielingen, maar had verder weinig tegenstand ondervonden. Pas bij Chabrehez waren de voorhoedes van de 7.Panzer-Division enige uren tegengehouden door eenheden van het 3e Regiment Ardense Jagers. In de avond van 10 mei stonden de Duitse eenheden al aan de Amblève en de Salmen had de 32.Infanterie-Division zich al gevestigd in Houffalize. De 12.Armee had als voorhoede de Panzergruppe Kleist. Al heel snel was men door Luxemburg getrokken. Om 06.30 uur op 10 mei was de Belgische grens al bereikt door de 1.Panzer-Division, nabij Martelange. Nabij Bordange waren de spitsen in gevecht geraakt met de 5e Compagnie van het 1e Regiment Ardense Jagers die waren achtergebleven. Even daarna maakten de Duitsers contact met de luchtlandingseenheden van Operatie Niwi nabij Witry. De 2.Panzer-Division had eveneens weinig tegenstand te duchten gehad en had Strainchamps bereikt. Ondanks dit alles hadden de Duitse troepen van Panzergruppe Kleist op 10 mei niet hun doelen kunnen bereiken. De opdracht om op te rukken tot de lijn Libramont-Neufchâteau-Virton was niet geslaagd.

Op 11 mei waren eenheden van het XV.Armeekorps in gevecht geraakt met de 4ième Division Légère Méchanique en de 4ième Regiment d'Autos Mitrailleuses met de 7.Panzer-division. De situatie werd echter voor de Franse zo penibel dat Corap al snel al zijn troepen opdracht gaf zich terug te trekken achter de Maas. Verder naar het zuiden zagen de Duitsers de aankomende Franse troepen echter als een dusdanige dreiging dat Panzergruppe Kleist werd opgedragen zich meer naar het zuiden te begeven. Al snel gaf General Heinz Guderian echter weer bepaalde eenheden de opdracht zich meer naar het noorden te begeven. Dit alles zorgde voor de nodige verwarrende situaties waarbij eenheden van de 10.Panzer-Division, de 1.Panzer-Division, de 2.Panzer-Division en de 6.Panzer-Division door elkaar kwamen te zitten. Dit geheel leverde de nodige opstoppingen op. Tegen de middag konden de diverse divisies eindelijk hun goede weg weer vervolgen. Hierbij kwam men echter al snel in aanraking met de terugtrekkende geallieerde troepen. De 1.Panzer-Division moest zware slag leveren om Neufchâteau en Bertrix te kunnen innemen. Vooral de 5ième Division Légère Méchanique en de 3ième Brigade de Spahis boden de nodige weerstand. Na de inname van Bertrix kon de 1.Panzer-Division echter redelijk snel oprukken tot Bouillon. Hiermee hadden op 11 mei nagenoeg alle Duitse eenheden in de Ardennen hun doelen voor die dag bereikt. De Fransen hadden echter ook hun belangrijkste verdedigingslinies bereikt en nagenoeg alle bruggen geheel in het zuiden weten te vernielen.

In de nacht van 11 op 12 mei werden de Franse eenheden volledig teruggetrokken achter de beoogde linie nabij de Maas. Tegen de ochtend trokken de Duitse eenheden van het XV.Armeekorps weer verder op. Voor de 7.Panzer-Division trok de Kampfgruppe Werner van de 5.Panzer-Division, gevolgd door de Kampfgruppe Lübbe. Deze laatste liep echter dusdanige vertraging op dat zij tijdelijk werd samengevoegd met de 7.Panzer-Division. Al snel bereikten de voorhoedes de Maas, juist nadat nabij Houx en Yvoir de belangrijkste bruggen door de Belgen werden opgeblazen. Ook toen de 7.Panzer-Division de Maas bereikte bij Dinant werd juist daar de brug opgeblazen. Ondanks het feit dat veel Franse troepen hun posities hadden bereikt, was de opmars van de Duitsers zo snel verlopen dat het IIième Corps d'Armée en het XIième Corps d'Armée hun posities nog lang niet hadden bereikt. Om het gat op te vullen werd tussen Dave en Anhée de 5ième Division Infanterie Mechanique geplaatst. Tussen Anhée en Hastière, recht tegenover de beide Duitse pantserdivisies, had het XIième Corps d'Armée nog maar vijf van haar negen divisies infanterie kunnen aanbrengen. Verder naar het zuiden was het met de posities van de 22ième Division d'Infanterie al niet veel beter gesteld. Daar kwam nog bij dat de infanteristen grote delen van de route te voet hadden moeten afleggen en dus verre van uitgerust waren.
Tegen de avond was het Franse opperbevel er eindelijk van overtuigd geraakt dat de Duitse aanval door de Ardennen niet gezien kon worden als een afleidingsmanoeuvre maar als een grootscheepse aanval en in de vroege ochtend van 13 mei werd dan ook het bevel gegeven dat tegen elke prijs iedere Duitse overgang over de Maas moest worden teruggeslagen.
Net ten zuiden van Yvoir, was het de 5.Panzer-Division die in alle vroegte als eerste trachtte de Maas over te steken. Het 129ième Regiment d'Infanterie lag echter al in stelling. De oversteek werd dan ook een groot fiasco voor de Duitsers. Nabij Houx trachtte de Aufklärungs-Abteilung.8 eveneens over te steken. Dit lukte aangezien hier een zwak verdedigde plek zich bevond precies tussen de twee Franse korpsen. De plaats was juist één van de posities waar de Franse infanterie haar linies nog niet had bereikt. De bevelhebber van de 5.Panzer-Division, Oberst Paul Werner, buitte de situatie gelijk uit en zond alle drie zijn bataljons naar dat bruggenhoofd.
Meer naar het zuiden, tussen Houx en Dinant, had de 7.Panzer-Division meer problemen. Haar commandant, Generalmajor Erwin Rommel, moest lijdzaam toezien hoe iedere poging de rivier over te steken werd verijdeld door de op tijd aanwezige eenheden van de 18ième Division d'Infanterie en iedere beweging aan zijn kant van de rivier werd beantwoord met gericht Frans vuur. Uiteindelijk wist het Schützen-Regiment.7 een compagnie aan de overkant te krijgen. Het werd echter nagenoeg onmogelijk om enige voorraden of andere manschappen over te brengen door de Franse afweer. Met hulp van tankversterkingen en enkele houwitsers wisten de Duitsers uiteindelijk voldoende vuurkracht bijeen te brengen om de oversteek weer op gang te krijgen.

De Duitse oversteek dwong de Fransen tot tegenaanvallen. Vroeg in de ochtend van 14 mei vielen eenheden van het 129ième Regiment d'Infanterie en het 2ième Bataillon van het 14ième Régiment de Dragons Portés, ondersteund door pantserwagens van de 1ière Groupe de Reconnaissance de Division d'Infanterie nabij Haut-le-Wastia de voorhoede van het Schützen-Regiment 14 aan. Aanvankelijk boekten de Fransen vooruitgang, maar versterkingen van het Panzer-Regiment 31 bezorgden de Duitsers voldoende overwicht.
Tegen dat het licht werd had men over de Maas een pontonbrug weten te leggen en konden de tanks van de 7.Panzer-Division ongehinderd oversteken. Ondertussen konden ook de twee infanteriedivisies van het VIII.Armeekorps de Maas oversteken. De 8.Infanterie-Division stak over nabij Yvoir en de 28.Infanterie-Division nabij Annevoie. Deze dreiging overziend werd door het Franse opperbevel besloten om reservetroepen in te zetten en de 1ière Division Cuirassée werd van de 1ière Armée overgeplaatst naar het XIième Corps d'Armée, evenals de 4ième Division d'Infanterie Nord-Africaine. Général Charles Sancelme, bevelhebber van de laatste eenheid moest echter snel mededelen dat zijn troepen bepaald niet vers waren. Ze hadden een lange weg achter de rug en waren onophoudelijk bestookt geweest door de Luftwaffe.

Sedan
De divisies van het XIX.Armeekorps waren in de richting van Sedan getrokken naar het zuiden. Aan hun rechterzijde werden ze geflankeerd door het XXXXI.Armeekorps.
Nabij Bouillon wisten de Duitse troepen een plaats te vinden waar men de Maas kon oversteken. Nadat de infanterie een overgang had geforceerd, werden de eerste tanks en pantserwagens overgezet met drijvende pontons. Tegen 18.00 uur op 12 mei had men onder Frans artillerievuur een pontonbrug weten te slaan. Verder ten westen wist de 2.Panzer-Division op te rukken tot Vresse en ten oosten de 10.Panzer-Division tot Herbeumont. Vroeg in de avond staken de eerste voorhoedes van beide pantserdivisies de Franse grens over en bereikten Fleigneux, Saint-Menges en La Chapelle. Tegen 20.00 uur hadden de Fransen echter alle bruggen rond Sedan al opgeblazen. Ondanks het achterblijven van de Duitse ondersteuningseenheden besloot het opperbevel de snelle voortgang van de tanks uit te buiten.
Bij Sedan zou de 55ième Division d'Infanterie het volle gewicht van de Duitse aanval te verduren krijgen. In de nacht van 12 op 13 mei had Panzergruppe Kleist zich voorbereid op de aanval. De spits zou worden gevormd door de 1.Panzer-Division, aangevuld met eenheden van het Infanterie-Regiment “Groß Deutschland”. Ten oosten van Sedan zou de aanval worden ondersteund door de 10.Panzer-Division. De ondersteuning ten westen liet nog op zich wachten omdat de 2.Panzer-Division vertraging had opgelopen in de nacht.
Als luchtsteun was de zojuist naar de Luftflotte 3 overgeplaatste VIII.Fliegerkorps beschikbaar met haar Junkers Ju 87 duikbommenwerpers. Om 11.00 uur op 13 mei begon de Duitse luchtaanval door precisiebombardementen met de Stuka's op Franse posities, ondersteund door bombardementsvluchten met Dornier Do 17 en Heinkel He 111 bommenwerpers van het II.Fliegerkorps.
De Franse verdediging was volledig verrast. Men wist dat de Duitse infanterie en het meeste geschut nog niet ter plekke was en had nooit verwacht dat er een aanval zou worden gelanceerd voordat deze zouden arriveren. Om 15.00 uur openden de pantsers en de aanwezige artillerie het vuur op de Franse verdedigingswerken vanaf de overkant van de rivier. Tegelijk begonnen aanvalseenheden aan de oversteek en om 16.00 uur was het de 1.Panzer-Division gelukt om nabij Glaire de overzijde te bereiken, vrijwel tegelijk met eenheden van de 10.Panzer-Division nabij Wadelincourt. De overtocht van de uiteindelijk gearriveerde 2.Panzer-Division bij Donchery mislukte echter door gebrek aan ondersteuningsvuur. Om 17.30 uur was het bruggenhoofd bij Glaire sterk genoeg om een pontonbrug te leggen. Ondertussen werden pontonveren ingezet om zwaar materieel over te zetten. De brug was tegen middernacht klaar. Nog gedurende de nacht werd de verbinding gemaakt met het bruggenhoofd bij Donchery, echter bij Wadelincourt bleef de oversteek problematisch door geconcentreerd artillerievuur vanuit de bossen van La Marfée. Gedurende de nacht echter werden deze verzetshaarden vanuit het bruggenhoofd opgeruimd. Het bruggenhoofd strekte zich al snel uit tot Chéhéry, Vendresse, Bulson and Maisoncelle.
Het Franse opperbevel had eindelijk begrepen dat het hier om een grote gecoördineerde aanval ging en besloot het bruggenhoofd op 14 mei aan te vallen vanuit de lucht. Vooral de pontonbruggen bij Dinant en Sedan werden als hoofddoel aangewezen. Door een communicatiefout werd echter alleen Sedan aangevallen. Bij het opkomen van de zon vielen zes Fairey Battle's van RAF 103 Squadron aan, gevolgd om 07.00 uur door vier Fairey Battle's van RAF 150 Squadron. Om 10.00 uur was het de beurt aan de Fransen met een aanval op de Duitse transportcolonnes door negen Bréguet 693 toestellen van het 54ième Escadre. De gehele dag werden eskaders vliegtuigen naar het gebied gedirigeerd. Franse en Britse bommenwerpers vlogen af en aan, onder constante aanvallen van Duitse jagers en de snel opgestelde luchtafweer. De verliezen voor de geallieerden waren hoog, maar wat ernstiger was, nagenoeg geen enkele vlucht had noemenswaardig succes.

Monthermé
In het gebied dat werd aangevallen door het XXXXI.Armeekorps, probeerden vroeg in de middag van 13 mei de 6.Panzer-Division bij Monthermé en de 8.Panzer-Division bij Nouzonville de Maas over te trekken. De 9.Kompanie, 10.Kompanie en de 11.Kompanie van het 3.Bataillon/Schützen-Regiment 4 kregen de twijfelachtige eer om in rubberboten de aanval te openen bij Monthermé, ondersteund door Pionier-Bataillon 57. Ruim twee uur lang wist de 5ième Companie van de 42ième Demi-Brigade onder leiding van Lieutenant Paul Barbaste, het de Duitsers moeilijk te maken, maar moest uiteindelijk wijken voor de druk. Bij het terugtrekken werd Lieutenant Barbaste gedood.
Hoewel beide pantserdivisies een bruggenhoofd hadden weten te veroveren, wisten de tweede Franse verdedigingslinies de Duitsers in hun bruggenhoofden vast te pinnen. De 6.Panzer-Division kon haar bruggenhoofd behouden, maar de 8.Panzer-Division liep volledig vast op Frans vuur. Om de impasse te doorbreken besloot de commandant van de 6.Panzer-Division, Generalmajor Werner Kempf om op 14 mei een grootscheepse aanval te openen in een poging uit te breken. Ondanks ondersteunende luchtaanvallen wist men niet uit het bruggenhoofd te breken op die dag. Nadat 's nachts een pontonbrug was gelegd bij Monthermé, kon men op 15 mei eindelijk voldoende tanks naar voren brengen. Vroeg in de ochtend opende de 6.Panzer-Division de aanval en wist men door de Franse linies heen te breken. Ondanks herhaaldelijke geallieerde luchtaanvallen wist men de pontonbrug te behouden en zelfs een andere voor de 8.Panzer-Division over de Maas te slaan. Na middernacht in de nacht van 15 op 16 mei was het XXXXI.Armeekorps eindelijk zover dat zij haar weg kon vervolgen.

Nederland capituleert
De vierde gevechtsdag begon vroeg voor de Nederlandse bevelhebber generaal Henri Winkelman. Gedurende de nacht bezocht hij de koningin op Paleis Noordeinde en de leden van het kabinet op de Bezuidenhoutseweg 30 in Den Haag. Hij zette hun de toestand van het land uiteen. Hoewel niet uitzichtloos was deze toch zeer ernstig. De ministers trokken daaruit de conclusie, dat de koningin het land moest verlaten. Omstreeks 09.00 uur verliet ze Den Haag om in Hoek van Holland aan boord te gaan van een Britse torpedobootjager met bestemming Engeland.

In het noorden begonnen de Duitse troepen met de voorbereidingen voor een aanval op de verdedigingswerken van Kornwerderzand op de Afsluitdijk. In de namiddag werd eerst artillerievuur gegeven. Daarna naderde een zwaar bewapend Duits bataljon om 18.00 uur de stelling. De Nederlandse verdediging bleef muisstil afwachten, geen schot werd gelost. Pas toen de Duitse aanvallers tot minder dan een kilometer waren naderbij gekomen barstte een moordend vuur los. De aanvallers zochten dekking in de smalle goot langs de weg van de verder kale dijk. Het duurde niet lang of de aanvallers sloegen op de vlucht, gevolgd door Nederlands vuur tot aan de Friese kust. Vijftig procent van de aanvallers was gesneuveld. Via de afsluitdijk zouden de Duitsers Vesting Holland niet bereiken.

De slag om de Grebbelinie woedde intussen in volle hevigheid. Bij Scherpenzeel was een tweede gat in de verdedigingslinie ontstaan, waardoor een groots opgezette Duits aanval werd ingezet, uitgevoerd door eenheden van de 227e divisie. Na langdurige en hevige gevechten braken de Duitse eenheden de aanval af.
De situatie bij Rhenen, die gedurende de nacht was verslechterd, maakte de terugtocht van de Grebbelinie noodzakelijk. Deze terugtocht naar de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd in de nacht van 13 op 14 mei uitgevoerd.

In Rotterdam werd deze dag een aantal wanhopige pogingen gedaan om de bruggen over de Maas weer in handen te krijgen. De Duitse 9e pantserdivisie, die zijn opmars over het Eiland van Dordrecht was begonnen, maakte dit noodzakelijk. Een compagnie mariniers zou met drie secties vanuit het oosten en één sectie vanuit het westen, gesteund door een pantserwagen, aanvallen. Enkele mariniers wisten de oprit van de brug te bereiken, maar daar stokte de aanval en werd besloten terug te trekken. Wel was bereikt, dat de bruggen onder Nederlands vuur bleven.

De voorgenomen aanval van de Lichte Divisie op het Eiland van Dordrecht is er niet van gekomen. Eerst werden ze aangevallen door Duitse vliegtuigen, om daarna door snel naderende tanks te worden aangevallen. De Nederlandse soldaten werden door het vijandelijke vuur uiteengeslagen. De tanks rukten daarna op richting Zwijndrecht en Rotterdam.

De Nederlandse luchtmacht was op deze dag in staat om de laatst overgebleven bommenwerper (een tweemotorige Fokker T.V) een aanval uit te laten voeren op de Moerdijkbrug. Geëscorteerd door twee jagers deed de T.V met twee bommen van elk 300 kg een poging de brug te vernielen. Er werd besloten de bommen in twee runs af te werpen zodat de trefkans groter was. In de eerste run werd de brug gemist en in de tweede run schampte de bom af op de brugpeiler. Alles tevergeefs. Daarna stortten de Duitse jagers zich op hun prooi en werd de bommenwerper neergeschoten. De commandant, luitenant B. Swagerman, en zijn bemanning (allen vrijwilligers) kwamen daarbij om het leven.

De terugtocht van het veldleger was voltooid en er was stelling genomen achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Maar het mocht allemaal niet meer baten. Om 10.30 uur werd een ultimatum tot overgave overhandigd in Rotterdam. Om 13.30 uur regende het bommen op de stad. Door het bombardement op Rotterdam stond het centrum in brand. De verbindingen met Den Haag vielen uit. De commandant van Rotterdam kwam daardoor zelf voor de beslissing te staan of hij de stad moest overgeven en besloot te capituleren.
Ook bij Utrecht was een parlementair verschenen met een ultimatum. Hij werd teruggestuurd, maar pamfletten, uitgestrooid boven de stad, gaven aan dat ook hier een bombardement zou volgen.
De opperbevelhebber van het Nederlandse leger generaal Henri G. Winkelman kon niet anders besluiten dan te capituleren. Op 15 mei werden de capitulatievoorwaarden in Rijsoord (tussen Rotterdam en Dordrecht) getekend. De capitulatie gold niet voor Zeeland, want daar zaten Franse en Britse troepen, waarover Winkelman geen zeggenschap had.


België onder grote druk

Duitse doorbraak
Op 14 mei vaardigde Adolf Hitler het Führer Directive No.11 uit. Hiermee dirigeerde hij alle gemotoriseerde divisies naar het operatiegebied van Heeresgruppe A. Hij was hiertoe aangezet door de constatering dat zich blijkbaar tegenover deze Heeresgruppe A het zwakste deel van het geallieerde front bevond. Aanvullend constateerde hij in deze Directive No.11 dat Nederland meer verzet bood dan aanvankelijk was ingeschat en dat om politieke en militaire redenen dat verzet snel moest worden gebroken. De val van Nederland was echter op 14 mei al een feit. Hierdoor konden ook de belangrijkste eenheden van Heeresgruppe B naar het zuiden worden gedirigeerd en tegelijkertijd het laatste stukje Nederland veroveren, Zeeland.

Zeeland verloren
Door de nieuw gearriveerde Franse troepen diende de organisatie ook opnieuw te worden bezien. Général de Brigade Maurice Beaufrère kwam hiervoor op 15 mei aan op het hoofdkwartier in Middelburg. De activiteiten die de Franse bevelhebber Général de Brigade Mary Durand in Zuid-Beveland had ondernomen, werden door Général de Brigade Beaufrère met groot wantrouwen bekeken. Général de Brigade Durand had volgens hem veel te weinig maatregelen genomen om tot een goede verdediging te kunnen komen. Hij werd dan ook terstond vervangen door Général de Brigade Marcel Deslaurens, die op 16 mei het bevel overnam van alle troepen op Walcheren en Zuid-Beveland. Alle in Zeeland aanwezige marine en luchtmacht zou onder het bevel van Contre-Amiral Platon komen en Général de Brigade Beaufrère zelf zou het bevel over de troepen in Zeeuws-Vlaanderen op zich nemen. De troepen op Zuid-Beveland kregen Colonel Guihard als bevelhebber en de verguisde Général de Brigade Mary Durand mocht de troepen op Walcheren aanvoeren.

Op 15 mei kreeg de bevelhebber van de SS-Standarte “Deutschland”, SS Standartenführer Felix Steiner, de opdracht om met zijn troepen via Goes op te rukken naar Middelburg. De Bathstelling werd al snel bereikt en bleek al verlaten, zodat al om 08.00 uur de Zanddijkstelling werd bereikt via de Tholeindsedijk. Hier werden zij verwelkomd door een spervuur van mortieren van de 38e Compagnie mortieren, ondersteund door mitrailleurvuur en vuur van het pantserafweergeschut vanuit het Kaasgat. Ondanks steun van de Luftwaffe konden de Duitse troepen hier niet verder.

Achter dit Kaasgat hadden de manschappen van de 1e Compagnie van III-38 Regiment Infanterie en de verderop nabij de spoorlijn gelegen III-40 Regiment Infanterie het gevecht gadegeslagen. Vooral de aanvallen van de Luftwaffe hadden op deze manschappen veel indruk gemaakt en ervoor gezorgd dat zij in paniek wegvluchtten. Majoor Noordenbos, de commandant van het III-38 Regiment Infanterie, was hierdoor genoodzaakt om 11.20 uur zijn troepen de opdracht te geven zich terug te trekken achter het Kanaal door Zuid-Beveland. Hoewel in het middenvak van de Zanddijkstellling de commandant van het III-40 Regiment Infanterie, reserve-majoor H.F.L. Krämer, nog trachtte om zijn manschappen in de stelling te houden, was hier geen beginnen aan. Zij hadden de aanval nabij het Kaasgat gadegeslagen en waren ook hevig geschrokken van het geweld van de Duitse Luftwaffe. Toen zij merkten dat het I-III-38R.I. zich terugtrok, zag ook Krämer zich genoodzaakt om tussen 12.00 en 14.00 uur zijn troepen terug te trekken achter het kanaal.

In het zuiden van de Zanddijkstelling ontstond het eerste vuurcontact pas tegen 10.00 uur, toen SS-eenheden van de zogenoemde Gruppe-Steiner deze stelling bereikten. De opmars ging zeer traag doordat de IIe afdeling van het Nederlandse 17e Regiment Artillerie en de Franse torpedoboot l'Incomprise zeer gericht vuur af wisten te geven. Het in dit gebied gelegen Ie Bataljon van het 40e Regiment Infanterie, werd echter al snel geconfontreerd met de terugtrekking van het noordelijker gelegen IIIe Bataljon. Hierdoor moest ook dit deel van de stelling om 14.00 uur worden opgegeven.
Buiten gericht artillerie- en mortiervuur hadden de Duitse troepen nu, zonder in gevecht te zijn geweest met Nederlandse troepen, zowel de Bathstelling als de Zanddijkstelling binnen een halve dag veroverd. De Nederlandse infanterie-eenheden hadden op geen enkele plaats in deze stellingen werkelijk slag geleverd. Dit leek een weinig inspirerende gedachte voor de volgende stelling die, samen met de Fransen, was betrokken achter het Kanaal door Zuid-Beveland.

Achter het Kanaal door Zuid-Beveland had het 271ième Régiment d'Infanterie zich ondertussen ingegraven. De eenheden van III-38R.I., I-40R.I. en II-40R.I. gingen zich achter deze stelling opnieuw groeperen bij respectievelijk de plaatsen Kapelle, Hoedekenskerke en Baarland. De Duitse aanval werd ingezet langs de weg Yerseke-Kapelle en werd voorafgegaan door een Luftwaffe-bombardement. De SS-Standarte “Deutschland” viel in twee groepen aan. Ten noorden van de weg het Ie Batallion en ten zuiden rukte het IIIe Batallion op. Veel hoefden deze eenheden niet te doen. Het luchtbombardement had al zo veel paniek veroorzaakt onder de Fransen dat al om 11.00 uur werd besloten om de terugtocht te gelasten. Alle Franse troepen dienden zich naar Walcheren te begeven om aan de Sloedam een volgende verdedigingsstelling op te werpen. Hierdoor konden de Duitse troepen al om 16.00 uur de plaats Goes bereiken.

Général de Brigade Marcel Deslaurens had er het volste vertrouwen in om de 40 meter brede Sloedam te kunnen verdedigen. Voor de verdediging van deze stelling had hij de beschikking over de Ie afdeling van het 89ième Régiment d'Artillerie en nagenoeg het gehele 224ième Régiment d'Infanterie, samen met diverse Nederlandse eenheden.
De eerste Duitse aanval op de Sloedam, in de avond van 16 mei, werd dan ook zonder al te veel problemen afgeslagen.

Ondertussen had General Albert Wodrig van het XXVI.Armeekorps besloten dat de weerstand in het zuidwestelijk deel van Nederland, zo snel mogelijk gebroken diende te worden. De SS-Verfügungsdivision diende het verzet op Walcheren zo snel mogelijk te beëindigen. In de loop van die actie moesten ook Tholen en Schouwen-Duiveland worden bezet. ‘
Nadat een eerste aanval op Tholen was mislukt, slaagden eenheden van het 15.Mitrailleurbataillon onder Oberst Richard Wirtz er laat in de middag van 16 mei in om Tholen te bereiken. Om 16.30 uur hadden zij Stavenisse ingenomen en om 02.30 uur stak de Gruppe-Wirtz over naar Schouwen-Duiveland. De gehele operatie was om 07.00 uur op 17 mei afgerond.
Ondertussen was ook de aanval op Walcheren begonnen. Om 03.00 uur opende de Duitse artillerie de inleidende beschietingen. De eerste aanval op de Sloedam werd ingezet door de 9.Kompanie, IIIe Batallion van de SS-Standarte “Deutschland” onder SS-Obersturmführer Rohde. Uitstekend gericht Frans artillerievuur sloeg deze aanval echter af. Vervolgens gooiden de Duitse troepen opnieuw geschut in de strijd en voerde de Luftwaffe enkele luchtaanvallen uit op Arnemuiden, Vlissingen en bij Middelburg.

De bombardementen hadden hun uitwerking op de Franse en Nederlandse troepen. De volgende aanval van het IIIe Bataillon om 12.00 uur had dan ook het succes dat men verwachtte. De Sloedam werd nu snel veroverd en nadat in Arnemuiden nog enkele straatgevechten plaatsvonden konden de Duitse troepen nagenoeg ongehinderd verder trekken. Vlissingen werd om 20.00 uur bereikt. De Nederlandse troepen boden geen enkel verzet meer, men was totaal moegestreden. De Franse aftocht via de Westerschelde naar Breskens moest dan ook door de Fransen zelf gedekt worden. Tijdens de Franse terugtocht en de Duitse opmars, werd het nodige dekkingsvuur afgegeven door Franse Artillerie opgesteld rond Breskens. Ook de lichtere artillerie van 89 Regiment d'Artillerie en 351 Regiment d'Artillerie nam deel aan de beschieting van Hansweert, de Sloedan en omgeving. Tot slot nam ook de Franse Marine deel aan de beschietingen. De Duitse artillerie beantwoordde dit met haar geschut. Bij deze artillerieduellen is  ook de Middelburgse binnenstad geraakt waardoor diverse branden uitbraken. Na het blussen bleken 573 woonhuizen en bedrijfspanden en 18 openbare gebouwen vernield. Bij de ramp zijn een twintigtal burgers omgekomen.

Général de Brigade
Marcel Deslaurens, nam in deze achterhoedegevechten persoonlijk de leiding. Mede door zijn inspirerend optreden konden de meeste Franse troepen nog naar Zeeuws-Vlaanderen vluchten. Deslaurens zelf sneuvelde hierbij. Om 23.00 uur moesten de laatste eenheden in Vlissingen capituleren.

Schout-bij-nacht Hendrik J. van der Stad moest als opperbevelhebber (hij was dit geworden na de capitulatie door Henri Winkelman) van de Nederlandse regering in Londen naar Zeeuws-Vlaanderen om zo uit handen van de Duitse troepen te blijven. In Zeeuws-Vlaanderen bevonden zich nog de laatste Nederlandse eenheden, onderdelen van het II-40R.I. en II-38R.I. onder leiding van majoor H.P. de Heer. Deze had op 17 mei een gesprek met de eveneens aanwezige prins Bernhard, waarin hij de prins adviseerde te vertrekken aangezien hij niet verwachtte dat Zeeuws-Vlaanderen behouden kon blijven. De Nederlandse troepen konden ook helemaal niets meer uitvoeren. Op 19 mei werd zelfs door de Franse Général de Brigade Maurice Beaufrère aangedragen dat de Nederlandse troepen beter konden vertrekken. Ze liepen hem alleen maar in de weg. Hierop verplaatsten de Nederlanders zich naar Oostende zodat om 21.00 uur op 19 mei de laatste Nederlandse soldaten het grondgebied verlieten.

Ondertussen had in de avond van 17 mei het XXVI.Armeekorps het zwaartepunt van de aanval al verlegd van Walcheren naar Zeeuws-Vlaanderen. De twee divisies die in de richting van Antwerpen oprukten, 256.Infanteriedivision en 208.Infanteriedivision, trokken die avond de stad binnen. De 18.Armee kreeg vervolgens van de 6.Armee het IX.Armeekorps te leen, die terstond oprukte naar het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Het zwaartepunt van de aanval lag echter zuidelijker, waarbij de 227.Infanteriedivision uiteindelijk op 22 mei het oosten van Zeeuws-Vlaanderen bezette. Het enige overgebleven stukje Nederland, west-Zeeuws-Vlaanderen werd toen nog verdedigd door de Belgische 1e Cavalerie Divisie en de 2e Cavalerie Divisie. In de nacht van 23 op 24 mei verlieten zij dit deel van Nederland om dekking te zoeken achter het Leopoldkanaal. Het laatste stukje Nederland werd vervolgens pas op 27 mei door Duitse troepen bezet, zodat formeel op die dag de strijd om Nederland volledig was gestreden.

De gebeurtenissen in Belgie
Heeresgruppe B had al vanaf 14 mei de kracht van de verdediging aan de Dijle-linie (KW-Linie) afgetast. Zowel bij Leuven tegenover de Belgen als bij Gembloux bleken de geallieerden met grote vastberadenheid de linie te verdedigen.
15 Mei begon rustig in het Gat van Gembloux. De strijd in de dagen ervoor had de nodige kracht van de Duitsers geëist. Naar het noorden waren weinig aanvallen uitgevoerd op het door de Belgen en de BEF bezette deel van de Dijle-linie. Een kleine aanval was uitgevoerd nabij Leuven wat zonder veel succes was beëindigd. Om 08.00 uur hervatte de Duitse artillerie haar aanvallen, gevolgd door luchtaanvallen met Stuka-duikbommenwerpers. Een half uur daarna sloegen de 3. en 4.Panzer-Division toe tussen Gembloux en Perbaix. De 3.Panzer-Division wist een gat te slaan in de verdediging van de 2ième Regiment Tirailleurs Maroccains. Dit wisten de Duitsers echter niet uit te buiten en tegen de middag moest Erich Hoepner zijn tanks terugtrekken. Dit ging met zo veel verwarring gepaard dat ook Duitse infanterie zich terug ging trekken. Om 17.00 uur namen de Fransen gebruik van deze verwarring door een tegenaanval uit te voeren met een bataljon van het 2ième Regiment Tirailleurs Maroccains ondersteund door tanks van het 35ième Bataillon de Chars de Combat.
Meer naar het noorden viel het Duitse XI.Armeekorps de Britse posities rond Leuven aan. Aanvankelijk brak men door de Britse linie heen, maar een tegenaanval van de Britse 3rd Division onder Major-General Bernard Montgomery, wist de aanvallers terug te dringen. Heeresgruppe A was er echter ondertussen in geslaagd om over de Maas heen te komen waardoor de Dijle-linie dreigde te worden omzeild. Onder deze dreiging besloot Général Gaston Bilotte dan ook op de avond van de 15e om de belangrijkste troepen van de Dijle-linie terug te trekken. De voormalige Schelde-linie zou nu de volgende verdedigingslijn worden.

Op 16 mei forceerden troepen van de Duitse 6.Armee een doorbraak in de Dijle-linie en trokken de overige geallieerde troepen terug richting Antwerpen.
Het terugtrekken werd er trouwens niet eenvoudiger op. De wegen waren verstopt door vluchtende burgers en de militaire colonnes waren een doelwit voor de gretige Stuka's. Er speelden zich dan ook hartverscheurende taferelen af op de Belgische wegen.
En-passant bezetten de Duitsers Brussel op 17 mei.

Omdat na 18 mei ook de troepen op Walcheren capituleerden werd Antwerpen een hoeksteen in de geallieerde frontlijn, die niet te houden was. Een nieuwe verdedigingslinie werd opgezet langs het kanaal van Gent naar Terneuzen in Zeeuws-Vlaanderen en vandaar naar de bovenloop van de Schelde.
Om de troepen op een ordentelijke manier op de nieuwe linie te krijgen werden vertragingsgevechten geleverd, onder meer bij het kanaal Willebroek, de Zenne en de rivier de Dender. Zo zou men langzaam terug kunnen trekken en in Zeeuws-Vlaanderen de Belgische en Nederlandse troepen aan de linie houden en aansluitend naar het zuiden de Britse troepen onder hun commandant General Viscount Lord Gort in stelling brengen.
De terugtocht verliep niet vlekkeloos, maar de vertragingsgevechten werden moedig uitgevoerd. Er werd zelfs een tegenaanval uitgevoerd bij Zwijndrecht. Toch wisten de Duitsers veel sneller over de Schelde te komen dan was verwacht (de voetgangerstunnel in Antwerpen was niet voldoende vernield). Een bruggenhoofd was snel gevormd en de pontonniers van de 216.Infanterie-Division begonnen snel een pontonbrug over de rivier te leggen. Antwerpen viel op 18 mei.
Bij Gent en in de linies naar het noorden en zuiden werd intussen hard gewerkt aan de weerbaarheid van de nieuwe linie. Er werden loopgraven aangelegd en bruggen opgeblazen. Op maandag 20 mei kwam het tot een eerste treffen. Bij Massemen werden de Belgische voorposten aangevallen. Iets verderop bij Kwadrecht moesten de verdedigers na felle gevechten terugtrekken. Een tegenaanval werd ingezet, maar men kon niet verhinderen dat de Duitse troepen de Schelde konden oversteken. Bij Gijzenzele werd zo fanatiek gevochten dat het Duitse 56.Infanterie-Bataillon 370 man verloor. 's Avonds bestookten de Belgen de Duitse linies met zwaar spoorweggeschut, dat stond opgesteld in Drongen.
Ondanks alles werd op 21 mei het lot van de Schelde-linie beslist. Omdat bij Petegem-bij-Oudenaarde een sterk Duits bruggenhoofd was gevormd kon men de linie niet houden en het opperbevel besloot wederom terug te trekken. Dit keer vochten de Belgen zich terug achter de rivier de Leie en hielden de mogelijkheid open om daarna achter de IJzer terug te trekken. In de nacht van 22 op 23 mei werd de operatie uitgevoerd en trokken de Belgische eenheden terug achter de Leie.

De gebeurtenissen in het zuiden
Door de Duitse successen in het Zuiden bleek al snel dat de Franse 9ième Armee onder grote druk kwam te staan. Op 14 mei waren zowel de 5.Panzer-Division als de 7.Panzer-Division van het XV.Armeekorps de Maas over bij respectievelijk Houx en Dinant, evenals de 8.Infanterie-Division bij Yvoir en de 28.Infanterie-Division bij Annevoie, beide horende tot het VIII.Armeekorps. De Fransen moesten iets ondernemen. De 1ière Division Cuirassée werd gedirigeerd naar het gebied rond Dinant en Yvoir om de Duitse pantsers tegen te houden. Deze divisie, onder bevel van Général Marie-Germain Bruneau, was opgebouwd uit de 1ière Demi-Brigade (28ième Bataillon de Chars de Combat van Commandant Louis Pinot en het 37ième Bataillon de Chars de Combat van Commandant Jean-Marie de Cissey) onder bevel van Colonel Jean-Marie Rabanit, de 3ième Demi-Brigade (25ième Bataillon de Chars de Combat van Commandant Maurice Pruvost en het 26ième Bataillon de Chars de Combat van Commandant Pierre Bonnot) onder bevel van Colonel Charles Marc en het 5ième Bataillon des Chausseurs Portésonder bevel van Commandant Louis Perrodo. In totaal werden door deze legermacht bijna 180 tanks bijgedragen bestaande uit Renault B1bis middelzware tanks en Hotchkiss H-39 lichte tanks. Zij zouden zich moeten verweren tegen de bijna 500 Duitse tanks. Het eerste contact vond plaats rond 08.30 uur op 15 mei in de buurt van Anthée. Het door de 7.Panzer-Division naar voren geschoven Panzer-Regiment 25 kwam daar onder vuur te liggen van het 26ième Bataillon de Chars de Combat en het 28ième Bataillon de Chars de Combat. Aanvankelijk lukte het de Fransen om de Duitse opmars te stoppen. Door gebrek aan brandstof waren de Fransen echter veel minder mobiel dan hun tegenstanders. De Duitse tanks konden hierdoor makkelijk een omtrekkende beweging maken terwijl de Aufklärungs-Abteilung 37 de Fransen bezig hield. De Duitse antitankartillerie maakte vervolgens het karwei af. Meer naar het noorden viel het 37ième Bataillon de Chars de Combat het Panzer-Regiment 31 van de 5.Panzer-Division aan. De tankslag die volgde was er één van gelijkwaardigheid in materieel en aanvankelijk werden diverse Duitse tanks uitgeschakeld, waaronder enkele Panzerkampfwagen IV types. De Duitse overmacht gaf echter al snel de doorslag. Tegen 14.00 uur was de 2ième Compagnie nagenoeg uitgeschakeld. De overblijfselen van de 1ière en 3ième Compagnie werden om 16.00 uur naar het Noorden richting Mettet gedirigeerd om aansluiting te zoeken met de eveneens hierheen teruggetrokken restanten van het 28ième Bataillon de Chars de Combat, snel gevolgd door het 25ième en 26ième Bataillon de Chars de Combat.

De 3ième Compagnie van het 37ième Bataillon de Chars de Combat bereikte even na 16.30 uur de hoofdweg onder Ermeton, op weg naar Denée. Hier stuitte men op Duitse infanterie, welke werd aangevallen. De Duitsers beantwoordden het vuur met geschut. Na wat schermutselingen en hergroepering trok men verder richting Denée. Al snel werden de Franse tanks opgemerkt door het juist over de Maas getrokken Infanterie-Regiment 28 van de 8.Infanterie-Division. De Fransen werden overvallen door de 3,7cm PAK's van de Duitse infanteristen. De uitwerking was echter nihil. De situatie voor de Duitse infanterie leek uitzichtloos. Een roep om hulp door de infanteristen was gehoord en geschut en antitankgeschut van de 14.Kompanie van het Infanterie-Regiment 28 en antitankgeschut van de Panzerjäger-Abteilung 8 werd naar voren gedirigeerd. Luchtafweergeschut van de in de buurt aanwezige 1.Kompanie van het Flak-Lehr-Regiment mengde zich in het gevecht. In korte tijd waren alle overgebleven Franse tanks uitgeschakeld. De gehele rest van de dag trachtten eenheden van het IIième en IVième Corps d'Armée, de uitbraak uit het Duitse bruggenhoofd te verhinderen. De niet aflatende Duitse luchtsteun en steeds verder groeiende overmacht zorgden er echter voor dat de Duitse opmars niet tot staan kon worden gebracht.

De restanten van het 37ième Bataillon de Chars de Combat werden in de nacht van 15 op 16 mei om circa 01.30 uur teruggetrokken in de richting van Beaumont. De tanks konden alleen aan de gang worden gehouden door onderweg brandstof te bedelen bij andere eenheden die men tegenkwam. Nabij Beaumont stuitte men op de hoofdmacht van de 5.Panzer-Division. Na enkele schermutselingen wisten vijf Franse tanks Beaumont zelf te bereiken en stelden zich daar ter verdediging op. De strijd was echter hopeloos. Stuk voor stuk werden de tanks uitgeschakeld en snel was de “Slag om Beaumont” voorbij.
De 7.Panzer-Division was ondertussen verder naar het zuiden gestaag opgerukt. Het eerste opstakel, de 4ième Division d'Infanterie Nord-Africaine kreeg niet eens de kans om een verdediging in te richten. De divisie werd nagenoeg geheel gevangen genomen, inclusief haar commandant Général Charles Sancelme. De pantsers moesten nu de Franse grens overtrekken en zou hiermee tegenover de Maginot-linie komen te staan. De machtige Maginot-linie was echter bij l'Epine niet afgebouwd. Slechts enkele bunkers waren gereed en voorts had men alleen prikkeldraadversperring aangebracht en een smalle antitankgracht. Generalmajor Erwin Rommel liet zijn pioniers eerst de versterkingen aanvallen en een bres slaan in de linie bij Clairfayts. Vervolgens reden de pantsers gewoon door. Ongehinderd, behalve door de vele vluchtelingen en achtergelaten Frans materieel, bereikte de 7.Panzer-Division op 17 mei rond 10.30 uur de hoofdweg ten noorden van Avesnes. Hier stuitten ze op het 25ième Bataillon de Chars de Combat en leden de Duitsers zware verliezen. De strijd duurde de gehele dag en alleen door het aanvoeren van enkele zwaardere PzKpfw IV tanks kon Generalmajor Erwin Rommel tegen 16.00 uur de situatie meester worden.

Ook bij le Cateau wisten de Fransen de Duitse opmars te vertragen. Hier waren het de 1ière Division Légère Mécanique en de 2ième Division Cuirassée die huishielden onder de oprukkende Duitse tanks. Slechts door het aanvoeren van extra versterkingen kon uiteindelijk vanaf 15.00 uur de tocht richting Cambrai worden voortgezet.

Meer naar het zuiden had de Panzergruppe Kleist te maken met de Franse 2ième Armée. Dit leger was ondertussen versterkt met de 3ième Division Cuirassée en de 3ième Division d'Infanterie Motorisée. Na de Duitse doorbraak bij Sedan had Général Charles Huntziger, de commandant van de 2ième Armée, zijn troepen in de tegenaanval gestuurd. Op 14 mei waren echter de defensielinies doorbroken en waren de 55ième Division d'Infanterie en de 71ième Division d'Infanterie volledig uiteengeslagen. Om een nieuwe linie te vormen werden reserve-eenheden uit het XXIème Corps d'Armée ingezet en wel de 2ième Division Légère de Cavalerie, de 5ième Division Légère de Cavalerie, de 1ière Brigade de Cavalerie, 3ième Division Cuirassée en de 3ième Division d'Infanterie Motorisée. Laat in de middag werd de aanval ingezet, waarbij de Franse tanks en pantserwagens onder druk van de infanterie echter eerst over een veel te breed front werden ingezet. Over een breedte van maar liefst 20 kilometer rukten de Fransen laat in de avond eindelijk werkelijk op. Intussen hadden de Duitse bevelhebbers besloten om met volle kracht naar het westen op te rukken. Hierbij kwamen ze allereerst in contact met de 1ière Brigade de Cavalerie en de 3ième Brigade de Spahis. Maar liefst 10 uur lang wisten vooral de Spahis de opmars van de 1. Panzer-Division te vertragen. De verliezen waren echter zo ernstig dat gedurende de nacht van 14 op 15 mei zowel de Spahis als de 1ière Brigade de Cavalerie moesten worden teruggetrokken ten zuiden van de Aisne.
In de vroege ochtend opende het Infanterie-Regiment “Gross Deutschland” de aanval en raakte rond Stonne in gevecht met sterke Franse weerstand van 1ière Compagnie uit het 51ième Regiment Infanterie, ondersteund door Franse tanks. Nadat uiteindelijk de tanks in de loop van de dag moesten worden teruggetrokken werden de Fransen verdreven uit het stadje.
De volgende dag (16 mei) werd geopend met een zwaar Frans artilleriebombardement op Stonne, gevolgd door een aanval om 05.00 uur door het 41ième Bataillon de Chars de Combat, 45ième Bataillon de Chars de Combat en het 51ième Regiment d'Infanterie. De in Stonne aanwezige tanks van de 10.Panzer-Division en de ondersteunende grenadiers waren volkomen verrast. Het Duitse luchtoverwicht en een geconcentreerde aanval van de 10.Panzer-Division samen met het Infanterie-Regiment “Gross Deutschland”, resulteerde pas op 17 mei in een definitieve overwinning door de inname van Stonne. De gevechten in dit gebied duurden echter nog tot 24 mei nadat Duitse versterkingen de doorslag gaven.

Om 16.00 uur op 15 mei werd Général André Corap als bevelhebber van de 9ième Armée vervangen door Général Henri Giraud. De situatie van de 9ième Armée was toen echter al hopeloos geworden. De 1.Panzer-Division en de 6.Panzer-Division hadden intussen Montcornet ingenomen. Aangezien dit maar 20 kilometer verwijderd was van het legerhoofdkwartier in Vervins, besloot Giraud direct tot een tegenaanval. Zijn 9ième Armée was echter zodanig verspreid dat het moeilijk zou worden om voldoende eenheden bijeen te brengen voor een geconcentreerde aanval. De enige beschikbare eenheid was de 2ième Division Cuirassée en deze was volledig gedesoriënteerd. Desondanks beval Giraud de aanval. Het mag duidelijk zijn dat dit een totaal fiasco werd. Nergens kon werkelijk een vuist worden gemaakt en de aanvallen werden volledig afgeslagen door de Duitse tanks.

Tegen de avond van 18 mei was de 9ième Armée nagenoeg geheel vernietigd. De overblijfselen waren afgesneden van iedere steun uit het zuiden en werden in hun achterhoede bedreigd door de tanks van Panzerguppe Kleist. Door de doorbraak van het XV.Armeekorps in het noorden was men ook hiervan afgesneden. Général Henri Giraud was gedwongen zijn hoofdkwartier te verplaatsen naar Le Catelet. Nabij Le Catelet werd hij met zijn staf overvallen door eenheden van de 6.Panzer-Division en op 19 mei gevangengenomen door Panzer-Regiment 11.

Vrije doorgang
In feite lag de weg naar Parijs nu voor de Duitse troepen open. Hun doel was echter gericht op het Kanaal. Hierdoor konden de Fransen hun troepen reorganiseren om de weg naar Parijs te beschermen. Hiervoor werd een nieuwe 7ième Armée gecreëerd met als doel het vullen van het gat dat was ontstaan door het verlies van de 9ième Armée. De bevelhebber werd Général Aubert Frère. Vele restanten van de 9ième Armée werden in het nieuwe leger opgenomen en langzaam maar zeker werd in het zuiden een nieuw front opgebouwd.
Als gevolg van de vele veranderingen en de ontstane situatie werd op 18 mei de minister van Defensie Edouard Daladier vervangen door Reynaud. Georges Mandel werd overgeplaatst van het Ministerie van Koloniën naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Maréchal Philippe Pétain werd teruggeroepen van zijn functie als ambassadeur in Madrid om vice-premier te worden. Gamelin werd ontslagen als opperbevelhebber en vervangen door Général Maxime Weygand. Weygand nam deze taak op 20 mei over.

Ondertussen was Adolf Hitler zelf geschrokken van de snelle Duitse opmars. Vooral de voortgang van zijn tanks baarde hem zorgen aangezien de infanterie deze snelheid amper kon bijbenen. Op 15 mei was al het bevel gegeven om de opmars te vertragen. Vanaf 16 mei mochten de Duitse pantsers formeel nog 24 uur oprukken. Besloten werd zo snel mogelijk en zo ver mogelijk te komen als de aanwezige brandstof toeliet. Toen bleek dat de Fransen in het zuiden niet meer deden dan hun verdedigende posities te consolideren, besloot men de diverse Panzer-Divisionen en Panzergruppe Kleist voorlopig alle ruimte te geven.
De 2.Panzer-Divison bereikte op 18 mei om 09.00 uur Saint-Quentin, terwijl de 1.Panzer-Division de Somme overstak en Péronne bereikte. Tegen de avond waren de eerste eenheden van de Panzerguppe Kleist bij het Canal du Nord en nam de 7.Panzer-Division de plaats Cambrai in. De 10.Panzer-Division kreeg de opdracht om de flanken van de opmars te beschermen.
Achter de oprukkende Panzer-Divisionen aan kregen de Infanterie-Divisionen de opdracht om de ontstane breuk in de Franse defensie te verstevigen en verbreden. Het VII.Armeekorps diende hierbij de gefortificeerde sector van Montmédy in te nemen. Meer naar het noorden werd het VIII.Armeekorps opgezadeld met eenzelfde taak voor de gefortificeerde sector van Maubeuge.
Het fort van Montmédy werd verdedigd door een compagnie van het 155ième Regiment d'Infanterie de Forteresse en werd ondersteund door manschappen van het 169ième Regiment d'Artillerie de Position. De sector zelf stond onder bescherming van het XVIIIème Corps d'Armée.
De Duitse aanval werd ondernomen door de 71.Infanterie-Division. De aanval begon in feite al met de opmars van de 71.Infanterie-Division bij de rivier de Cher op 14 mei. Op 17 mei hadden de Duitse troepen alle weerstand in het voorpostengebied van het fort opgeruimd. De gevechten om het fort waren hevig, maar op 19 mei om 05.00 uur was de laatste weerstand gebroken. De overige fortificatie in de sector van Montmédy, vormden voor de Duitsers geen bedreiging en werden op 13 en 14 juni door de bemanning zelf verlaten.

De sector van Maubeuge werd bemand door het 87ième Regiment d'Infanterie de Forteresse en mede verdedigd door de 101ième Division d'Infanterie de Forteresse. De voorposten werden al op 16 mei onder de voet gelopen tijdens de opmars van de 7.Panzer-Division. Op 17 mei hadden de verdedigers van de sector Maubeuge versterking gekregen van diverse terugtrekkende eenheden. Deze werden bijeengebracht in een Groupement Marioge met een bataljon van het 6ième Regiment de Tirailleurs Maroccains, een sectie van het 39ième Bataillon de Chars de Combat met Renault R-35 tanks, eenheden van de 5ième Division d'Infanterie Motorisée en Hotchkiss H-39 en Renault R-35 tanks van het 6ième en 26ième Bataillon de Chars de Combat.
Diezelfde dag werd de 1ière Division Légère Méchanique toegevoegd aan 9ième Armée. Deze divisie was door de ontwikkelingen in Nederland teruggetrokken van het front aldaar. Het doel was dat deze 1ière Division Légère Méchanique de oprukkende Duitse pantsereenheden zou afsnijden van hun aanvoerlijnen. De divisies werd hiertoe in twee groepen verdeeld, de Groupement Beauchesne en de Groupement de Caussans. Deze werden respectievelijk naar Le Cateau en Landrecies gedirigeerd. Vanwege de bedreiging nabij Le Quesnoy, waar de staf van het XIème Corps d'Armée in het nauw werd gedreven, stuurde Général Julien Martin, de bevelhebber van de 1ière Division Légère Méchanique, een eskader Somoa S-35 (4ième Cuirassiers) te hulp. Deze eenheid raakte te Berlaimont slaags met eenheden van de 7.Infanterie-Division en de 5.Panzer-Division, een strijd die tot ver in de avond duurde zonder dat er een winnaar uit te voorschijn kwam.

Gedurende de nacht van 17 op 18 mei bereikten eenheden van de 5.Panzer-Division de noordoever van de Sambre via enkele niet opgeblazen bruggen. De aldaar geformeerde Groupement Marioge, bestaande uit Hotschkiss H-39 en Renault R-35 tanks hielden de Duitse tanks van het Panzer-Regiment 31 gedurende de gehele dag bezig, zonder ze werkelijk te kunnen weerhouden de rivier geheel over te steken. Nadat de tanks versterking kregen van de 28.Panzer-Division wisten de Duitse tanks tegen de avond uit te breken.
Ondertussen was de strijd tussen de 4ième Cuirassiers en eenheden van de 7.Infanterie-Division en de 5.Panzer-Division weer opgelaaid, nu iets meer naar het westen, nabij Jolimetz. Eenheden van de Groupement Caussans waren er ondertussen in geslaagd om tegen de middag Landrecies te bereiken en te horen te krijgen dat de 4ième Cuirassiers volledig waren vernietigd door de Duitse overmacht.

Een allegaartje aan Franse troepen werd ondertussen zo goed en kwaad als het kon, gebruikt om de verdediging van Maubeuge te vormen. De gehele 19e mei duurden de gevechten aan de noordkant van de stad en bij Assevent. Tegen 17.00 uur moesten de eerste versterkte plaatsen het opgeven tegen de overweldigende Duitse vuurkracht van de 5.Panzer-Division.
Nadat de overwinning zeker gesteld was lieten de Duitse tanks het werk over aan de 28.Infanterie-Division en trokken verder in de richting van Le Quesnoy.
De situatie voor de Fransen bij Maubeuge was nu hopeloos geworden. Op 20 mei waren de meeste verdedigingswerken in het gebied onder de voet gelopen. De diverse forten werden achtereenvolgens aangevallen met Junkers Ju 87 Stuka's, Duitse artillerie, beschietingen door tanks en aanvallen van infanterie. Meer naar het westen werden Franse eenheden van de 5ième Division d'Infanterie Nord-Africaine, de 29ième Dragons en de 39ième Bataillon de Chars de Combat in het woud van Mormal omsingeld door eenheden van de 8.Infanterie-Division en de 4.Panzer-Division aan de ene zijde en de 5.Panzer-Division aan de andere. Tegen het aanbreken van de dag op 21 mei was de strijd daar voor de Fransen verloren met hoge verliezen voor zowel de Fransen als de Duitsers. Ook bij Maubeuge was de strijd ondertussen gestreden, hoewel de strijd rond verscheidene versterkingen nog tot dagen nadien voortduurde ( 23 mei om 11.00 uur viel het laatste fort), was de verdedigende betekenis van de linie al verdwenen. In de meer noordelijk gelegen Escaut-sector duurde de strijd zelfs nog tot 26 mei, zonder werkelijk van defensieve betekenis meer te zijn.

Er vonden nog diverse felle gevechten plaats in het gebied nabij Maubeuge. Het 158ième Régiment d'Infanterie en de 3ième Compagnie de 10ième Bataillon de Chasseurs à Pied bereikten op hun route in de ochtend van 23 mei de plaats Thulin, welke na onophoudelijke bombardementen nagenoeg volledig was verlaten. De plaats was in feite al ingenomen door voorttrekkende Duitse troepen, maar door een samenloop van omstandigheden als niet betekenend ervaren. Slechts een kleine eenheid van de Aufklärungs-Abteilung 269 was hier gestationeerd. In een snelle actie liet de Franse commandant Colonel Pierre Puccinelli de Duitsers bij één van de toegangswegen overmeesteren. Vervolgens zette hij de aanval in op Thulin zelf. Om 06.15 uur bereikte een oproep om hulp het hoofdkwartier van de 269.Infanterie-Division. Direct werd met artillerie op Thulin gevuurd, maar dat kon niet voorkomen dat om 07.00 uur moest worden gemeld dat Thulin weer in Franse handen was. De Duitsers zagen hierin een duidelijke bedreiging van hun opmarsroute. Oberst Rudolf Tschüdi, commandant van het Infanterie-Regiment 469, liet hierop een bataljon de plaats aanvallen met het doel het te heroveren. Al snel werden de Duitsers versterkt met eenheden van het Infanterie-Regiment 490 en het Artillerie-Regiment 59. Om 10.50 kon gemeld worden dat Thulin weer in Duitse handen was.


België Capituleert

Aanval uit zuidelijke richting
In de tussentijd hadden de Franse troepen aan de nieuwe linie langs de Somme, ten zuiden van de oprukkende Duitsers, niet stilgezeten. De opnieuw geformeerde 6ième Armée had haar posities ingenomen, om een naar het zuiden gerichte aanval het hoofd te kunnen bieden. Een onderdeel van die 6ième Armée was de 4ième Division Cuirassée, welke op 11 mei onder bevel van Colonel Charles de Gaulle was gekomen. Op 15 mei kreeg Charles de Gaulle het bevel van Général Alphonse Georges om in de buurt van Lâon de oprukkende Duitse pantsereenheden aan te vallen. Op 16 mei bereikten de eerste eenheden die bedoeld waren voor de divisie van Charles de Gaulle, hem. Dit waren de 245ième Compagnie de Chars, het 24ième Bataillon de Chars de Combat, het 46ième Bataillon de Chars de Combat en een compagnie van het 2ième Bataillon de Chars de Combat. Met dit beperkte deel van zijn troepen plande De Gaulle zijn aanval voor 17 mei. Op het laatste moment kon hij zijn 88 tanks nog aanvullen met infanteristen van het 4ième Bataillon de Chasseurs à Pied. In de nacht van 16 op 17 mei namen zijn troepen hun uitgangsposities in, even ten noorden van het bos van Samoussy.

Om 03.45 uur startte de aanval. Nabij Chivres stuitte het 46ième Bataillon de Chars de Combat op de eerste tegenstand, toen een Duitse kolonne werd aangevallen. De Duitse vrachtwagens hadden geen enkele kans en werden totaal vernietigd. Het 24ième Bataillon de Chars de Combat bereikte tegen het middaguur de plaats Montcornet, waar ze werden verwelkomd met antitankgeschut. Met hulp van de Luftwaffe wisten de Duitsers de Franse opmars hier tegen te houden. De Gaulle werd gedwongen de restanten van zijn tanks terug te trekken achter de moerassen tussen Sissonne en Chivre.
In de avond van 18 mei kreeg De Gaulle eindelijk de beschikking over de versterkingen die nog onderweg waren. Hij kon nu beschikken over ongeveer 155 tanks. Op 19 mei zou hij hiermee een nieuwe aanval openen ten noordoosten van Lâon. Hij verdeelde zijn troepen over drie aanvalseenheden. Om 04.00 uur opende hij de aanval. Na aanvankelijk goede vorderingen te maken, liep de aanval uiteindelijk vast op te grote tegenstand. De gevechten duurden de gehele dag voort, maar uiteindelijk moesten de Fransen met zware verliezen terugtrekken.

Duitse tanks aan het kanaal
Voor 20 mei hadden de Duitse tanks hun doelen hoog gesteld. De 1.Panzer-Division diende Amiens te bereiken terwijl de 2.Panzer-Division bij Abbeville een bruggenhoofd moest vestigen aan de Somme. De 10.Panzer-Division diende de flankbescherming van de 1.Panzer-Division over te nemen. Om 20.00 uur had de 2.Panzer-Division Noyelles-sur-Mer bereikt en werd daarmee de eerste Duitse eenheid aan de Kanaalkust. Het XXXXI.Armeekorps was even vlot opgerukt. Op 21 mei had de 6.Panzer-Division Le Boisle bereikt en de 8.Panzer-Division Hesdin.
Het XIX.Armeekorps kreeg echter pas laat op 21 mei haar verdere marsorders. De 1.Panzer-Division diende naar Calais op te rukken en de 2.Panzer-Division naar Boulogne. Dit kon echter niet op volle sterkte gebeuren omdat anders de op eerdere dagen veroverde gebieden onvoldoende beschermd bleven. Door de snelheid waarmee de tanks waren opgerukt, was het XIV.Armeekorps, dat hun posities diende over te nemen, ver achterop geraakt.

Nieuwe Franse posities
Ten zuiden van de oprukkende Duitse tanks, werd zoals al eerder aangegeven een nieuwe frontlinie opgebouwd. Naast de 6ième Armée, die zich langs de Aisne had geposteerd, werd ook een nieuwe 7ième Armée opgebouwd uit de eenheden die van het noorden uit waren weggehaald en troepen die uit het zuidoosten van Frankrijk werden gehaald. Het bevel over dit nieuwe leger kreeg Général Aubert Frère. In eerste instantie kreeg hij de 23ième Division d'Infanterie en de 3ième Division Légère d'Infanterie toegewezen. Rond 19 mei werden hier de 19ième Division d'Infanterie, 4ième Division d'Infanterie Coloniale en de 7ième Division d'Infanterie Nord-Africaine aan toegevoegd. Op diezelfde dag werd ook een aanvang gemaakt met het overbrengen van de Groupes d'Armées No.3 naar hetzelfde gebied en in de ochtend van 20 mei arriveerde ook de 7ième Division d'Infanterie Coloniale. Amiens werd toen al bedreigd door de 1.Panzer-Division en Duitse eenheden waren de Somme al overgestoken.

In allerijl werden Franse eenheden in de richting van de Somme gestuurd. Op 21 mei namen eenheden van de 3ième Division Légère de Cavalerie hun posities in. De dagen daarop volgden de 2ième Division Légère de Cavalerie en de 5ième Division Légère de Cavalerie.
Op 21 mei was ook de zojuist in Le Havre en Cherbourg gelande Britse 1st Armoured Division onder bevel van Major-General R. Evans naar de Somme gestuurd met als opdracht de overgangen tussen Picquigny en Pont-Remy te beveiligen. Totaal had deze divisie meer dan 250 tanks bij zich. De Britten hadden echter het 3rd Royal Tank Regiment en al haar infanterie af moeten staan voor de verdediging van Calais. Op datzelfde moment waren echter de Duitse eenheden ook begonnen hetzelfde gebied te beveiligen. De 2.Infanterie-Division (motorisiert) en de 13.Infanterie-Division, beide horend tot het XIV.Armeekorps, trokken naar het gebied en staken op veel plaatsen de Somme over. Zowel de Britten als de Fransen probeerden de Duitse troepen uit hun bruggenhoofden te verdrijven. Op 24 mei vielen de Fransen Amiens aan om zich na een dag hard vechten en grote verliezen weer te moeten terugtrekken. De 1st Armoured Division viel meer neer het noorden aan, om uiteindelijk ook zonder succes zich weer te moeten terugtrekken.

Op 25 mei werd besloten om voorlopig geen aanvallen op Amiens te ondernemen en alle energie te stoppen in het consolideren van de huidige posities. Besloten werd om de 1st Armoured Division en de 51st (Highland) Division die onderweg was, onder Frans bevel te plaatsen in een poging om meer gecoördineerde acties te kunnen ondernemen.
Een aanval op het Duitse bruggenhoofd bij Abbeville werd gepland voor 27 mei. Op 26 mei waren de drie Franse cavaleriedivisies eindelijk op volle sterkte en aanwezig in het gebied. De 5ième Division Légère de Cavalerie liep vast bij Huppy, evenals de 2ième Division Légère de Cavalerie, maar deze bereikte wel de Somme tussen Pont-Remy en Longpré. De 3ième Division Légère de Cavalerie wist de Somme te bereiken tussen Longpré en Picquigny.
De aanval op Amiens werd op 27 mei om 09.50 uur hervat. De 7ième Division d'Infanterie Coloniale viel aan, ondersteund door 15 Renault D2 tanks van het 19ième Bataillon de Chars de Combat en 6 Sumoa S-35 tanks van de 7ième Cuirassiers. Na zware gevechten liep op 16.00 uur de aanval vast.

Britten twijfelen over hun positie
Op 19 mei was General Lord Gort door Général Gaston Billotte ingelicht over de ontstane situatie. Gort schatte de situatie vlot in en concludeerde dat er eigenlijk maar twee opties waren. Of de geallieerden dienden zich volledig uit België terug te trekken en zich te voegen bij de Franse troepen ten zuiden van de Somme, of men diende de geallieerden te evacueren via de zee. De eerste optie werd al snel opgegeven. Dit zou de Belgen in de steek laten en zou betekenen dat men door de Duitse linies diende te breken, wat tot nu toe mislukt was. Een besluit voor de andere optie werd echter niet genomen, hoewel Gort besefte dat dit de enige redding voor zijn BEF zou zijn, ongeacht wat de Fransen en Belgen dachten of wilden ondernemen. 's Middags liet hij zijn Stafchef Lieutenant-General H.R. Pownall de situatie doorspreken met het War Office.
Op 20 mei kwam General Sir Edmund Ironside vanuit Groot-Brittannië overgevlogen om Lord Gort persoonlijk instructies van het War Cabinet te overhandigen. Deze luidden dat de BEF in zuidelijke richting naar Amiens diende aan te vallen. Eigenlijk was dit een onmogelijke opdracht. De BEF stond immers in linie bij Escaut om daar de Duitse opmars te weerstaan. Hier troepen weghalen zou gaten laten in de noodzakelijke linies. Om het War Cabinet tevreden te stellen, stelde Lord Gort een troepenmacht samen uit louter en alleen reservetroepen. Deze kreeg de benaming “Frankforce”, naar haar bevelhebber Major-General H.E. Franklin. Voor de opbouw van de Britse troepen, werden de 1st Army Tank Brigade en de 5th Infantry Division naar Vimy gedirigeerd om zich te voegen bij de daar aanwezige 50th Infantry Division. Tegelijk diende echter de gaten welke werden veroorzaakt door de verplaatsing te worden afgedicht. Lieutenant-General H.R. Pownall en General Sir Edmund Ironside richtten nu hun aandacht op Général Gaston Billotte om hem door te geven dat een Britse aanval in zuidelijke richting was gepland voor 21 mei en vroegen hem om Franse steun in de vorm van twee divisies die een aanval dienden te richten tegen Cambrai.

's Avonds op 20 mei was de 1.Panzer-Division in Amiens, de 2. Panzer-Division in Abbeville, de 6.Panzer-Division in Le Boisle en de 8.Panzer-Division in Hesdin. De 7.Panzer-Division en de SS-Totenkopf Division lagen ten zuiden van Arras, met de 5.Panzer-Division ten zuidoosten van die plaats. Op 21 mei kreeg Lord Gord te horen van Général Georges Blanchard dat de Franse aanval naar Cambrai geen doorgang kon vinden voor 22 mei. Ondertussen was wel toegezegd dat eenheden van de 3ième Division Légère Méchanique zich zouden voegen op de westflank van “Frankforce”. De aanval van “Frankforce" werd toch doorgezet. Onder bevel van de commandant van de 50th Infantry Division, Major-General G. le Q. Martel zou de aanval op 21 mei om 14.00 uur aanvangen. De troepen waren echter danig uitgedund. Van de 50th Infantry Division was alleen de 151st Infantry Brigade beschikbaar en van de 1st Army Tank Brigade waren nog maar 81 tanks over. Het doel voor de eerste dag werd de rivier de Cojeul, de tweede dag diende de rivier de Sensée als doel terwijl op de derde dag Bapaume en Cambrai bereikt diende te worden.
Aanvankelijk liep de aanval goed, maar in de loop van de avond liepen de diverse eenheden overal vast op de taaie Duitse verdediging. Slechts op één plaats werd de Cojeul bereikt. De verliezen aan beide kanten waren groot, maar voor de Britten onoverkomelijk. De aanval had echter wel bereikt dat de Duitse legerleiding zich een stuk minder zeker voelde van hun positie. Naar alle waarschijnlijkheid was de aanval één van de redenen voor het beruchte “Halt-Befehl” dat op 24 mei aan de Duitse tanks zou worden afgegeven.

Belgische forten houden lang stand
Langs de opmarsroute van de Duitse troepen lagen enkele formidabele Belgische versterkingen en wel de Position Fortifiée de Liège (PFL) en de Position Fortifiée de Namur (PFN). Beide versterkingen waren opgebouwd uit een reeks forten met ondersteunend geschut en diverse versterkte posities. Beide forten werden echter door de belangrijkste Duitse opmars simpelweg voorbijgelopen door de Duitse hoofdmacht. De forten zelf lagen in het grensgebied tussen de 6.Armee en de 4.Armee.

De Position Fortifiée de Liège werd verdedigd door het Règiment de Forteresse de Liège onder bevel van Colonel Maurice Modard. Om 04.30 uur op 10 mei waren vanuit de forten de eerste ondersteunende schoten afgevuurd in de richting van de oprukkende vijand en vooral in de richting van Eben-Emael. Op 11 mei werden naast Eben-Emael ook doelen onder vuur genomen aan de Maas. Op diezelfde dag werden voor het eerst schoten gewisseld met aanvallende vliegtuigen van de Luftwaffe. Op 12 mei echter werd het eerste fort, Barchon, aangevallen door Duitse infanterie. Later die dag volgde een aanval op het fort Pépinster. Beide aanvallen werden afgeslagen. De Duitse hoofdmacht van de 6.Armee trok ondertussen voorbij de fortificaties meer naar het noorden. Op 13 mei werden alle forten aangevallen door artillerie en de Luftwaffe. Deze bombardementen gingen de volgende dag door en brachten behoorlijke schade toe.
De 223.Infanterie-Division en de 251.Infanterie-Division hadden de opdracht gekregen de PFL te veroveren. Ondanks zware artillerie en luchtbombardementen, duurde het nog tot 14.30 uur op 19 mei voordat het laatste verzet binnen de PFL was gebroken.

De Position Fortifiée de Namur werd verdedigd door het Règiment de Forteresse de NamurLieutenant-Colonel Adolphe Drion. De eerste luchtaanvallen op de fortificaties vonden plaats op 14 mei en het eerste contact met de vijand op de grond vond plaats op dezelfde dag toen het geschut werd ingezet om de Duitse overtocht over de Maas te bemoeilijken. Op 16 mei kwam het eerste fort onder artillerievuur te staan. Pas op 17 mei verschenen de eerste Duitse militairen van de 211.Infanterie-Division in de buurt van de forten. Een dag later werden deze gevolgd door de 269.Infanterie-Division. Vanaf 18 mei werden de forten één voor één door de Duitsers veroverd. Pas om 10.00 uur op 24 mei viel het laatste fort binnen de PFN.

Weygand tracht het heft in handen te nemen
De situatie was met het bereiken van het Kanaal door de Duitse tanks zeer zorgelijk geworden, maar nog niet hopeloos. Het gat tussen de “Noordelijke” geallieerden en de legers in het zuiden was ongeveer 30 kilometer breed. Het grootste probleem was echter dat de frontlinie nu plots op twee plaatsen ontstond. Naast het front in het oosten, dat ondertussen was verschoven van de Dijle-linie naar de Escout-linie, verder naar het westen, was er nu ook een zuidelijk front ontstaan. De nieuwe Franse opperbevelhebber, Général Maxime Weygand, besloot op 21 mei de afgesneden troepen in het noorden te bezoeken. Met twee Amiot 354 toestellen, geëscorteerd door acht Bloch 152 jagers van de Groupe de Chasse II/3, landde hij op de vliegbasis Saint-Inglevert en werd naar Calais gereden voor een ontmoeting met Général Pierre Champon, de Franse liaisonofficier bij het Belgische hoofdkwartier. Van hieruit reed Weygand naar Ieper voor een topconferentie met koning Leopold III en Generaal Raoul van Overstraeten. In twee bijeenkomsten werd de situatie besproken en werd getracht afspraken te maken over de te volgen strategie. Omdat de Belgen stonden op de aanwezigheid van General Lord Gort, die niet te bereiken was, kwam men tot geen enkel besluit. Toen men Lord Gort eindelijk had kunnen bereiken en naar Ieper had gebracht, was Weygand alweer vertrokken via Duinkerken. Tot overmaat van ramp raakte Général Billotte die nacht zwaar gewond bij een auto-ongeluk. Hij zou twee dagen later aan zijn verwondingen bezwijken.

Weygand was intussen haastig op weg naar Parijs, waar hij 's middags op 22 mei een bijeenkomst zou hebben met Winston Churchill. Op deze bijeenkomst deed hij verslag van zijn bevindingen in Ieper en ontvouwde hij zijn aanvalsplannen. Weygand verzuimde echter hierbij aan te geven wat de kritieken hierop waren van koning Leopold III en Général Billotte.
Overeengekomen werd echter dat het Belgische leger zich zou terugtrekken achter de rivier de IJzer, dat de BEF en de 1ière Armée de volgende dag een aanval zouden ondernemen in de richting van Bapaume en Cambrai, samen met het Belgische Cavalerie Corps, dat de Britse RAF alle steun zou geven die mogelijk is en dat de nieuwe Franse legergroep in het zuiden naar het noorden zou aanvallen in de richting van Bapaume.

Toen op 23 mei het geallieerde tegenoffensief van start moest gaan, had Lord Gort nog steeds geen duidelijkheid over de coördinatie tussen België, Frankrijk en Groot-Brittannië. Na overleg met Général Georges Blanchard werd overeengekomen dat de aanval zou worden ondernomen door de twee Britse en maar liefst vier Franse divisies. Volgens Lord Gort zou hierdoor de aanval echter niet eerder dan op 26 mei kunnen plaatsvinden.
Ondertussen was de situatie rond Arras zeer ernstig geworden. Major-General H.E. Franklyn werd gedwongen om zijn troepen in de omgeving van Arras terug te trekken naar een nieuwe linie langs het kanaal tussen Béthune en La Bassée. Hiermee was het “Weygand-plan” in principe op losse schroeven komen te staan. De planning ging wel door, maar de verdere ontwikkelingen op het slagveld hebben ervoor gezorgd dat nooit tot uitvoering werd overgegaan.

Op 24 mei vaardigde Hitler zijn “Führer Weisung No 13” uit. Hierin kregen zijn troepen de opdracht om zich te concentreren op het vernietigen van de omsingelde Franse, Britse en Belgische troepen in Vlaanderen en het gebied van Artois door een aanval vanaf de noordelijke flank. De Luftwaffe diende zo mogelijk alle geallieerde troepenbewegingen tegen te gaan, diende de oversteek van Britse troepen over het Kanaal te verijdelen en diende de zuidflank van Heeresgruppe A te beschermen. De Duitse troepen dienden vervolgens te worden aangewend om zo snel mogelijk de geallieerden in de rest van Frankrijk te verslaan.
Generaloberst Gerd von Rundstedt zag hierin een aanwijzing om zijn pantsertroepen zo snel mogelijk te laten stoppen met hun opmars en zich te concentreren op het treffen van de voorbereidingen op de verovering van Frankrijk, “Fall Rot”. Op de avond van 23 mei zond hij daarom al een opdracht naar de 4.Armee, waarbij hij aangaf dat de Panzergruppe Hoth de volgende dag haar opmars moest staken en dat Panzergruppe Kleist dit diende te doen zodra haar posities waren zeker gesteld. Bij een bezoek van Hitler op 24 mei aan Von Rundstedt werden deze orders door Adolf Hitler zelf bekrachtigd. Hierin werd aangegeven dat dit mede was gedaan om de Luftwaffe alle vrijheid te geven in het gebied te kunnen opereren. Na Hitlers bezoek gaf Von Rundstedt direct de orders uit Hitlers naam door. De pantsertroepen zouden moeten halthouden bij de lijn Lens-Béthune-Aire-St Omer-Gravelines. Deze order zou later bekend worden onder de naam “Halt-befehl”.

Op 24 mei viel de 6.Armee de Belgische posities aan de Leie aan. Precies op de grens tussen de Belgen en de BEF. Al snel wisten ze bruggenhoofden te vormen bij Kortrijk en Menen.

België capituleert
De Leie is een bochtige rivier en in mei 1940 stond er niet veel water in. De rivier is ook niet breed en op de oostelijke oever liggen veel dichtbebouwde dorpen, waarachter de vijand ongezien kon naderen. Geen ideale verdedigingslinie dus. Toch werd achter deze rivier door het Belgische leger de zwaarste en hardste strijd geleverd van de hele 18-daagse veldtocht. Vanaf 24 mei werden de hevigste, maar laatste gevechten geleverd. De Duitsers slaagden er toen in bij Harelbeke over te steken en een bruggenhoofd te vormen. Ook op twee andere plekken slaagden Duitse troepen erin over te steken.
In de vroege ochtend van de 25 mei zetten de Belgen een tegenaanval in en heroverden het verloren terrein. De gevechten duurden voort en het front bewoog heen en weer. Bij Kortrijk werd hevig gevochten en de Duitse troepen trachtten een wig te drijven tussen de fronten van de Belgen en de Britten. Ook van Oostwinkel tot Maldegem werd gevochten, waarbij de Duitse 18.Armee was betrokken.

Op 27 mei viel de beslissing. De slag aan de Leie bereikt zijn einde nadat de Belgen ongeveer 2.500 mensen hebben verloren. Door de Duitse doorbraak raakte het verband tussen de Belgen en de Britten verloren en op de andere flank van het Britse front trok de 2ième Division d'Infanterie Nord-Africaine zich ook terug.
Het hoofdkwartier van het Belgische leger, en met hen koning Leopold III, zag in dat een verdere strijd nutteloos was. In hun berichtgeving aan de andere geallieerden werd zelfs het woord "hopeloos" gebruikt. Om 15.30 uur besloot koning Leopold III te verzoeken om een wapenstilstand en om 17.00 uur ging onderhandelaar Generaal-majoor Jules Derousseaux op weg naar de Duitsers. Om 22.30 uur was hij terug met de Duitse eis voor een onvoorwaardelijke overgave. Koning Leopold accepteerde.
Er werd besloten de volgende dag, 28 mei 1940 om 04.00 uur, te capituleren. Later op die dag werd in Château d'Anvaing de wapenstilstand getekend tussen Generaal-majoor Jules Derousseaux en Generaloberst Walther von Reichenau.

De Belgische overgave kwam voor de geallieerden niet echt als een verrassing, maar wel de wijze waarop deze tot stand kwam. Zonder enige waarschuwing voelden zij zich in het midden van de strijd door de Belgen in de steek gelaten. Indien er echter een betere coördinatie had bestaan tussen de diverse legerleidingen en de Fransen en Britten hun Belgische partners meer op gelijke voet had behandeld, was wellicht alles op een geheel andere wijze verlopen.


Epiloog

Abbeville
Op 26 mei werd het bevel doorgegeven voor een aanval op het Duitse bruggenhoofd bij Abbeville. De 2ième Division Légère de Cavalerie zou samen met de 2nd Armoured Brigade ten zuiden van Abbeville aanvallen, terwijl de 5ième Division Légère de Cavalerie, samen met de 3rd Armoured Brigade vanaf de hogere gronden in de richting van de zee zou aanvallen. Op 27 mei om 06.00 uur ving de aanval aan. De aanval liep uiteindelijk op niets uit, terwijl de verliezen hoog waren. Bij de aanval waren de Britse tanks op een totaal verkeerde manier ingezet. De aanwezige tanks waren totaal niet in staat om een infanterieaanval te ondersteunen, maar waren eigenlijk bedoeld om een zelfstandige, snelle aanval te ondernemen.

De pogingen om het bruggenhoofd rond Abbeville op de Duitsers te heroveren werd hiermee echter nog niet vergeten. Op 27 mei kreeg de 4ième Division Cuirassée de taak om het bruggenhoofd zodanig onder druk te zetten dat deze in omvang zou worden teruggebracht. In de nacht van 27 op 28 mei trok de divisie naar het noorden.
De 4ième Division Cuirassée was danig versterkt na de verliezen die eerder waren geleden. De 3ième Cuirassiers werd met 40 Hotchkiss H-39 tanks ingezet, evenals het 44ième Bataillon de Chars de Combat met 45 Renault R-35 tanks en het 47ième Bataillon de Chars de Combat met 20 Renault B1bis tanks. Totaal konden hiermee 150 tanks worden ingezet.
In diezelfde nacht werd de 2.Infanterie-Division (motorisiert) afgelost door eenheden van het XXXVIII.Armeekorps. Het Abbeville-bruggenhoofd werd ingenomen door de 57.Infanterie-Division, vlakbij ondersteund door de 9.Infanterie-Division.

In de middag van 28 mei kwamen de Franse bevelhebbers bijeen in Château d'Oisemont, waaronder de pas bevorderde Général de Brigade Charles de Gaulle en de commandant van de 2nd Armoured Brigade, Brigadier R.L. McCreery.
De 4ième Division Cuirassée zou het centrum van de aanval vormen met de 5ième Division Légère de Cavalerie en de 2ième Division Légère de Cavalerie op de flanken. Om 17.00 uur ving het artilleriebombardement aan. Wonderwel verliep de aanval aanvankelijk heel goed. Diverse Duitse posities werden onder de voet gelopen. Aan het einde van de dag was de 57.Infanterie-Division vier kilometer teruggedrongen. De Duitsers hadden vooral een gebrek aan de juiste antitankwapens. De standaard 3,7cm PAK 35/36 bleek onvoldoende effectief te zijn tegen de zwaardere Franse tanks en in allerijl werd 88mm FLAK geschut aangevoerd van de Flak-Abteilung I./64.
Om 04.00 uur op 29 mei hervatten de Fransen hun opmars. Ook nu verliep deze aanvankelijk goed, maar de verliezen waren door het zwaardere Duitse geschut aanzienlijk groter. Rond 17.00 uur was de aanval vastgelopen. Beide kanten hadden zware verliezen geleden en zowel de Fransen als de Duitsers waren redelijk hopeloos in het inschatten van hun kansen voor het vervolg van de strijd in dit gebied.
Charles de Gaulle plande een hernieuwde aanval voor 30 mei om 17.00 uur nadat de Franse troepen zich weer hadden kunnen versterken. Er konden echter onmogelijk voldoende hoeveelheden tanks worden ingezet voor een hernieuwde aanval.

Het was duidelijk dat de Fransen een hergroepering nodig hadden indien men de strijd verder wilde opvoeren. De onder de 7ième Armée opererende Groupement A werd opgewaardeerd tot de 10ième Armée, onder bevel van Général Altmeyer. Dit leger kreeg het gehele gebied langs de Somme onder haar hoede en bestond uit het IXième Corps d'Armée en het Xième Corps d'Armée. De eerste bestond uit de Britse 51st (Highland) Infantry Division, de >2ième Division Légère de Cavalerie en de 3ième Division Légère de Cavalerie. Het Xième Corps d'Armée kreeg drie infanteriedivisies toegewezen. De 31ième Division d'Infanterie, de 5ième Division Légère de Cavalerie, de 1st Armoured Division en de 40ième Division d'Infanterie waren onderweg en werden in reserve gehouden.
Naast deze eenheden was er nog een onafhankelijke eenheid onder Brits bevel in het gebied. Lieutenant-General Sir Henry Karslake, bevelhebber van de Britse “Lines of Communications” had op 18 mei maatregelen genomen om met Britse troepen het gebied nabij de Somme te kunnen beveiligen. Twee mobiele groepen, “Vicforce” en “Beauforce” werden opgesteld langs de rivieren de Andelle en de Béthune. Op 31 mei werden deze beide groepen samengevoegd tot de Beauman Division, onder bevel van Brigadier A.B. Beauman en direct ondergeschikt aan Karslake zelf.

Het Franse opperbevel bleef zinnen op een aanval op het Duitse bruggenhoofd bij Abbeville. Hiervoor werd eind mei de 2ième Division Cuirassée gereorganiseerd. Op papier zou deze eenheid bestaan uit 165 tanks, maar toen de geplande aanval op 4 juni moest plaatsvinden konden maar 140 tanks ingezet worden.
Uiteindelijk werden meer troepen ingezet voor de geplande aanval. Onder bevel van 51st Infantry Division-commandant Major-General V.M. Fortune, werden de 51st Infantry Division, de 2ième Division Cuirassée en de 31ième Division d'Infanterie samengebracht. Het centrum van de aanval zou worden gevormd door de 2ième Division Cuirassée, welke werd ondersteund door de 152nd Infantry Brigade. Op de linkerflank bevond zich de 31ième Division d'Infanterie en op de andere flank de 153rd Infantry Brigade en de 154th Infantry Brigade. Om 03.30 brak het Frans-Britse artilleriebombardement dat de aanval inluidde, los. Het centrum en de rechterflank liepen al heel snel vast op de Duitse posities. Op de linkerflank verliep de aanval voortvarender, maar door het achterblijven van de andere flanken kon de winst niet worden uitgebuit. Tegen het middaguur was duidelijk dat de aanval geen succes zou worden. De verliezen waren zeer groot, de Duitse troepen bleken te sterk.

Terugtocht
Wat was er ondertussen verder voorgevallen? Op 18 mei had men de 7ième Armée teruggetrokken uit België. Het XVIième Corps d'Armée had hierna in België de bezetting van de linkerflank binnen het geallieerde front ingenomen. Op 21 mei was dit korps ondergeschikt aan het Belgische opperbevel met als doel de verdediging van het gebied ten noorden van Brugge.

De laatste grote slag voor het Belgische leger had plaatsgevonden aan de Leie en het Afwateringskanaal. Die slag was op 24 mei begonnen met een Duitse aanval door de 18.Armee aan het Afwateringskanaal en de 6.Armee aan de Leie. Deze laatste zette maar liefst acht divisies in tegen de vier Belgische. Al vlot was men over de Leie heen, ondanks dapper verzet van de Belgische 1ste Infanteriedivisie en 3de Infanteriedivisie. Onderdelen als de 12de Linie bij Kuurne, onder bevel van kolonel Yvan Gérard, beten behoorlijk van zich af. Tegen de avond hadden de Duitse troepen echter stevige bruggenhoofden gevormd. Vanaf 25 mei gooiden de Duitsers alles wat ze hadden in de strijd tegen de Belgen. De overmacht werd simpelweg te groot. Moegestreden moest het Belgische opperbevel op 27 mei de strijd staken.

De rest van de 7ième Armée was ten zuiden van de Somme ingezet voor de opbouw van een nieuw front. De 21ième Division d'Infanterie had echter niet op tijd weg kunnen kom en werd daarna ingezet voor de verdediging van Boulogne. Zij kregen hierbij hulp van twee bataljons uit Groot-Brittannië van de 20th Guards Brigade. Later zouden nog volgen het 3rd Royal Tank Regiment en de 1st Queen Victoria's Rifles. Door de verslechterende situatie is die echter niet meer uitgevoerd.
De Panzergruppe Kleist had haar zegetocht voortgezet en op 22 mei bereikte de 2.Panzer-Division Boulogne, waar op dat moment nog maar een klein deel van de 21ième Division d'Infanterie aanwezig. Delen van deze divisie wisten bij Desvres wel de 1.Panzer-Division tegen te houden tot in de middag van 23 mei.
Franse en Britse torpedobootjagers probeerden zo goed en kwaad als het kon met hun geschut de troepen bij de verdediging van Boulogne bij te staan. De HMS Keith en de HMS Vimy verloren hierbij hun commandant en de Franse jager l'Orage werd door de Luftwaffe tot zinken gebracht.
Om 18.30 op 23 mei werd de Britse troepen bevolen om onmiddellijk te evacueren. De Fransen werden hierbij niet ingelicht en moesten tot hun verrassing ontdekken dat nagenoeg geen Britse troepen de verdediging met hen op zich konden nemen. De Franse verdediging van Boulogne duurde nog tot 25 mei.

Een andere stad welke door de Britten zouden worden verdedigd was Calais. Op 22 mei kwamen daar de 1st Queen Victoria's Rifles en het 3rd Royal Tank Regiment aan. Voordat men echter in de richting van Boulogne of Duinkerken kon opereren was Calais al door de Panzergruppe Kleist omsingeld. Vroeg in de morgen op 24 mei werd besloten ook de Britten in Calais te evacueren. In de middag werd dit bevel echter weer ingetrokken. Op 25 mei verscheen een Duitse onderhandelaar met de Duitse eis aan de Britten tot overgave. Brigadier Nicholson weigerde en de gevechten gingen nog tot 27 mei door toen ieder verzet verder hopeloos was.

De BEF trekt zich terug
Op 26 mei ontving Lord Gort van de Secretary of State of War, Anthony Eden, een telegram met daarin de formele toestemming om over te gaan tot evacuatie van de BEF. In overleg met de Franse en Belgische militaire autoriteiten moest Lord Gort zien terug te vallen in de richting van de kust met als belangrijkste steunpunt Duinkerken. Hiermee werd formeel een aanvang gemaakt met “Operation Dynamo”, de evacuatie te Duinkerken wat zou uitmonden in de Slag om Duinkerken.

Vanaf 21 mei was de Britse Admiralty al begonnen met het evacueren van diegenen die niet voor de oorlogsinspanningen van belang waren. Rond middernacht 26 mei had men al 27.936 man geëvacueerd via de havens van Boulogne, Calais, Duinkerken en Oostende. Aanvankelijk zouden dezelfde havens gebruikt worden voor de evacuatie van de hoofdmacht, maar door de val van Boulogne en Calais en de capitulatie van de Belgen was alleen Duinkerken nog maar mogelijk. Formeel begon Operation Dynamo op 26 mei rond 19.00 uur. Het schip Mona's Isle was de eerste die tijdens deze operatie vanuit Duinkerken vertrok.
Al strijdend trokken de overgebleven Britse, Franse en Belgische troepen zich terug in de richting van Duinkerken om via de haven en later ook rechtstreeks vanaf de stranden naar Groot-Brittannië te worden afgevoerd.

Rond 08.00 uur op 4 juni was de situatie dusdanig dat Général Maurice Beaufrère, commandant van de 68ième Division d'Infanterie en Général Gustave Teissere, commandant van de 60ième Division d'Infanterie contact zochten met de Duitsers en even later overeenkwamen de wapens neer te leggen. De Britse reddingsvloot had op diezelfde ochtend de opdracht gekregen te vertrekken en om 14.23 uur werd Operation Dynamo formeel beëindigd.
Tegen die tijd waren 198.315 Britse en 139.911 overige geallieerde troepen geëvacueerd. Totaal waren 228 schepen bij de operatie verloren gegaan en 45 zwaar beschadigd. Een deel van de Franse geëvacueerden werd in het zuiden weer aan land gebracht om daar de strijd voort te zetten.
En die strijd zou snel losbarsten aangezien op 5 juni de volgende Duitse operatie aanving, Fall Rot.


Bronnen

De volgende artikelen zijn deels opgenomen in deze tekst en hebben hiervoor als basis gediend:
- Netten A.van, 10 mei 1940 België in oorlog, oorspronkelijk artikel op Go2War2, STIWOT, 2002
- Netten A.van, De slag om Frankrijk, oorspronkelijk artikel op Go2War2, STIWOT, 2002
- Netten A.van, 10 mei 1940 Nederland in oorlog, oorspronkelijk artikel op Go2War2, STIWOT, 2001
Overige bronnen:
- Amersfoort H. en P.H. Kamphuis, Mei 1940 De strijd op Nederlands grondgebied, SDU uitgeverij, ’s Gravenhage, 1990
- Bree L.W. de, Zeeland 40-45, deel 1, Den Boer Uitgevers, Middelburg, 1997
- Brongers E.H., Grebbelinie 1940, Hollandia B.V., Baarn, 1977
- Brongers E.H., De Slag om de Residentie 1940, Hollandia B.V., Baarn, 1977
- Doorman P.L.G., Military Operations of the Dutch Army 10th-17th May 1940, Helion and Company, England, 2005
- Gilbert A., Germany’s Lightning War, MBI Publishing Company, Osceola USA, 2000
- Griess T.E., The Second World War, Europe and The Mediterranean, The West Point Military History Series, Square one, 2002
- Jong Dr. L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, delen 2 en 3, Staatsdrukkerij, ’s Gravenhage, 1969
- Huurman C., Het Spoorwegbedrijf in oorlogstijd, 1939-’45, Uitgeverij Uquilair, 2001
- Korthals Altes A., Luchtgevaar, Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945, Sijthoff, Amsterdam, 1984
- Middelkoop T. van, Een soldaat doet zijn plicht, Generaal H.G. Winkelman, Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 2002
- Mollo A., The Armed Forces of World War II, Little, Brown and Company, Singapore, 2001
- Pallud J.P., Blitzkrieg in the West Then and Now, After the Battle, London, 1991
- Preger J. ea., De bange meidagen van 1940, Lecturama bv., Rotterdam, 1978
- Rutherford W., Blitzkrieg 1940, Uitgeverij Helmond B.V., Helmond, 1980
- Steenbeek W., Rotterdam de Duitse inval in Nederland, Standaard uitgeverij, Antwerpen, 1994
- Vos L. de en F. Decat, Mei 1940, van Albertkanaal tot Leie, België in de Tweede Wereldoorlog, deel 10, De Nederlandscha Boekhandel/Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 1990
- Williams J, Pantserspitsen tegen Frankrijk en België, Standaard uitgeverij, Antwerpen, 1993
- Wilson P., Dunkirk from disaster to deliverance, Battleground Europe, Combined Publishing, 1999
- DHM Lebendiges Virtuelles Museum

Versie: 10-12-2015 Artikel door: Wilco Vermeer

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/468/Fall-Gelb-het-Duitse-offensief-in-het-Westen.htm