Vrouwen in de nazi-ideologie en de nazi-economie

De vrouw in de nazi-ideologie

De Volksgemeinschaft
Te vaak wordt de nazi-ideologie afgedaan als 'window dressing', ontworpen om het streven naar politieke en militaire macht te verbergen. De nazi-ideologie omvatte de persoonlijkheidscultus van Hitler, het streven om Duitsland opnieuw tot een wereldmacht om te vormen en de rassentheorie die het Arische ras verheerlijkte en onder meer Joden tot een parasitair ras degradeerde. De nazi-leiders hadden die elementen zeker voor ogen, maar zij waren niet voortdurend bezig om die ideologische elementen aan de realiteit op te leggen. Andere, minder negatieve en destructieve, aspecten vormden mede de basis van de ideologie: de gemeenschapsbanden aanhalen, de controle verwerven over de industrialisatie én een nationale cultuur opbouwen die de klasseverschillen zou overstijgen.

Het nazisme claimde een revolutionair doctrine te zijn, maar hield veeleer een terugkeer naar het verleden in, naar "de simpelere manier van leven van vroeger". De nazi’s deden een beroep op de traditionele waarden en landelijke levensstijl van het verleden. Ze wilden Duitsland opbouwen tot een grootmacht, waarbij de stedelijk geïndustrialiseerde wereld ondergeschikt was aan het agrarische platteland.

De sleutel van het nationaalsocialisme lag in de notie van de Volksgemeinschaft, die de versplinterde maatschappij van de industriële natie moest vervangen. Het was een massamaatschappij waarin de gelijke medezeggenschap van alle individuen binnen de samenleving de vroegere verdeling op basis van onder andere klasse verving. De nationaalsocialistische ideologie verlangde een totale culturele omvorming van de Duitse politiek en samenleving, waarbij de gemeenschap elk aspect van het leven van het individu controleerde. Op die idee is de leuze "Ein Volk, ein Reich, ein Führer" gebaseerd: de nazi's wilden één volk creëren binnen een groot rijk onder leiding van Adolf Hitler. Het nationaalsocialisme had tot doel het leven van het individu binnen te dringen door een samenleving te creëren waarin alles en iedereen werd 'gecoördineerd' door de bewaker van de Volksgemeinschaft, de nazi-partij.

De vrouw in de Volksgemeinschaft
De vrouw speelde een vitale rol: als moeder en echtgenote, maar ook als een potentiële bron van arbeid. De houding van de nazi's tegenover vrouwen was erg reactionair: zij waren sterk gekant tegen de idee van emancipatie van de vrouw. Ze benadrukten dat mannen en vrouwen een verschillende rol in het maatschappelijk leven hadden, gebaseerd op de natuurlijke verschillen. Vrouwen waren niet minderwaardig, maar "anders". Zij moesten zich richten op hun natuurlijke rol als echtgenotes en huismoeders. Politiek was een mannentaak en vrouwen werden van de hoogste posities binnen de partij uitgesloten, behalve binnen hun eigen organisaties zoals de Bund Deutscher Mädel. In een speech voor een bijeenkomst van de Nationalsozialistische Frauenschaft op 8 september 1934 deed Hitler de emancipatie van de vrouw af als een uitvinding van Joodse intellectuelen. In de echt goede tijden van het Duitse leven had de vrouw immers geen behoefte aan emancipatie. De wereld van de man was die van de staat, van de strijd en van zijn inzet voor de gemeenschap. De wereld van de vrouw was kleiner: haar wereld draaide rond haar man, haar familie, haar kinderen en haar thuis. De grotere wereld van de man was gebouwd op de fundamenten van die van de vrouw. Zijn wereld kon alleen overleven als de hare stabiel was. Daarom vond Hitler het niet correct dat de vrouw de sfeer van de man binnendrong. De twee werelden moesten gescheiden blijven. Dat houdt een nieuwe tegenspraak in de nazi-ideologie in: de nazi-samenleving wilde alle onderscheid en klassenverschillen (onder de Ariërs wel te verstaan) wegnemen, maar met zulke opvattingen over man en vrouw werd een nieuw onderscheid in het leven geroepen.

Het moederschap was de belangrijkste rol van de vrouw. Net als alle andere Europese landen werd Duitsland in de jaren 20 geconfronteerd met dalende geboortecijfers. De nazi's vreesden dat, indien de daling zou aanhouden, Duitsland er niet zou in slagen om zijn positie als grootmacht opnieuw in te nemen. Er werden meerdere acties gestart om de dalende trend om te buigen Zo werd het verbod op abortus veel strenger toegepast en kwamen er aanmoedigingspremies om kinderen voort te brengen. Het meest originele initiatief was het 'huwelijkslenen'. Het huwen werd aangemoedigd door gehuwden de mogelijkheid te geven makkelijker en goedkoper (zonder rente) te lenen. Een andere maatregel hield een verbetering van de faciliteiten voor aanstaande moeders in. De overkoepelende vrouwenorganisatie, het Deutsche Frauenwerk (DFW), organiseerde ‘moederscholen’ waarin lessen werden gegeven over huishouden en de vaardigheden van het moederschap. Het aantal huwelijken steeg: van 516.800 in 1932 naar 740.200 in 1934, maar het aantal kinderen nam in verhouding niet toe. Vele koppels kozen voor één of twee kinderen, omdat ze vreesden dat de extra kosten voor meer kinderen de financiële voordelen zouden overstijgen.

Het is niet echt duidelijk welke impact de acties op de geboortecijfers had. Het aantal geboorten nam pas na 1933 sterk toe, maar bleef onder het niveau van de jaren 1922-1926. De stijging werd zeker mede bepaald door een stijgend vertrouwen in de toekomst als gevolg van de verbeterde economische situatie. Bovendien huwden tijdens het Interbellum meer personen op jongere leeftijd, wat betekende dat er meer gehuwde koppels waren die gedurende een langere periode kinderen konden voortbrengen. Vaststelling blijft dat de koppels die trouwden na de machtsgreep van de nazi's minder kinderen hadden dan de koppels in de jaren 20. De nazi-propaganda had weinig direct effect op het geboortecijfer, maar indirect droeg ze wel bij tot het doorbreken van de dalende trend door het aanzwengelen van de economie. Dit herstelde het vertrouwen van de Duitsers in de toekomst en bood hen een betere levenskwaliteit.

Het nazi-regime besteedde veel aandacht aan de fysieke en geestelijke gezondheid van de borelingen. Om de 'raciale zuiverheid van de Ariërs' te garanderen werd in juli 1933 een wet uitgevaardigd die een gedwongen sterilisatie voorschreef van mannen en vrouwen die in de ogen van de nazi's ‘inferieur’ waren vanwege - feitelijke of vermeende - erfelijke ziektes. Deze wet vormde het fundament van de nationaalsocialistische rassenhygiëne, gericht op de 'regeneratie van het ras' of, anders gezegd, 'de hygiënische zuivering van het ras' onder de Duitsers zelf. In augustus 1935 werden huwelijken en seksuele relaties tussen Duitsers en Joden officieel verboden. "De gemeenschap heeft het recht om mensen van voortplanting uit te sluiten als men weet dat hun kinderen fysiek, mentaal en geestelijk inferieur zullen zijn", verkondigde Dr. Steche.

Die sterilisatiepraktijk nuanceert de traditionele ideeën over de rol van de vrouwen in nazi-Duitsland. De Nationalsozialistische Frauenschaft en de medewerkers van vrouwenbladen spoorden de vrouwen aan om het sterilisatiebeleid te aanvaarden en om mogelijke kandidaten aan te geven. Hiertoe moesten zij ingaan tegen de traditionele opvattingen over moederschap en de rol van vrouwen als moeders. De lezeressen werd duidelijk gemaakt dat niet zozeer het krijgen van kinderen, maar 'regeneratie' het nieuwe doel van de staat was. "Juist het moederlijke gevoel van vrouwen kon gevaarlijke consequenties hebben" omdat dat "zoals elke vorm van egoïsme, tegen de belangen van het ras indruist".

Toch bleef de nazi-ideologie gericht op de rol van de vrouw als huisvrouw en moeder. Het regime steunde op twee vrouwenorganisaties, het Deutsche Frauenwerk en de Nationalsozialistische Frauenschaft (NSF). Het Deutsche Frauenwerk, opgericht in oktober 1933, overkoepelde de andere vrouwenorganisaties. In mei 1934 stichtte het de Reichsmütterdienst (RMD). Deze dienst gaf een opleiding (Mütterschulung) om moeders te overtuigen van hun belangrijke plichten bij het opvoeden en vormen van de kinderen. Tegen maart 1939 hadden 1,7 miljoen vrouwen bijna 100.000 lessen van de RMD bijgewoond. Daarnaast richtte de DFW met veel succes een dienst voor huisvrouwen op die lessen aanbood om hen efficiënt te leren omgaan met de schaarse materialen en voedingsmiddelen. De DFW had echter vooral leden onder de middenklasse en trok weinig vrouwen aan uit de arbeidersklasse. Terwijl de DFW gericht was op het uitdragen van praktische taken naar de massa, vormde de NSF een meer elitaire organisatie. Haar taak was de nationaalsocialistische indoctrinatie van de Duitse vrouwen, maar ze slaagde daar onvoldoende in. Zowel de NSF als de DFW verenigden een groot aantal vrouwen, maar het ging om een slapende massa die weinig bijdroeg tot het verwezenlijken van de nazi-idealen.


De positie van de vrouw in de Duitse economie

De economische problemen waren enorm toen Hitler aan de macht kwam. Duitsland stond op de rand van het faillissement. De daling van de inkomens droeg sterk bij tot de radicalisering van het electoraat na 1929 en de opkomst van de nationaalsocialistische beweging. De nazi-leiders hadden echter geen toverformule voor de economische problemen. De aandacht ging in die beginjaren allereerst naar het economisch herstel. Eenmaal de macht geconsolideerd, koos Hitler ervoor om de economie meer en meer op oorlog af te stemmen, wat een grotere inmenging van de overheid impliceerde. Versnelde herbewapening ging hand in hand met grotere autarkie: het in 1936 opgestarte Vierjahresplan moest de Duitse industrie zelfvoorzienend maken, vooral inzake olie, staal en rubber.

Het belangrijkste doel was het optrekken van de werkgelegenheid. De werkloosheidscrisis was een sleutelpunt in de nazi-aanvallen op de Weimar-regering. Tussen 1929 en 1933 daalde het aantal voltijds werkende Duitsers van 20 miljoen tot 11,4 miljoen. Opvallend genoeg namen Duitse vrouwen een groter deel van de arbeidsplaatsen in dan dat in andere industrielanden het geval was, terwijl zij wettelijk als werkloos geregistreerd stonden. De belangrijkste reden lag in de zwakte van de Duitse economie: om de recessie het hoofd te bieden, stelden bedrijfsleiders vrouwen te werk omdat zij goedkopere krachten waren. De nazi’s weerden de vrouwen aanvankelijk weer uit de economie.

Dankzij speciale projecten, zoals de aanleg van wegen en bruggen, de bouw van woningen en de promotie van de auto- en motorindustrie (bijvoorbeeld Volkswagen) daalde de werkloosheid vanaf 1933 langzaam. De economische heropleving wordt te pas en te onpas verklaard als gevolg van de herbewapening, maar dat werd pas economisch significant in 1934-1935 toen het herstel al begonnen was. Waarom duurde het zolang vooraleer de herbewapening op gang kwam? Hitler zag werkcreatie en publieke investeringen als een belangrijk onderdeel van de sociale en materiële heropbouw. De autowegen waren het symbool van het nieuwe nazi-tijdperk. Daarnaast werden de eerste bewapeningsprogramma's gecamoufleerd om conflicten met de machten van het Versaillesverdrag te vermijden. Het was ook niet duidelijk hoe er militaire investeringen konden komen zonder inflatie te veroorzaken. Tenslotte waren de militairen voorstander van een stapsgewijze herbewapening: ze wilden de economie niet overladen na de zware crisis. Dit alles maakte het moeilijk om de economie snel en extensief om te vormen tot een oorlogseconomie.

Vanaf 1936 werd de economie voorbereid op een oorlog. De productie van niet-levensnoodzakelijke goederen werd naar het achterplan verschoven ten voordele van de militaire productie. De indirecte bewapening tussen 1936 en 1939 was belangrijker dan de directe productie van militaire uitrusting, omdat zo de economie langzaam tot een oorlogseconomie werd omgevormd en het aantal geschoolde arbeidskrachten werd uitgebreid. De groeiende economische activiteit bracht veel vrouwen in de zware industrie en de bewapeningssector. Tussen 1938 en 1941 steeg hun aantal in de chemische industrie met 67% en in de metaalindustrie met 59%. Toch was de economie nog niet gereed, toen de oorlog in september 1939 begon. De grote projecten (onder meer met betrekking tot de olieproductie en de spoorwegen) waren verre van afgerond. De plannen voor de bewapening, vooral van de luchtmacht en de vloot, waren nog niet gerealiseerd. Vele problemen waarmee Duitsland tijdens de oorlog werd geconfronteerd, waren het resultaat van het vroegtijdig uitbreken van de oorlog.

In 1936 werd duidelijk dat Duitsland arbeiders tekort had. Er was tekort aan arbeiders van buiten de traditionele arbeidsmarkt: dit betekende de tewerkstelling van vrouwen én een omschakeling in de nationaalsocialistische arbeidspolitiek. Tot 1936 was het uitsluiten van vrouwen een doeltreffende manier om de werkloosheidsstatistieken te manipuleren. De nazi’s creëerden arbeidsplaatsen voor mannen door vrouwen eruit te verwijderen. Dit was nauw gelinkt aan het nationaalsocialistische geloof in de biologische functie van de vrouw als moeder en huisvrouw en werd gepromoot door het toekennen van leningen tegen een lage rente aan jonggehuwden, op voorwaarde dat de vrouw haar baan opgaf.

Door de nood aan arbeidskrachten veranderde de instelling van de nazi's. Toch hadden de maatregelen voor het intensifiëren van vrouwenarbeid niet altijd het gewenste effect. Er was wel een stijging van het aandeel van de vrouwen in de machine-, mijn- en staalindustrie, maar tegelijkertijd nam het dienstpersoneel toe met 166.000 vrouwen. Het percentage van vrouwen in de landbouw nam onvoldoende toe, waardoor de werkdruk toenam: vele DAF-rapporten meldden dat vrouwen in de landbouwstreken overwerkt waren en onder grote spanning stonden, wat in schril contrast stond met de propaganda van de natuurlijke Artgemässheit voor vrouwen. Die contradictie gold ook voor de enige vooroorlogse maatregel in verband met de inzet van vrouwen, namelijk de vrouwelijke arbeidsdienst. In 1935 werden meisjes vanaf 16 jaar verplicht een jaar arbeidsdienst te verrichten als huishoudster of in de landbouw. Op 1 januari 1939 werd die verplichting uitgebreid tot alle vrouwen jonger dan 25 jaar. Zulke maatregelen waren omstreden: Hermann Göring merkte op dat vrouwen bij het gezin hoorden te blijven en niet moesten gaan werken, maar hij vond wel dat de omstandigheden zulke maatregelen rechtvaardigden.

Er werd vaak gesteld dat Duitsland, in vergelijking met Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, er niet voldoende in slaagde voordeel te halen uit de vrouwelijke arbeidsreserves. Indien Duitsland dat wel had gekund, kon het land veel hogere productiecijfers halen. De nazi-ideologie en de angst om zware eisen aan de Duitse bevolking te stellen, stonden dit echter in de weg. Die theorie berustte op het feit dat het absolute aantal vrouwen onder de arbeidskrachten nauwelijks toenam tijdens de oorlog, maar is intussen door meerdere auteurs (Herbert, Stephenson en Overy) ondergraven. Duitsland kende eind jaren 30 al een hoge graad van vrouwelijke tewerkstelling en tijdens de oorlog vond er een herverdeling van de vrouwelijke arbeiders plaats in de richting van de militaire sectoren. Vooral het eerste punt was van grote betekenis. De tewerkstelling van vrouwen nam vanaf 1935-1936 sterk toe als resultaat van de arbeidspolitiek van het regime. De stijging was opvallend: van 13% naar 19% in de ijzer-, staal- en machine-industrie; van 12% naar 29% in de elektro-technische industrie; van 18% naar 25% in de sector van precisie- en optische instrumenten. Tegen 1939 bedroeg het totaal aantal tewerkgestelde vrouwen 14,8 miljoen of 37,4%. In Groot-Brittannië was dat ‘slechts’ 26,4%. Tijdens de oorlog steeg het aandeel van de vrouwen in de Duitse industrie tot 51%, terwijl de Britse vrouwen hun aandeel 'maar' tot 37,9% zagen aangroeien. Dit past niet in de traditionele opvatting van de nazi’s als fervente tegenstanders van vrouwenarbeid. Zij vonden het weliswaar niet ideaal dat vrouwen, en zeker gehuwden, buitenshuis gingen werken, maar maakten de ideologie ondergeschikt aan de arbeidsnoodzaak en de oorlogsdoeleinden.

Aandeel van de vrouwen in de tewerkstelling
Duitsland Groot-Brittannië Verenigde Staten
Mei 1939 37,3% Juni 1939 26,4% - -
Mei 1940 41,4% Juni 1940 29,8% 1940 25,8%
Mei 1941 42,6% Juni 1941 33,2% 1941 26,6%
Mei 1942 46,0% Juni 1942 36,1% 1942 28,8%
Mei 1943 48,8% Juni 1943 37,7% 1943 34,2%
Mei 1944 51,0% Juni 1944 37,9% 1944 35,7%

Zoals gezegd vond er tijdens de Tweede Wereldoorlog ook een significante herverdeling van de vrouwelijke tewerkstelling plaats in het voordeel van de oorlogsproductie. Die herverdeling nam twee vormen aan. De eerste was een herverdeling binnen de industrie, weg van de consumptiegoederen naar de oorlogsgerelateerde sectoren. Onderstaande tabel geeft dit weer.

Verdeling van de vrouwen in de Duitse industrie (x 1000)
Mei 1939 Mei 1940 Mei 1941 Mei 1942 Mei 1943
Productiegoederen
- Chemie 184,5 197,4 204,7 215,8 255,9
- IJzer en staal 14,7 18,4 29,6 36,3 64,9
- Constructie 216,0 291,3 363,5 442,0 603,0
- Elektro 173,5 185,4 208,1 226,3 264,7
- Precisie- en optische instrumenten 32,2 37,2 47,6 55,6 67,2
- Metaal 139,1 171,3 172,0 192,2 259,5
Totaal 760,2 901,3 1025,7 1168,4 1515,4
Consumptiegoederen
- Drukkerijen 97,2 88,8 92,6 73,9 60,1
- Papier 89,5 84,3 79,2 71,9 73,1
- Leder 103,6 78,7 85,0 81,8 95,6
- Textiel 710,1 595,4 581,3 520,9 546,3
- Kleding 254,7 226,5 225,3 212,8 228,9
- Keramiek 45,3 41,4 39,5 37,1 42,8
- Voeding 324,6 273,5 260,9 236,8 238,0
Totaal 1625,3 1388,7 1364,0 1235,4 1284,5

De tweede vorm van herverdeling was minder opvallend, maar niet minder belangrijk. Een groot aantal vrouwen werkte in de landbouwsector. De vrouwelijke tewerkstelling nam er toe met 230.000 tussen 1933 en 1939, terwijl het aantal mannen er daalde met 640.000. Tijdens de oorlog maakten vrouwen in 1939 54,5% uit van de Duitse tewerkstelling in de landbouw, in mei 1942 61,6% en in 1944 65,5%. Door de dienstplicht voor de landbouwers en de landarbeiders - tegen juni 1941 meer dan één miljoen mannen - waren meer en meer vrouwen verplicht om de boerderijen alleen te leiden, waar mogelijk geholpen door buitenlandse krijgsgevangenen of arbeiders. De vrouwen namen zo een belangrijke plaats in, want de landbouwsector was essentieel tijdens de oorlog. Bovendien werd de extra hulp aan de landbouw in drukke periodes (zoals tijdens de oogst) vooral geleverd door vrouwen. In de zomer van 1942 werden één miljoen Duitsers gerekruteerd, zowel tijdelijk als permanent, voor arbeid in de landbouw. Daarbij waren maar liefst 948.000 vrouwen. Veel van dit 'parttime'-werk verscheen niet in de statistieken, die enkel oog hadden voor voltijdse arbeid. Hetzelfde fenomeen deed zich voor in andere sectoren. Zo werden tegen juni 1941 600 000 mannen uit de detailhandel gerekruteerd, waardoor de vrouwen verplicht werden de zaak draaiende te houden. Vrouwen namen banen als postbodes, buschauffeurs en spoorwegarbeiders over van de mannen. In de kantoorarbeid betekende de herverdeling hoofdzakelijk het verrichten van ander werk, meer gerelateerd aan de oorlogsindustrie.

Door de grote aanwezigheid van vrouwen op de arbeidsmarkt in het vooroorlogse Duitsland was het moeilijk nog een werkelijke stijging van de tewerkgestelde vrouwen te bereiken. Men mag daaruit niet concluderen dat Duitsland heeft gefaald in het mobiliseren van de Duitse vrouwen. Het probleem van zulke conclusie is dat de arbeid verricht door landbouwersvrouwen, huishoudsters, detailhandelaarsters etcetera onvoldoende werd gewaardeerd als echt werk. Door het toenemend aantal mannen dat voor het leger werd opgeëist, hadden vrouwen juist de "kans" nieuwe taken uit te voeren en een grotere verantwoordelijkheid op te nemen, terwijl ze tegelijkertijd een gezin moesten onderhouden. Vrouwen kregen een lager loon en maakten langere dagen dan de mannen. Gevolg was dat er in 1939 al duidelijke aanwijzingen waren van een dalende gezondheidsstandaard bij de werkende vrouwen: uitputting, toenemend absenteïsme en vijandigheid tegenover het loonverschil. Een dokter schreef in zijn rapport over de gezondheid van vrouwenarbeid aan de lokale Landrat dat het aantal depressies en zenuwziekten toenam en raadde een sterke daling in de productiviteit aan. Zulke overwegingen, veel meer dan ideologische opvattingen, voorkwamen massalere rekruteringen van vrouwen voor de arbeidsmarkt.


Besluit

Uit de kloof tussen de nazi-ideologie over de positie van de vrouw enerzijds en de omzetting ervan in de praktijk anderzijds blijkt dat er geen eenvormigheid in het nazi-systeem zat. De ideologie proclameerde dat de plaats van de vrouw aan de haard was. Haar rol bestond erin om voor man en kinderen te zorgen. Intensieve propaganda benadrukte dat de natuur de vrouw als moeder en huisvrouw had voorbestemd. De vrouw moest kinderen voortbrengen voor haar volk én de natie. In overeenstemming met de ideologie verwijderde tot 1936 de nazi-politiek de vrouwen uit de economie om arbeidsplaatsen voor de mannen te creëren. De arbeidsnood ‘dwong’ de nazi's hun politiek bij te sturen. Vanaf 1936 werden maatregelen genomen om de vrouwenarbeid te intensifiëren. Dit ging in tegen de eigen ideologie, maar er golden voortaan andere wetten, namelijk die van de oorlogseconomie. De Duitse vrouwen werden ingezet, opdat de vooropgezette militaire productiedoeleinden zouden worden bereikt. Morele en ideologische overwegingen speelden geen grote rol in de hele arbeidsproblematiek. De nazi's wilden liefst zoveel mogelijk mensen, mannen én vrouwen, aan het werk zien. Wanneer de oorlog was gewonnen, kon er worden teruggegrepen naar het ideologische ideaal. De oorlog werd echter niet gewonnen en samen met de nazi’s ging ook hun nieuwe maatschappij onderuit.


Bronnen

- BOCK, G. Gewone vrouwen. Daders, slachtoffers, omstanders en meelopers van racisme en holocaust in Nazi-Duitsland, 1933-1945. In Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 15. Sekse en oorlog. Amsterdam, 1995, 117-144.
- DURHAM, M. Women and fascism. Londen, 1998.
- HERBERT, U. Hitler's foreign workers. Enforced foreign labour in Germany under the Third Reich. Cambridge, 1997.
- HERBERT, U. Geschichte der Ausländerbeschäftigung in Deutschland 1880 bis 1980: Saisonarbeiter, Zwangsarbeiter, Gastarbeiter. Berlijn, 1986.
- NOAKES, J., PRIDHAM, G. Nazism 1919-1945: a history in documents and eyewitness accounts. New York, 1990.
- OVERY, R.J. War and economy in the third Reich. Oxford, 1994.
- SAX, B., KUNTZ, D. Inside Hitler's Germany: a documentary history of life in the Third Reich. Lexington, 1992.
- STEPHENSON, J. Women in nazi-society. Londen, 1975.
- VAN DER AUWERA, G. De nazi-ideologie en de verplichte tewerkstelling van Belgische vrouwen in de Tweede Wereldoorlog: een confrontatie. Licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, 2001.
- WINKLER, D. Frauenarbeit im Dritten Reich. Hamburg, 1977.
Versie: 3-7-2013 Artikel door: Gerd Van der Auwera

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/900/Vrouwen-in-de-nazi-ideologie-en-de-nazi-economie.htm