Göth, Amon

Amon Göth (1908 - 1946)

Oostenrijks nationaalsocialist

Amon Göth werd geboren op 11 december 1908 in Wenen waar hij door zijn ouders katholiek opgevoed werd. Zijn grootvader en vader hadden een drukkerij waar ze boeken over militaire en economische geschiedenis drukten en bonden. Op de middelbare school volgde Amon voornamelijk exacte vakken. Hij was geen denker, al zag hij zichzelf op latere leeftijd als een ware filosoof. Al op jonge leeftijd sloot Amon zich aan bij de Oostenrijkse nationaalsocialisten. Op 17 jarige leeftijd werd hij lid van de Oostenrijkse nazi-jeugdbeweging en als volwassen man sloot hij zich in 1930 aan bij de Oostenrijkse nazipartij. In 1930 vluchtte Göth naar Duitsland omdat hij in de woorden van Oostenrijkse autoriteiten betrokken was geweest bij misdaden met explosieven. In het begin van de jaren ’30 smokkelde Göth voor de nazipartij vanuit Duitsland geld, wapens en informatie naar Oostenrijk. Een basis voor zijn latere criminele bestaan werd hier gelegd.

In 1932 sloot Göth zich aan bij de NSDAP (partijnummer 510764). In Oostenrijk speelde hij in 1934 een rol bij de mislukte naziputsch in Wenen. Hij werd gearresteerd door de Oostenrijkse politie, maar slaagde erin om te ontsnappen. Hij vestigde zich in München en probeerde hier een uitgeverij op te starten. In München trouwde hij, maar na de trouwerij volgde al snel een scheiding. Vanwege deze scheiding brak hij ook met het katholieke geloof. Na de scheiding keerde Göth weer terug naar Wenen waar hij in 1938 opnieuw trouwde. Dit huwelijk hield stand en in 1939 werd het eerste kind van Göth geboren, dat na 7 maanden stierf. Göth kreeg in dit huwelijk later nog twee kinderen.

Aktion Reinhard

In 1940 sloot Göth zich aan bij de Schutzstaffel (SS-nummer 43673). Zijn carrière als beroepsmoordenaar was begonnen. Göth was tot 30 mei 1942 als SS-Untersturmführer werkzaam bij de “Volksdeutsche Mittelstelle” in Katowice (Polen) en werd daarna op 12 juni 1942 toegevoegd aan de staf van Odilo Globocnik, de SS- und Polizeiführer te Lublin. Hij werd hier ingezet op het werkgebied “Judenumsiedlung”, een term waarmee niets anders dan de deportaties in het kader van Aktion Reinhard werd bedoeld.

Aktion Reinhard was de codenaam voor de nazi-operatie om meer dan 2 miljoen Joden te vernietigen in vijf districten van het Generalgouvernement, namelijk: Warschau, Lublin, Radom, Krakau en Lvov. Deze operatie was vernoemd naar Reinhard Heydrich, tot zijn dood op 4 juni 1942 de belangrijkste organisator van de Holocaust. Göth was betrokken bij de ontruimingen van enkele kleine getto’s, maar na een conflict met SS-Sturmbannführer Hermann Höfle, de stafchef van Aktion Reinhard, werd hij overgeplaatst naar Krakow. Göth was door Höfle beschuldigd van corruptie. Deze waarschuwing was voor Göth echter geen aanleiding om te stoppen met zijn corrupte activiteiten.

Concentratiekamp Plaszow

Door SS- und Polizeiführer Julian Scherner werd Göth op 11 februari 1943 benoemd tot kampcommandant van het kamp Plaszow. Kamp Plaszow was in 1942 opgericht als arbeidskamp (Arbeitslager) en in januari 1944 werd het kamp een concentratiekamp. Het aantal gevangenen in Plaszow varieerde van 2.000 in maart 1943, tot 24.000 in mei 1944. Een groot deel van de gevangenen kwam uit het getto van Krakow. Veel Joden vonden de dood in het kamp Plaszow. Ze werden begraven in massagraven waar ook de slachtoffers die vielen tijdens de ontruiming van het getto van Krakow werden begraven.

Als kampcommandant was Amon Göth vermoedelijk één van de wreedste en sadistische binnen de gehele kamporganisatie van de SS. In Plaszow werden gevangenen vaak in het openbaar opgehangen. Mensen werden vaak collectief gestraft voor de misdaad van een individu en martelingen waren aan de orde van de dag. Het beruchte ochtendritueel van Göth was dat hij vanaf het balkon van zijn villa, die uitkeek over het kampterrein, met zijn geweer schoot op onschuldige slachtoffers. In Plaszow was je als gevangene je leven nooit zeker, de dood was altijd aanwezig. Of zoals één van de gevangenen, Poldek Pfefferberg, het omschreef: “Als je Goeth zag, zag je de dood.”

Een gevangene met de familienaam Pankiewicz omschreef Göth als volgt: “Lang, aantrekkelijk, zwaar gebouwd met dunne benen, hoofd in proportie, blauwe ogen en hij was ongeveer 40 jaar oud. Hij was gekleed in een zwarte leren jas, hield een zweep in één hand en een klein automatisch pistool in de ander, vlakbij hem waren twee enorme honden.” Deze honden, Ralf en Rolf, waren afgericht om gevangenen op commando aan te vallen en te verscheuren. Veel gevangenen werden zwaar verwond of gedood door de kaken van de honden.

Onzekerheid over hun leven was voor gevangenen vermoedelijk het moeilijkste aan hun gevangenschap in Plaszow. Göth vermoordde zonder enige aanleiding willekeurige slachtoffers, zoals ex-gevangene Anna Duklauer Perl als volgt omschrijft: “Ik heb Göth gekend, op een dag heeft hij een vriend van mij opgehangen alleen maar omdat hij ooit rijk was. Hij was de duivel!” In tegenstelling tot bijvoorbeeld Rudolf Höss (de kampcommandant van Auschwitz) en Adolf Eichmann (organisator van de deportaties naar de vernietigingskampen) was Göth geen bureaucraat die ondergeschikten aanzette tot moord, maar een sadist die geen enkele moeite leek te hebben met het eigenhandig vermoorden van zijn gevangenen. Hij voelde een soort minachting voor de officieren die mishandelingen en moord aan hun manschappen en onderofficieren overlieten. Overmatig alcoholgebruik en een chronisch slaapgebrek droeg bij aan het onberekende en meedogenloze karakter van Göth.

Nadat Göth op 20 april 1944 tot SS-Hauptsturmführer benoemd was (hij sloeg de rang van SS-Obersturmführer over), vond er op 7 mei in Plaszow een gezondheidsappèl (Gesundheitsaktion) plaats. Gevangenen werden naakt op appèl geroepen en het was de taak van Göth, zijn personeel en kamparts Blancke om de gezonde gevangenen en de zwakke en zieke gevangenen uit elkaar te halen. De actie werd uitgevoerd onder begeleiding van muziek van Strauss, balladen en liefdesliedjes. Op de ‘Appèlplatz’ hingen spandoeken met de boodschap “Voor iedere gevangene passend werk!”. De gevangenen die tijdens het gezondheidsappèl als gezond beschouwd werden, waren nog in staat om te werken, maar de zieke en zwakke gevangenen werden gedeporteerd naar vernietigingskamp Auschwitz waar ze vergast werden. Uiteindelijk zouden na deze actie 1.400 gevangenen op persoonlijk initiatief van Göth naar Auschwitz gedeporteerd worden. In Plaszow kwam door deze ‘opruimingsactie’ weer meer plek vrij voor nieuwe gevangenen. Terwijl de Russen kamp Plaszow naderden zouden in juli en augustus 1944 veel meer gevangenen gedeporteerd worden, onder ander naar Stutthof, Flossenbürg en Mauthausen.

De ontruimingen van Krakow, Tarnow en Szebnie

Naast zijn functie als kampcommandant was Göth vanaf het begin van 1943 ook betrokken bij de ontruimingen van getto’s en werkkampen in de omgeving van Krakow. Op 13 en 14 maart 1943 werd onder tactische leiding van Göth het getto van Krakow volledig ontruimd. Vanaf 21 maart 1941 had dit getto plaats geboden aan ongeveer 68.000 joden. De strategische leiding over de ontruiming van het getto was in handen van SS-Sturmbannführer Willi Haase en onder zijn supervisie leidde Göth deze operatie. Ongeveer 8.000 Joden werden gedeporteerd naar kamp Plaszow. Ongeveer 2.000 Joden werden ter plaatse vermoord en rest werd naar vernietigingskampen gedeporteerd. Tijdens deze ontruiming doodde Göth eigenhandig meerdere Joden.

In het getto van Tarnow had al in juni 1942 en in september 1942 een ontruiming plaatsgevonden. De laatste ontruiming vond plaats op 2 september 1943. Göth had wederom de leiding en werd bijgestaan door ongeveer 200 SS-ers. Göth schijnt tijdens deze ontruiming eigenhandig tussen de 30 en 90 vrouwen en kinderen doodgeschoten te hebben. De voor arbeid geschikte Joden werden weer opgenomen in Plaszow, terwijl de rest gedeporteerd werd naar Auschwitz.

Ook de ontruiming van het werkkamp Szebnie vlakbij Jaslo werd geleid door Göth. De ontruiming begon op 21 september 1943 en duurde tot februari 1944. Op de eerste dag van de ontruiming werden al 700 gevangenen vermoord. Zij werden naar een bos in Tarnowiec getransporteerd waar ze op persoonlijk bevel van Göth werden vermoord.

Tijdens deze en andere ontruimingen van getto’s profiteerde Göth op grote schaal van de achtergebleven kleding, sieraden, meubelen en overige bezittingen van de voormalige inwoners van de getto’s. Hij nam deze goederen in beslag en verkocht ze op de zwarte markt of hield ze voor zichzelf. De waarde van deze door Göth ontvreemde goederen liep op in de miljoenen zloty’s. Naast de diefstal van deze goederen die eigenlijk het Rijk toekwamen, was Göth actief op de zwarte markt. Ook werd hij omgekocht door de Duitse industrieel Oscar Schindler.

In Plaszow verbleven ongeveer 900 Joden die in dienst waren in de emaillefabriek van Schindler. Om te kunnen profiteren van deze goedkope Joodse arbeidskrachten, maar uiteindelijk uit mededogen, wilde Schindler zijn Joden tegen de terreur in kamp Plaszow beschermen. Schindler stelde Göth tevreden met luxe goederen uit de zwarte handel en kon hierdoor zijn Joodse werknemers beschermen tegen de moordpartijen van Göth. Tussen Göth en Schindler ontwikkelde zich een relatie die Göth mogelijk interpreteerde als vriendschap. Opvallend was dat Göth en Schindler in hetzelfde jaar geboren waren en dat ze thuis met hetzelfde geloof opgevoed waren. Bovendien hadden ze beide een zwak voor alcoholische drank en voor vrouwen. Zowel Schindler als Göth hadden naast hun vrouw een minnares.

Het corrupte leven dat Göth leidde was op 13 september 1944 voor de SS aanleiding om hem te arresteren. Een hogere SS-er met de naam Eckert deed onderzoek naar het corrupte leven van Göth. Als bewijs vond hij in de villa van Göth ongeveer 80.000 Reichsmark. Göth kon niet verklaren hoe hij aan dit geld gekomen was. Daarnaast werden er onder andere een miljoen sigaretten gevonden in diezelfde villa. Het Weense appartement van Göth leek door de grote hoeveelheid opgeslagen gestolen waar meer op een magazijn dan op een woning. Göth werd aangeklaagd vanwege zwarte handel en corruptie, maar tot een proces is het nooit gekomen. Hier was geen tijd voor omdat het einde van de oorlog naderde. In januari 1945 werd Göth wegens ziekte (diabetes) vrijgelaten en overgebracht naar een sanatorium in het Beierse Bad Tölz. De gevangenen in Plaszow werden inmiddels overgebracht naar andere kampen en de bewijzen van massamoord werden vernietigd. De lijken uit de massagraven rond Plaszow werden opgegraven en verbrand. Op 14 januari 1945 werden de laatste 2.000 gevangenen gedeporteerd naar Auschwitz.

Arrestatie en bestraffing

Göth werd in een SS-sanatorium in Beieren gearresteerd door de troepen van George Patton. Hij werd gevangengezet in kamp Dachau. Vervolgens werd hij door het Poolse hooggerechtshof aangeklaagd voor de massamoord op Joden en de gewelddadige liquidatie van diverse getto’s en kampen. Het proces werd gehouden van 27 tot 31 augustus en van 2 tot 5 september 1946. Göth accepteerde de verantwoordelijkheid voor wat er in zijn kamp gebeurde, maar vond zichzelf niet schuldig omdat hij naar eigen zeggen geheel handelde volgens wat er van hem verwacht werd. Hij beweerde dat het doden van gevangenen binnen zijn verantwoordelijkheden hoorde en dat alle bevelen voor zijn executies en deportaties waren ondertekend door superieuren en dus niet zijn misdaden waren. Göth beweerde dat de hoeveelheid moorden die hij gepleegd had sterk werd overdreven. Volgens eigen zeggen executeerde hij alleen maar saboteurs en hoorde dit gewoon bij de dagelijkse gang van zaken tijdens een oorlog. Veel ex-gevangenen werden echter als getuige opgeroepen en zij konden een nauwkeurige beschrijving geven van zijn misdaden.

Göth vroeg vergiffenis aan de voorzitter van de rechtbank voor zijn daden, maar die kreeg hij niet. De rechtbank oordeelde dat Göth meer deed dan van hem verwacht werd; het merendeel van de moordpartijen in Plaszow werd op geheel eigen initiatief van Göth uitgevoerd. Hij werd dan ook schuldig bevonden aan alle aanklachten. Op 5 september 1946 werd Göth ter dood veroordeeld. Hij werd op 13 september 1946 opgehangen in Krakow, niet ver van het beruchte kamp waar onder zijn bevel ongeveer 8.000 Joden vermoord werden en vele anderen mishandeld, vernederd en getraumatiseerd. Voor zijn dood bracht hij een laatste groet aan Adolf Hitler; Göth liet hiermee blijken geen berouw voor zijn daden te hebben.


Bronnen

Boeken


Versie: 29-7-2014 Artikel door: Kevin Prenger

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/1042/Göth-Amon.htm